Infopagina4

Kāmaloka

 

Er is een moment geweest dat ik mijzelf afvroeg: “waar kom ik vandaan, wat was er vóór dit leven?”Vreemd, om zomaar hier op aarde te zijn, zonder te weten, wat er aan vooraf ging! En wat gebeurt er wanneer ik sterf, waar ga ik heen, is het dan voorbij? Maar ook gedachten, die in mij als klein kind opkwamen: is er een hemel, is er vagevuur en hel? Waar is dat dan?

Wanneer ik veronderstel, dat dit mijn enige leven op aarde zou zijn, veroorzaakt dit diep in mij een gevoel van obstructie, net alsof iets in mij het natuurlijk stromen stagneert, dat het leven in mij vast loopt. Terwijl de gedachte van eenheid met alles om mij wat leeft, de natuur die steeds in beweging is en zich steeds weer vernieuwd, juist het gevoel geeft van leven, van deel uitmaken, deel zijn van alles om mij, en alles in mij.

Deel zijn van een groter plan, waarvan ik de bedoeling niet weet, maar dat duidelijk aanwezig is, wanneer ik in mijzelf herken, dat dit leven een doel heeft, en ernaar onderweg ben. In de ontmoetingen die ik dagelijks heb, en ook de ervaring dat oude contacten vervagen, en nieuwe zich aan dienen, de mooie momenten, de teleurstellingen, de pijn, het verdriet en wat al niet meer, maar ook de overwinningen op mijzelf, op mijn beperkingen, de verworven innerlijke kracht, de hernieuwde nieuwe stimulans, vertrouwen in het moment en in de toekomst. Er zit een opgaande lijn in verschillende fases waar doorheen het leven zich tentoonspreid. Het  nieuwsgierig, ontdekkings gerichte, het confronterende, en dan het eigen maken van  nieuwe ervaringen. Maar ook wanneer ik om mij heen de natuur bekijk, de vogels de planten, bloemen, dieren, bomen, dan is daar steeds die hernieuwende beweging. Innerlijk kan ik mij zelf niet aan het gevoel ontrekken dat er meer is, en dat er wel zeker een reden is waarom u en ik, hier op aarde zijn.

Wanneer u meer informatie over ons sterven wenst, dan is er deel5 uit mijn boek “mijn lief koningskind”, het niet wetende   

Om kāmaloka aan u uit te leggen, neem ik als uitgangspunt het overlijden   van ons lichaam. Na dit aardse einde komen we eerst in kāmaloka, of het gebied van begeerte, daarna treden we in de toestand van dechavan. Om dechavan te begrijpen gaan we eerst het kāmaloka bestuderen.

Na ons overlijden, wanneer de adem het lichaam verlaat en wij zeggen dat de mens dood is, en de arts de dood constateert en de mens voor dit leven feitelijk dood is, is dit echter het begin van de dood. Alle krachten en stoffen van het lichaam en de ziel, stromen richting ons hoofd, u herkent dit terug trekken van de krachten, wanneer een lichaam koud wordt, dit allereerst gebeurt  bij de voeten. De krachten stromen door de hersenen en wordt het pas geėindigde leven, door een reeks van beelden op de innerlijke mens geprojecteerd. Wanneer dit plechtige proces beėindigd is, scheidt het etherische lichaam zich van het lichaam af. Zo lijkt het dat de mens het fysieke lichaam samen met de fysieke krachten heeft afgelegd, met de dood.

Vervolgens maakt zich het astrale lichaam  los van het lichaam. De dood verdeeld de mens in drie delen, ten eerste het zichtbare lichaam dat overgaat tot ontbinding, ten tweede het astrale lichaam, dat uiteenvalt in het astrale gebied, ten derde het Hoger Zelf, niet te verwarren met het aardse ego, maar de kern van ons werkelijke wezen dat onsterfelijk is.

Kāmaloka,  is het astrale gebied dat de aarde doordringt en omringt.

Als plaats bevindt het zich op, in en rond de aarde. Het strekt zich tot op een meetbare afstand van de aarde uit, maar de wetten die voor de aarde gelden, gelden daar niet en de wezens daarin zijn niet gebonden aan tijd en ruimte die voor ons gelden.  Het wordt het gebied van begeerte genoemd, omdat de heersende kracht daarin is, begeerte, verstoken en los van intelligentie.

Het is astraal gebied tussen het aardse en hemelse leven. Het is ongetwijfeld de oorsprong van de christelijke theorie van het vagevuur, waarin de ziel boet voor begaan kwaad en waaruit ze kan worden verlost door gebed en andere ceremoniėn of offeranden. Het feit waaruit dit bijgeloof is ontstaan, is dat de ziel door de enorme kracht van een onbevredigd verlangen in kāmaloka kan worden vastgehouden en niet los kan komen van het astrale en kāmische omhulsel, totdat aan dat verlangen door iemand op aarde of door de ziel zelf is voldaan. Maar als het denken van de persoon zuiver was en hij hoge aspiraties had, wordt de scheiding op dat gebied snel voltooid, waardoor de hogere triade de onsterfelijke vonk dat van incarnatie naar incarnatie gaat naar devachan kan gaan.

Omdat kāmaloka de zuivere astrale sfeer is, heeft het deze kenmerken van de astrale stof, die in wezen aards en duivels en waarin alle krachten werken zonder ziel of het geweten. Hier is geen plaat voor het hemelse devachan. Daarom heeft kāmaloka vele graden, ontwikelingsmogelijkheden. Deze graden worden in het Sanskriet lok’s genoemd. Het menselijk leven vertoont in zijn karakter en ontwikkelingsmogelijkheden veel variaties en voor elk daarvan wordt na de dood een geschikte ‘loka’ plaats verschaft. Kāmaloka is dus een oneindig gebied. In het leven zijn er vele verschillen tussen mensen, maar in kāmaloka, worden alle verborgen begeerten en hartstochten losgelaten omdat het lichaam ontbreekt, daarom toont die toestand een veel grotere variatie dan het levens gebied, waar vele hun gevoelens onderdrukken of temperen.  Kāmaloka komt niet alleen tegemoet aan de natuurlijke verschillen en verscheidenheid, maar ook aan die, die zijn veroorzaakt door de manier van sterven.

Terwijl de mens in de wereld leeft, hebben de begeerten en hartstochten “het kāma” beginsel geen afzonderlijk leven, om zo te zeggen is kāma door zijn hele wezen verspreid. Maar wanneer ze zich de dood met het astrale lichaam  verenigen en zo een wezen met een eigen levensduur vormen worden we toch ermee geconfronteerd dat tijdens het sterfelijke leven de begeerten en hartstochten door het verstand en de ziel geleid, werken zij na de dood zonder leiding van ons mens zijn we tijdens ons leven verantwoordelijk en ook voor de gevolgen ervan en wanneer we dit in ons leven hebben verlaten, blijven we verantwoordelijk.  In kāmaloka werkt dit door en zal dit andere beļnvloeden.

Hieruit blijkt de blijvende verantwoordelijkheid. In de oosterse filosofie zijn ze bekend als skandha’s. Het zijn de eigenschappen die de mens vormen. Het lichaam omvat een stel skandha’s, bij de astrale mens worden ze het kāma-beginsel genoemd.

De skandha’s worden dagelijks voortgebracht volgens de wet dat elke gedachte, zich onmiddellijk met een van de elementale krachten van de natuur verbindt en zo een soort entiteit wordt die een levensduur heeft overeenkomstig de kracht van de gedachte toen deze onze hersenen verliet. Deze blijven onafscheidelijk verbonden met de persoon die ze voortbracht.

Er is geen ontkomen aan, het enige wat we kunnen doen is goede gedachten hebben, want zelfs de hoogste meesters staan niet boven deze wet, ook al bevolken ze hun ruimte met machtige entiteiten die alleen ten goede werken.

Het aardse leven is tegelijk ook een kāmaloka, omdat het grotendeels door het kāma-beginsel wordt beheerst en dat zal blijven doen totdat er in de verre toekomst de mensrassen in de loop van de evolutie zich zover hebben ontwikkelt dat het bevrijdt wordt van de aardse invloeden. 

De aardse invloeden waardoor velen onder ons, het gevoel voor morele verantwoordelijkheid hebben verloren. Zou zo’n belangrijke plaats moeten innemen dat als een ieder zou kunnen beseffen, wat er naar de dood, met hen gebeurt, men misschien gaat begrijpen dat wat na de dood gebeurt, een voortzetting is van ons hedendaags handelen. Als u kāmaloka wilt begrijpen, zou u nu uzelf moeten gaan bestuderen en dan weet u wat er komt. U krijgt een voortzetting van wat u nu bent.

Als iemand zich aan zijn ondeugden overgeeft, oogst hij de gevolgen van zijn fouten. Daardoor leert hij zijn lessen, die uit het leed voortkomen. Als iemand zijn denken vult met grove gedachten en boze dromen, leert hij op den duur daarvan door pijn, want zijn denken en zijn karakter zullen de uitwerking en de gevolgen daarvan ondergaan. Hij lijdt, hij wordt gekweld, hij betaald ervoor, hij heeft zijn innerlijke structuur vergiftigd en zal geen vrede vinden voor het gif uitgewerkt is, voor hij zich heeft gebeterd, heeft herschapen.

Dan heeft hij weer vrede en zal hij vredig kunnen slapen.

 

Bestudeer uzelf in uw dagelijkse bewustzijn, en bestudeer ook wat voor dromen u heeft. Dromen komen uit uw eigen denken voort en daarom vormen zij een deel van uw eigen bewustzijn. Bijvoorbeeld: iemand heeft overdag boze dromen, slechte gedachten, als hij slaapt heeft hij nachtmerries.

Hij leert ervan als hij slaapt, hij zal zeker geen hemelse dromen hebben, want hij heeft zijn brein gevuld met angstaanjagende, weerzinwekkende, verachtelijke en lage gedachten. Hij heeft geen gedachten opgebouwd die vol liefde en mededogen zijn.

 

Maar niet alleen na de dood, of in onze dromen worden we geconfronteerd met ons dagelijkse handelen, maar ook in de huidige voorkomendheid, worden we geconfronteerd met onze dagelijkse handelen en gedachten.

Is ons handelen vanuit liefde en mededogen,  begripvol en geduldig, zullen ook onze ontmoetingen in deze sfeer zijn. Hebben wij rancuneuze gedachten, gedachten die ons innerlijk vergiftigen, zullen wij ook deze uitgezonden energieėn ontmoeten. Met de bedoeling dat wij ook in ons dagelijkse zijn, hiervan kunnen leren. Dus hoe dan ook, niets blijft zonder gevolg.

Bestudeer uw gedachten, en komen er ongewenste gedachten bij u naar boven, leer dan te bidden. Een kort gebed steeds herhaalt, brengt u uit de neergaande spiraal en laat u hernieuwd de dag beginnen.

 

Kākmaloka is niets anders dan een bewustzijnstoestand, waarin het bewustzijn van de mens na de dood in terecht komt, omdat hij tijdens zijn leven zelf voor dat niveau bewustzijn heeft gekozen. Stel dat iemand helemaal geen uitgesproken karakter heeft, noch bijzonder goed, noch bijzonder slecht.

In wat voor toestanden zal hij na de dood komen? Hij zal een kleurloos kāmaloka krijgen. Het zal helemaal zijn als een soort vage, ondefinieerbare droom. Het heeft niet veel te beteken en daarom zal hij na het sterven niet veel betekenen. Of neem het geval van een jongeman die op het slechte pad is maar die, omstreeks zijn middelbare leeftijd tot inkeer komt en de rest van zijn leven aan verdienstelijke daden en zelfverbetering wijdt. Zijn kāmaloka zou eenvoudig een voortzetting zijn van wat de mens is als hij sterft. Daarom zal een slechte jongeman die een goede oude man wordt zo goed als geen onaangename soort kāmaloka hebben. Voor elk kwaad dat hij als jongeman deed, zal hij wčl de rekening tot de laatste cent moeten betalen, maar zijn toekomstige leven, waar hij tot inkeer is gekomen zal zijn kāmaloka heel weinig voorstellen, omdat het eenvoudig een voortzetting is van wat hij was toen hij stierf . 

 

Kāmaloka is een verlenging of voortzetting, tot het is uitgewerkt, van wat men tijdens het leven doormaakt, dus ook tijdens het leven worden we geconfronteerd met ons handelen! Als iemand zijn zinnen en gedachten en gevoelens zet op dingen die hem pijn veroorzaken, en doen lijden omdat hij zelfzuchtig is en volhart in trots en egoļsme, zal hij zeer zeker dezelfde neiging van het bewustzijn voortzetten na de dood. Daarom is kāmaloka een voortzetting een verlenging van dezelfde bewustzijnstoestanden die men op aarde heeft ervaren, met het verschil: omdat men uit het lichaam is, dat tegelijk een masker en een beschermend schild is, is men als het ware naakte gedachte. En als het denken tijdens het leven op afschuwelijke dingen was gericht of als men het denken in die richting heeft laten gaan terwijl men belichaamd was, zal men niet van smetten worden gezuiverd alleen omdat men het lichaam heeft afgelegd.

 

Uw denken, dat bent u zelf, zal doorgaan en u zult door kāmaloka moeten gaan om dat aspect van het denken te laten uitwerken. Het zal moeten afsterven zoals vuur dat vanzelf dooft. Als u tijdens uw leven mooie, grootse, verheven gedachten heeft gehad, zal u die op precies dezelfde manier ook hebben, maar duizendmaal zo sterk, omdat ze niet meer door het lichaam worden verstikt als dit is afgelegd. Als u dus wilt weten wat uw bestemming na de dood is, moet u nu uzelf bestuderen. Niets in het heelal kan verhinderen dat het geluk uw deel wordt, dat u voor uzelf schept.

Zo luidt de leer over kāmaloka. Ze is heel eenvoudig. Kāmaloka overkomt u niet plotseling als u sterft, maar omdat uw bewustzijn zo was terwijl u nog belichaamd was, zal de ene of de andere toestand zich na de dood voortzetten.

 

Door de eeuwen heen hebben alle grote wijzen en zieners geprobeerd de mens te leren zijn gedachten te vergeestelijken en te zuiveren, het harteleven te leiden en zich te ontdoen van de dingen die verkeerd of slecht zijn.

Als u in het leven erin verkeerde, zult u na de dood erin verkeren. Iemand die geen gedachten van haat, afschuw, verachting of boosaardigheid had tegenover een ander, iemand met een hart en hoofd die nooit broeinesten van het kwaad zijn geweest, zal in het leven en na de dood een bijzonder goed kāmaloka krijgen en komt verfrist en sterk en vernieuwd terug om een nieuw leven te beginnen.

 

 

 

 

 

Geļnspireerd door: Wind van de geest, G. de Purucker

Theosophical University Press Agency Den Haag.