Ontwikkeling, staat in ons DNA gegrift, alleen we worden overvallen door onzekerheid. Waarom? is ontwikkeling saai, te moeilijk, te kostbaar of welke uitvlucht heeft u? 
Wat weerhoudt ons om al die talenten te ontwikkelen die diep in ons sluimerend aanwezig zijn, en hunkeren naar de vrijheid.

 

Waarom verzetten wij ons tegen de stroom van het leven, aanvaard het leven leer het kennen, leer jezelf te doorgronden, ga mee in een voortdurende beweging.

Laat deze site u inspireren, laat het diep in uw verankeren, zodat uw beweging van invloed zal zijn op al die anderen die afwachten. Hartegroet, het licht in mij groet uw hartelicht, Ushta Te,  Antoinette 

 

 

 

 
 

persische bruid.jpg

 
7+7 copia (2).jpg

 

 

 

 

 

 

 

 

 

rudolf steiner.png

 

Rudolf Steiner

 

Index

De evolutie van de mens en de aarde

Het Christendom

Het Johannes evangelie

Zarathustra

Met Jezus Christus onderweg

De kunst van het zegenen

 

 

www.universelevrede.nl

info@universelevrede.nl

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De evolutie van de aarde en de mens

 

imagesCAC0WFSF.jpg

 

 

info

aarde, zon,en maan

 

schepping van mens en natuur

 

het wezen van de mensheid

1 fysieklichaam

2 etherlichaam

3 astraallichaam

4 ik

gewaarwordingsziel

verstandsziel/gemoedsziel

bewustzijnsziel

 

5 Geestzelf

6 Levensgeest

7 Geestmens

( De zeven delen van de mens)

 

Onze Atlantische voorouders

Overgang van het 4e naar het 5e wortelras

Het Lemurische ras

Splitsing van geslachten

Rassen en onderrassen

Het leven op saturnus( Engelen, Aartsengelen en Cherubijnen)

De hyperboreesche en het polaire tijdperk

Het leven op de zon

Het leven op de maan

Het leven op de aarde

De aarde en haar toekomst

De vierledige mens

 

De aarde- en mensheidsevolutie

door Jan Vermeir

 

 

Studie:

Geïnspireerd door de antroposofische leer van

Rudolf Steiner

Boeken;

Beelden van de evolutie

Het Johannes evangelie

Wetenschap van de geheimen van de ziel

De Akasha kronieken

 

Mocht u evenzo geïnspireerd zijn als ik, en een antroposofie studie ambiëren, dan zou ik u aanraden, deze boeken in een (antroposofische) bibliotheek op te zoeken. Het is zeker de moeite waard, daar mijn overzicht een verkorte versie is van het originele boekwerk van

Rudolf Steiner.

 

aarde, zon en maan

 

In het vroegste begin aller tijden vormde de zon, aarde en maan een eenheid.

De zon was reusachtig groter dan de aarde, een energetische bol die zich voedde met andere hemellichamen. Je moet je voorstellen dat de aarde zich in de zon bevond en de maan in het midden bevond zich een beetje tegen de buitenkant van de aarde. Hier had je de zon, daar zat de aarde en daar weer in de maan. De maag van de zon zat in het midden van de zon, deels aan de rand van de aarde. De zon trok overal kometen aan en leverde ze dan af aan de maag, zodat de vertering van de aarde toch plaatsvond binnen in de aarde. Er was dus voor gezorgd dat de aarde zich kon voeden gedurende de tijd dat de zon nog bij haar was.

 

Eigenlijk is het zo dat de aarde de zon in zich droeg maar de zon is zo reusachtig groot dat je het juist andersom zou denken. Dat de zon de aarde droeg. In de tijd dat de aarde de zon in zich droeg deed de zon hetzelfde wat hij nu in zijn eentje doet: Hij vrat kometen. Dit is de reden waardoor het reuzenhoofd “de aarde” in leven kon blijven.

 

Wanneer we naar de aarde kijken in de zon, zien we een groot hoofd, met een maag. Vergelijken we dit nu met een embryo in de moederschoot, in een bepaalde periode in het prille begin na de bevruchting: dan ziet de menselijke kiem er heel interessant uit. Het kind is bijna alleen maar hoofd. Al het andere is heel erg klein. Bloedvaten brengen voeding mee en het hoofd wordt gevoed. Een maag is er helemaal nog niet en een hart ook niet. Een eigen bloedsomloop heeft het kind in de eerste weken nog niet; het is immers alleen maar hoofd. Hier zien we dus het vergelijk met onze aarde in haar embryonale staat gelijk aan het kind in het moederlichaam. We kunnen dus zeggen, zolang de zon met de aarde verbonden was, had dit reusachtige wezen de mogelijkheid om zich vanuit het heelal te voeden.

 

Nu zou je kunnen opmerken dat het hoofd niet voor de vertering zorgt, dat is juist. Maar het menselijke hoofd verteert namelijk toch een beetje. Als we een gerecht eten, dan komt ze allereerst op de tong en bij het gehemelte in aanraking. Daar wordt de voeding vermengd met speeksel met ptyalase en vervolgens gaat de voeding naar de slokdarm. Maar niet al het eten gaat door de slokdarm. Eigenlijk is de mens een waterzuil, alles is week, de vaste bestandsdelen zitten er slechts in opgeslagen, zodat er in de mond al iets van het eten wordt opgezogen in het hoofd. Er gaat een directe voedingsstroom van het gehemelte uit het hoofd in.

 

Het kind in het moederlichaam is nog in zijn stadium van groei een hoofd; alleen is alles nog week. Wanneer je heel vergroot in de hersenen zou kunnen kijken is het hoofd heel week en verschrikkelijk levendig. Hiermee lijken de aarde in haar eerste evolutie en de embryo in het moederlichaam  op elkaar. Alleen is de aarde verschrikkelijk groot en de embryo in de moederlichaam zo verschrikkelijk klein.

 

Gaan we weer terug in de tijd van de aarde ontwikkeling dan zien we dat de aarde de zon en de maan een lichaam vormden.  De zon was een grote gasbol die zich niet kon bewegen, maar de aarde met in zich de maan die konden zich bewegen en dat heeft alles in beweging gebracht. De aarde was nu eenmaal een levend wezen en ze had zon en maan in zich. De zon en de maan hebben zich op een gegeven moment afgesplitst met achterlating van hun erfenis, een deel van hun krachten. Net zoals wanneer een kind geboren wordt en er altijd herkenning te ontdekken valt van eigenschappen der ouders. Zo planten deze kiemkrachten, die beschermd liggen in het menselijk lichaam van de vader en de moeder, zo planten deze kiemkrachten die vroeger direct van de zon kwamen zich tegenwoordig nog voort. Zo dragen ook de dieren en planten in hun zaadjes en eieren de oude oerkrachten van de zon in zich in hun zaad en eivloeistof.

 

info

 

Schepping van mens en natuur

 

De mens is een complex wezen, dat we niet kunnen begrijpen door alleen maar te analyseren, of door het lichaam aan een anatomisch onderzoek te onderwerpen.  Als we ons zelf willen leren begrijpen dan moeten we terug naar het allereerste moment van het bestaan.

 

Alles wat wij om ons heen zien de gehele natuur, daarmee moeten we ons voorstellen, dat het huidige vaste gesteente waaruit planten groeien dat was oorspronkelijk niet zo als nu. Oorspronkelijk hebben we te maken met een levend, denkend wereld-lichaam, met een levend, denkend wereld-lichaam!!!

Stel je voor dat er oorspronkelijk een reusachtige oernevel was, dat die oernevel is gaan draaien, dat de planeten zich toen hebben afgesplitst met de zon in hun midden.

 

Nu moeten we ons voorstellen dat wat vandaag om ons heen is, dat leefde vroeger. Wat bedoel ik hiermee? Als we de wereld om ons heen bekijken is die op het eerste gezicht niet dat wat ze eigenlijk zijn. Wanneer wij een lijk bekijken, zien we wanneer dit in ontbinding is er allerlei plantjes en diertjes uit groeien. Dat we alles wat we om ons heen zien groeien mooi vinden en dat wat een lijk voortbrengt verafschuwen, vies vinden komt omdat een dood lichaam klein is en het andere immens groot. Als we als een klein kevertje zouden zijn en rondliepen op een rottend lijk dan zouden we de beenderen beleven als rotsen en wat naar buiten groeit als bossen zien.

Als we nu terug gaan naar het moment van vóór de dood van het menselijk lichaam, moeten we bij het aardse in onze omgeving terug gaan tot dat wat vroeger geleefd heeft in alles wat nu dood is, nog vóór dat de aarde in zijn geheel gestorven is. Pas nadat de aarde in zijn geheel gestorven was, kon de mens er zijn.  De aarde heeft ooit geleefd, heeft gedacht en deed de meest uiteenlopende dingen. Pas toen de aarde gestorven was kon ook de mens er zijn.

 

Gaan we weer terug naar de oernevel, zo’n oernevel leefde, kon denken en voelen, dus de oorspronkelijke toestanden van de wereld berusten op het feit dat er iets geestelijks in de stof aanwezig was. Wat ligt er aan alles wat stoffelijk is ten grondslag? Wanneer we een klomp ijzer nemen, dit is en vaste stof, en we dit op een vuur leggen, dan wordt het uiteindelijk vloeibaar, en als we het ijzer nog meer met vuur bewerken, dan verdwijnt het, het verdampt en je ziet er niets meer van. Dit geldt voor elke vaste stof, dat wanneer er een hoeveelheid warmte in aanwezig is, deze vaste materie vloeibaar wordt. Dan heb je vloeibare lucht. Lucht kunnen we ook vloeibaar maken, dan hebben we vloeibare lucht. Lucht zoals we die om ons heen hebben, is alleen maar gasvormig als er een bepaalde hoeveelheid warmte in zit. Water is vloeibaar maar kan ook ijs worden, vast worden.

 

Wanneer het buiten buitensporig heet zou zijn, dan zouden de bergen waar we vast gesteente vinden geen gesteente meer zijn, maar zou het gesteente vloeibaar zijn, en weg stromen als het water in beken. Warmte zorgt ervoor dat iets vast vloeibaar is. Dus was er geen warmte kon ook niet iets vast of vloeibaar zijn. Wat duidelijk naar voren komt, is dat waar overal de basis van vormt, dat is de warmte of het vuur. Waarmee we kunnen beamen dat de oernevel geen dode oernevel was, maar dat de oernevel een oorspronkelijke levende warmte was, en leefde.

 

Wanneer we naar deze eerste fase gaan van een wereldlichaam dat bestond uit warmte en die leeft komen we bij de naam zoals Rudolf Steiner deze fase van het wereldlichaam noemde “de Saturnus-toestand”.  Een levend wereld-wezen.

 

Dit warme wereld-wezen begon af te koelen en er ontstond lucht. Lucht is het eerste wat ontstaat: het gasvormige. Want wanneer we een vaste stof steeds verder verhitten, ontstaat gas. Maar wanneer iets wat nog geen stof is afkoelt, dan wordt er eerst lucht gevormd. De tweede toestand die ontstaat is het luchtachtige, het gasvormige. Dus wat zich als het tweede wereld-lichaam heeft gevormd daarin bestaat alles uit lucht. Daar zitten geen water of vaste stoffen in, daar bestaat alles uit lucht. Deze toestand wordt aangemerkt als de Zonne-toestand. Onze huidige zon ziet er niet zo uit, maar R.Steiner heeft de toestand van het wereldlichaam in deze 2e fase de Zonne-toestand genoemd. Zo heeft zich uit het 1e wereld-lichaam dat warmte was, het 2e wereld-lichaam ontwikkeld. Het 2e wereld-lichaam is gasvormig.

 

Want nu komt is belangrijk want in de warmte kan een ziel leven: want warmte maakt op de ziel een gewaarwording van gevoel, maar het vernietigt de ziel niet. Wel vernietigd warmte het stoffelijk lichaam, maar dus niet de ziel. Daarom kon de mens als ziel leven, ook in de eerste toestand de Saturnus-toestand toen kon de mens ook al leven. Het dier kon nog niet leven, maar de mens wel. Toen deze ontwikkeling naar de Zonne-toestand had plaatsgevonden, waren mens en dier aanwezig.

Wat opmerkelijk is dat oorspronkelijk niet de dieren aanwezig waren maar de mens. In het begin was er de mens en later kwamen de dieren, die zich ontwikkelden uit datgene wat niet mens kon worden. 

 

De mens liep niet als tweevoetig wezen rond tijdens de warmte toestand, maar was een wezen dat zweefde, hij leefde alleen maar in de warmte toestand. Toen deze warmte toestand zich omvormde naar een luchtvormige warmte wereld-lichaam vormde zich naast de mensen de dieren ten tonele. De dieren zijn dus aan de mensen verwant, maar zijn pas later dan de mens ontstaan in de loop van het ontstaan van de wereld.

 

Wanneer de warmte nog meer afneemt wordt er lucht maar daarnaast ook water gevormd. Zodat zich een 3e wereld-lichaam kan vormen. R.Steiner noemt deze fase de “ Maan-toestand “ genoemd. Niet omdat het onze huidige maan is, maar het op onze maan lijkt.  Tijdens de Maan-toestand, en wel de 3e fase van ons wereld-lichaam hebben we te maken met een waterige wereld-lichaam. Natuurlijk blijven warmte en lucht er wel bij aanwezig, maar wat er nog niet was bij het 2e wereld-lichaam namelijk water, dat is er nu wel. En omdat er nu water is, is het mogelijk voor mens en dier nu ook voor de planten kunnen groeien. Planten groeien oorspronkelijk niet in aarde, maar in water. Dus zijn er nu de mens, het dier en de plant te voorschijn in de 3e fase van ons wereld-lichaam genoemd de Maan-toestand. U moet zich de oorspronkelijke planten voorstellen, als de tegenwoordige waterplanten, ze dreven in het water. Zo moet we ons ook de dieren voorstellen: meer als drijvende dieren. In de tweede Zonne-toestand, als vliegende dieren.  De oorspronkelijke toestand van mens en dier moet u zich voorstellen dat mens en dier alleen maar konden vliegen, er was immers niets om te kunnen zwemmen. Alles kon alleen maar vliegen. Onze huidige vogelgeslacht zijn nakomelingen van de oorspronkelijke dieren die in de Zonne-toestand zijn ontstaan. Maar zagen er nog wel anders uit. De oorspronkelijke luchtachtige wolken waren die dieren.

In de Maan-toestand hebben ze het water in zich toegevoegd.

 

Wanneer we naar de huidige vogels kijken dan hebben zij holle botjes en binnen in die holle botjes zit lucht, wanneer we alles wat voor ons oog tot een vogel vormt weg laten, blijft over enkel lucht. Als de vogel de lucht niet in zich had, kon het ziet vliegen. Zo moeten we dat onze voorstellen dat het was in de Zonne-toestand van de vogels. De tegenwoordige toestand van de mens is zo dat hij in de lucht kan leven maar niet vliegen. Daar is hij te zwaar voor. Wij hebben ook geen holle botten, zoals bij de vogels, maar hebben wel boven de in de schouderbladen een aanzet tot vleugels. Als die zouden kunnen uitgroeien dan hebben we vleugels.

 

De mens heeft de lucht nodig die hem omringt. Deze lucht moet waterdamp bevatten. In pure droge lucht kan de mens niet leven. Er moet dus iets vloeibaars aanwezig zijn. Wanneer we terug gaan naar onze embryonale-toestand in het moederlichaam dan zijn we nog niet in staat om te ademen.

Dit is een toestand waarin de mens niet in de lucht kan leven. In de embryonale tijd krijgt de menselijke kiem zijn lucht en alle benodigheden uit het moederlichaam. Dan moet het in iets levends zitten.

Wanneer we nu de embryo operatief uit het moederlichaam, zouden nemen, dan kan het nog niet in de lucht leven. Tijdens de embryonale-toestand is de mens erop aangewezen om in een levende omgeving te verblijven. Deze toestand kunnen we vergelijken met de Maan-toestand toen er wel al mens, dier en planten waren, maar nog geen stenen, geen mineralen waren. Toen in deze 3e fase leefde alles nog en was de Maan-toestand een levende wereld-lichaam. Een groot moederlichaam. Zo ging het lange tijd geleden ook met de mens, Hij werd wel ouder, maar geraakte nooit buiten het levende. Hij zou niet verder gaan. Als deze toestand was blijven bestaan, dan zou hij daar nog steeds als kiempje in blijven leven.

 

Gedurende de eerste maanden liggen in het embryo nog geen mineralen opgeslagen. De mens was nog niet van been. Alles was nog en gevormde vloeistof. Hoogstens krakbeenachtig. We hebben hier te maken met een mens waaraan de huidige mensenkiem nog een herinnering is van zijn oorspronkelijke ontstaan.

 

In de oude tijd van de aarde was de oude maan, (niet de huidige maan) één reusachtig moederlichaam. Zodat we kunnen zeggen: onze aarde is ontstaan uit dit reusachtig moederlichaam.

 

Maar willen we weten hoe de mens in het moederlichaam moet ontstaan, als hij een mensenkiem moet worden, dan moet er een conceptie, een ontvangenis  plaats vinden. Maar gaat er dan nog niet iets aan vooraf?

In het vrouwelijk lichaam vindt een heel bijzonder proces plaats, dat verbonden is met de afscheiding van bloed. Deze bloedafscheiding (menstruatie) is alleen het fysieke element. Elke keer als er bloed wordt afgescheiden, komt er iets van een ziele-geest element mee. Iets wat als ziele-geest blijft bestaan. Dit ziele-geest komt niet tot een fysiek lichaam, omdat er geen ontvangenis plaats vindt. Het blijft in geest en ziel zonder dat het tot een fysiek menselijk lichaam komt. 

Datgene wat al vóór de ontvangenis aanwezig moest zijn, was er tijdens de Zonne-toestand! Toen vormde de gehele zon met alle processen van de aarde nog een wereldwezen dat van tijd tot tijd iets geestelijks uitscheidde.

Zo leefde mens en dier in luchtvormige toestand, uitgescheiden door dat totale lichaam. Zodat dus tussen de Zonne-toestand waarin de mens een fysiek wezen dat in lucht leefde een die van de maan-toestand de mens een fysiek wezen in water werd. Ook tijdens de maanfase was er iets soortgelijks als een ontvangenis, maar nog niet iets dat op geboorte geleek.

 

De ontvangenis tijdens de Oude Maan-toestand was uitermate vrouwelijk. Tegenover dat vrouwelijke wezen stond nog geen mannelijk wezen. Maar buiten dit vrouwelijke wereld-lichaam had je nog andere wereld-lichamen, die op uiteenlopende wijzen invloed uitoefende. Van buitenaf kwamen de kiemen binnen en bevruchtten het geheel van de Maan-aarde. Je zou het je kunnen voorstellen als vielen er druppels regen op de Maan-aarde

Zo had je jaargetijden waarin van alle kanten bevruchtingskiemen kwamen en andere momenten waarin alles tot rijping kon komen. Zo ontstond er een wereldbevruchting. Maar de mens werd niet geboren alleen bevrucht.

De mens ontstond uit het geheel van de aarde-lichaam, dat toen het Maan-lichaam was. Zo werkte de bevruchting voor mens en dier.  Vanuit de totale omringende wereld naar binnen toe.

 

Door een later stadia ontstaat er een verdere afkoeling een latere stadia van verharding. Hier bij de maan-toestand hebben we nog te maken met water, en door een verdere afkoeling later nog een verharding; daar ontstaat het vaste, minerale. Zodat we bij de 4e toestand aanbelanden en dat is onze aarde. De aarde bevat nu mens, dier, plant en mineraal. In de Zonne-toestand waren mens en dier lucht wezens, de vorm was aanwezig alleen alles was gevormd in lucht. Tijdens de Maan-toestand werd het waterig. We hadden nog geen skelet alles was waterig. Maar nu komen de mineralen. In de watervormen voegt zich nu het mineralen: koolzure kalk, fosforzure kalk etc. Dat beweegt zich langs het skelet. Inwendig worden de vaste botten gevormd. Zo zien we bij de vogels luchtvorm dan de watervorm en nu de vaste vorm de aarde-vorm.

 

Voor de mens was dit niet mogelijk, waarom bij de vogel dan wel? De vogel heeft tijdens de Zonne-toestand zijn luchtvorm gekregen, vervolgens doorleeft hij de waterachtige toestand. Nu is het nodig dat de vogel terwijl hij zich nog in de kiemstadium bevindt, het minerale niet al te sterk laat binnenkomen. Want als het mineraal te vroeg komt, dan wordt de vogel een mineraal, dan verhardt hij zich. De vogel is dus tijdens zijn ontstaan nog waterig en vloeibaar. Maar het mineralen wilt al dichter bij komen. De vogel wijst dit vervolgens af maar vormt het om zich heen. Om zich heen maakt de vogel een eierschaal. Deze blijft zolang aanwezig als de vogel van binnen het mineralen van zich af moet houden om vloeibaar te blijven.

 

Dit komt door het feit dat de vogel pas is ontstaan tijdens de 2e toestand van de aarde, de Zonne-toestand. Als de vogel bij de 1e fase toestand aanwezig was geweest, dan zou hij gevoeliger voor warmte zijn dan hij nu is. Daarom omdat de vogel niet tijdens de 1e toestand aanwezig was kan hij nu een vaste eierschaal om zich heen vormen.  De mens was er al tijdens de 1e toestand de Saturnus fase van het wereld-lichaam. Daarom kan de mens het mineraal niet tegenhouden terwijl hij in de kiem stadium verkeert. Voor de mens is het daarom niet mogelijk een eierschaal te maken. Het mineraal moet hij via het moederlichaam opnemen. Daarom hebben wij de mineraalvorming aan het einde van onze kiemvorming. De mens moet uit het moederlichaam het mineraal opzuigen. Maar eerst moet dat moederlichaam het mineraal hebben, dat zich dan kan afscheiden. De vogels hebben botten met lucht erin, wij mensen hebben er merg in. Doordat de mens merg bezit heeft de moeder de mogelijkheid inwendig al iets aan de mens te schenken.

 

Maar tijdens de periode waarin het mineralen wordt afgestaan wordt het voor de mens onmogelijk nog in de moederlichaam voor te leven. Dan moet hij geboren worden. Pas dan hoeft hij dichter bij het minerale te komen. Bij de vogel kennen we de geboorte niet, maar de vogel kruipt uit het ei. Bij de mens is het geboren worden, zonder dat er sprake is van een eierschaal. Dit is wederom doordat wij eerder ontstaan zijn dan het dier, kan bij de mens alles worden afgehandeld door middel van warmte en niet door middel van lucht.

Daarin licht het verschil, dat wat vandaag ook zichtbaar is tussen ei-dier en wezen zoals mens, of de hogere zoogdieren. Het verschil berust hierop dat de mens ouder is dan bijvoorbeeld het vogelgeslacht, en vooral veel ouder dan de mineralen. Daarom moet hij tijdens zijn kiemperiode in het moederlichaam beschermd worden tegen de minerale natuur. Alleen de toebereide substantie die via het moederlichaam tot hem komt, mag hem worden gegeven. Zelfs na de geboorte moet het kind dit in de vorm van moedermelk tot zich nemen. Terwijl de vogel meteen met stoffen van buiten kan worden gevoerd, moeten de mens en het hogere dier, uitsluitend worden gevoed, met dat wat via het moederlichaam gaat.

 

info    

 

 

Het wezen van de mensheid

 

De mens bestaat uit vier wezens delen uit: een fysieklichaam, een etherlichaam, een astraallichaam en een IK. Wanneer we het fysieklichaam voor ons zien en het met onze handen kunnen aanraken, is het goed te weten dat dit lichaam een lange ontwikkelingsgang achter zich heeft liggen, gedurende de gehele aarde-ontwikkeling.

Want ook onze aarde heeft voorgaande bestaansvormen gekend, en is evenals ons mensen van incarnatie tot incarnatie voortgeschreden, en heeft vele aardlevens doorgemaakt. Alles in ons universum wat leeft en heeft geleefd is onderworpen aan de wet van herbelichaming.

En zoals bij de mens een tijds ruimte ligt, tussen de incarnaties, zo is dit ook het geval bij onze aarde die wij de oude maan noemen.

Zo gezegd, voordat deze aarde, aarde werd, heeft zij dus een fase gekend die de oude maan genoemd wordt, omdat onze huidige maan een stuk is van deze oude planeet. Voor de oude maan was er de zonne-fase, en voor de zonne-fase bestond de saturnus toestand.

 

Op deze oude saturnus is de kiem gelegd voor het fysieklichaam, dat fysieklichaam heeft er natuurlijk heel anders uitgezien dan ons huidige lichaam. Toen de saturnusfase overging in de zonnefase, dus de 2e levensfase van de aarde, kwam het etherlichaam erbij. Het etherlichaam doordrong het stoffelijk lichaam, waardoor het fysieke lichaam een verandering onderging. Het kreeg een andere vorm en andere levenswijze. Dus tijdens de 2e levensfase van de aarde, bevond zich dit lichaam op zijn 2e ontwikkelingstrede.

 

Tijdens de saturnusfase was het fysieklichaam nog wat automatisch, op het moment dat het etherlichaam het fysieklichaam doordrong, werd het fysieklichaam levendiger en gaf het etherlichaam aan het fysiek lichaam een andere vorm. Op de oude maan kwam in deze samenhang nog het astraallichaam erbij, zodat het fysieklichaam wederom omgevormd werd. Zo kreeg het fysieklichaam voor de 3e maal, een andere vorm. Tenslotte kwam daar op de aarde het IK bij, en dit vormde het fysieke lichaam ten 4e male om. Op deze wijze is onze tegenwoordige mens ontstaan.

 

Voor de duidelijkheid nog eens: wanneer we de hele ontwikkelingsweg van de mensheid beschouwen dan zien we dat: Op saturnus alleen het fysieke lichaam van de mens bestond; er bestond nog geen etherlichaam en geen astraallichaam en geen IK, in dit fysieke lichaam. Maar dit fysieke lichaam kon niet uit zichzelf bestaan, dit lichaam kon alleen leven doordat het doordrongen was van het etherlichaam, astraallichaam en ik van hogere geestelijke wezens. Deze hogere geestelijke wezens woonden als eersten in dit fysieke lichaam. Tijdens de zonnefase is er een eigen etherlichaam in elk stoffelijk lichaam binnengedrongen zodat het hogere geestelijke wezen zich vermengde met het kleinere menselijke etherlichaam. Zo komen we dus tot het diepere begrip van de hedendaagse mens en kunnen we beter begrijpen wat er in de Christelijke esoterie van aanvang af onderwezen is.  En wel dat er een goddelijke natuur in ieder van ons aanwezig is

 

Deze Christelijke esoterie werd altijd al geleerd en beschermd naast de uiterlijke exoterische Christelijke leer. De apostel Paulus gebruikte deze leer echter ook om aan de volkeren het Christendom te verkondigen, terwijl hij te zelve tijd ook een esoterische school stichtte, waaraan Dionysos Areopagita leiding gaf. ( In de bijbel wordt deze genoemd, Apostelen 17:34 ) In deze Christelijke esoterische school in Athene, werd de zuiverste geesteswetenschap onderricht. Wat daar werd onderwezen kunnen we nu beter begrijpen, omdat we door voorgaande beschouwingen enige inzichten hebben verkregen.

In de Christelijke esoterische scholen werd gesteld dat wanneer je de mens in waak toestand beziet, dan bestaat deze uit een fysieklichaam, etherlichaam, astraallichaam en IK. Nu kunnen er ook andere woorden gebruikt worden, dan wat hier nu staat, dat maakt verders niets uit.

Maar laten we eens nader bekijken! 

info

 

Fysieklichaam

 

Dan zien we wanneer we een mens voor ons zien staan, zijn uiterlijk, en wel het fysieke lichaam. Een fysiek lichaam, dat de mens gemeen heeft met alles wat om ons heen mineraal is.

Uiterlijk waarneembaar is de mens gelijk aan de minerale wereld. Dit geldt tenminste wanneer de dood is ingetreden. Wanneer de dood is ingetreden, verdwijnt de vorm van het fysieke lichaam geleidelijk, en wordt het fysieke lichaam een deel van de minerale wereld. Dit komt doordat het dode lichaam van de mens, aan de gelijke processen onderworpen is, die in het rijk van de minerale wereld te vinden zijn.

Het fysieke lichaam van de mens kan uit zichzelf niet zijn vorm behouden. Zijn vorm behoudt het in zoverre zo lang als een etherlichaam, astraallichaam en IK erin aanwezig zijn. Op het moment, dat deze laatsten zich eruit terugtrekken, veranderd het fysieklichaam onmiddellijk, het lichaam gaat tot ontbinding over.

 

Deze wetten zijn onderhevig aan de natuurkundige uiterlijke stoffelijke-minerale wereld’, die het lichaam tot ontbinden doen overgaan. Deze wetten zijn altijd in ons lichaam aanwezig. Dat ons lichaam er niet aan gehoorzaamt, komt doordat ertussen geboorte en dood, een element aanwezig is, dat tegen het uiteenvallen van het fysieke lichaam beschermd, namelijk het etherlichaam of levenslichaam genaamd. 

 

info

 

Etherlichaam

 

Een tweede lid van ons wezen is het etherlichaam dat we ook wel het levenslichaam noemen. Het ether lichaam heeft de mens met de plantenwereld gemeen, want al wat leeft heeft een etherlichaam.

Alle organen worden in hun vorm en gestalte door het etherlichaam in stand gehouden. Dit wezensdeel verwijst naar de slaap.

Al onze menselijke activiteiten overdag verrichten we tijdens een waaktoestand. Deze activiteiten zijn alleen mogelijk, wanneer we tijdens onze slaap weer krachten opbouwen, voor de volgende dag. Wanneer we niet zouden slapen, zou dit al onze krachten uitputten. De slaap zorgt daarmee voor nieuwe krachten.

 

Tijdens onze slaap verdwijnen al ons handelen en denken, gevoelens van leed geluk of genot, ze maken zich los en zinken weg van het bewuste leven. Maar we zouden enkel in slaap zijn en ons fysieke lichaam tot een planten leven maken, wanneer niet het astraallichaam het etherlichaam met haar licht zou doordringen. Waardoor we steeds weer uit de toestand van bewusteloosheid ontwaken Het 3e lid van het menselijk wezen, is het astraallichaam.  

 

Het fysieke lichaam is het 1e  wezensdeel. Het 2e wezensdeel wordt het ‘etherlichaam genoemd. Dit etherlichaam is en zelfstandig lichaam, dat zorgt voor de stevigheid van het fysieke lichaam. Het geeft aan het fysieke lichaam de levenskracht. We zien ook dat het etherlichaam ervoor zorgt dat de fysieke stoffen en krachten tijdens ons leven geen eigen weg gaan. 

Het is een krachtlichaam, levenslichaam, maar wordt ook wel het lichtlichaam genoemd.

 

Het ether lichaam is als een soort architect van het fysieke lichaam te beschouwen. Alle organen worden in hun vorm en gestalte door de stroming en beweging van het etherlichaam in stand gehouden. Aan het fysiek hart ligt een ‘etherhart’ ten grondslag, aan de fysieke hersenen, ‘etherhersenen’ etc.

Het etherlichaam beweegt en is vloeiend.

 

info

 

Astraallichaam

 

Het derde lid van ons wezen is de drager van lust en leed, van vreugde en verdriet, van driften, begeerten en hartstochten, van alle uitingen van de ziel, maar dan speciaal de drager ervan, niet de ziel zelf. Deze hebben wij gemeen met alle wezens om ons heen die een zekere vorm van bewustzijn hebben; met de dieren. Ook de dieren hebben een bepaalde vorm van bewustzijn, alhoewel we dit niet met ons menselijk bewustzijn kunnen vergelijken. De dieren reageren op basale instinctieve gevoelens, en kunnen niet denken zoals wij.  Dit 3e lid, van ons wezen noemen we het astraallichaam of het bewustzijnslichaam.

 

Wat het leven steeds weer uit de toestand van bewusteloosheid doet ontwaken, is het 3e wezensdeel van de mens ‘ het astraal lichaam’   Het fysieklichaam is niet in staat om de aanwezige stoffen en mineralen in vorm te houden, en heeft hiervoor het etherlichaam  nodig. Het etherlichaam kan zich niet zelf, met de krachten van het licht van het bewustzijn verhelderen en verlichten en heeft daarvoor het astraallichaam nodig. Anders gezegd, wordt het wakend etherlichaam, door een ‘astraallichaam’ met licht doordrongen.

Wanneer het etherlichaam aan zich zelf overgelaten wordt zal het in een voortdurende slaaptoestand zijn. Je zou ook kunnen zeggen dat: het zou in het fysieke lichaam slechts een plantenbestaan kunnen onderhouden.

De werking van dit astraallichaam verdwijnt voor de zintuiglijke waarneming, wanneer wij in slaap vallen. Voor de bovenzintuiglijke waarneming blijft het nog aanwezig, alleen is het dan van het etherlichaam gescheiden, en is er samen met het Ik uit verheven. Tijdens de nacht zijn uw astraallichaam en IK niet in uw fysieke en etherlichaam.

 

Het fysieklichaam, komt overeen met de minerale wereld, het etherlichaam met de planten, zo komt het astraallichaam overeen met de dierenwereld.

De planten verkeren in voortdurende slaaptoestand. Alhoewel is bij de planten ook een vorm van een soort bewustzijn aanwezig. Bijvoorbeeld het samentrekken van de bladeren en bloemen, als er een uitwendige prikkel op de plant wordt uitgevoerd dan reageert de gevoeligheid van plant hierop.  Maar het is niet hetzelfde wat kenmerkend is voor het bewustzijn dat een wezen op een prikkel als reactie vertoont.

Hiermee zijn we aan de grens gekomen van de uiterlijk zichtbare lichamelijkheid van de mens. Het fysiek lichaam, het etherlichaam en het astraallichaam. En is uniek in zijn schepping. Datgene wat de mens niet gemeen heeft met iets uit zijn omgeving.

Dat is hetgeen wat uitgedrukt wordt met het woordje “IK”.

 

info

 

IK

 

In de Christelijke esoterische leer, is de wording van de mens terug te voeren naar ”het WOORD”, of “de LOGOS”. Deze Logos was al scheppende tijdens de “saturnus “-tijd. Tot leven gekomen tijdens de “zonne”-tijd van onze aarde, tot Licht tijdens de “maan” fase. Datgene dat onder invloed van goddelijke krachten en wezens van de mens geworden is gedurende deze drie fasen van onze planeet, werd in de “aarde” toestand doordrongen van een menselijk “IK”.

Tijdens het bestaan van de aarde werd in het innerlijk van dit wezen, het licht van het IK ontstoken. Deze drievoudige lichamelijkheid van het stoffelijk lichaam, etherlichaam en astraallichaam, werd in staat gesteld tot het uiten van het “IK ben”het zelfbewustzijn van de mens.

 

Het 4e wezensdeel is datgene, wat ons van onze medemens onderscheidt.

Zo zijn we overdag voortdurend onderhevig aan ondervindingen. Op de manier hoe we tegen het leven aan kijken, hoe we dit innerlijk en uiterlijk ervaren. Bij een opeenvolging van belevenissen, gaan we iets blijvends ervaren. Met dit gewaarworden van iets blijvends en de opeenvolging van de innerlijke belevingen, begint het ontwaken van het IK.

Bijvoorbeeld: Wanneer je honger hebt en voedsel tot je neemt en je een gevoel van verzadiging van voldoening beleeft. Dit gevoel is in het bewustzijn gebleven samen met het hongergevoel. Zodat het tegenwoordige gevoel van honger, maar ook de vroegere gewaarwording van verzadiging en voldoening, tot  hernieuwd nemen van voeding drijft.

 

In het astraallichaam is dus het bewustzijn werkzaam, we zouden zonder dit bewustzijn enkel op onze instincten reageren. Maar wij onderscheiden ons van de ‘planten en de ‘dieren’.  Het dier beleeft met grote regelmaat de invloeden van de buitenwereld, en komt tot bewustzijn onder de invloed van warmte en koude, van pijn en lust, onder de invloed van bepaalde regelmatig verlopende processen van zijn organisme door honger en dorst. Wanneer Wij het dier goed observeren, hoe het zich in het verband van wat het beleeft gedraagt, merkt het onderscheid tussen dit gedrag en dat van ons, de mens. Ons menselijk leven blijft niet tot deze belevingen beperkt. Wij kunnen begeren, en wensen ontwikkelen, die boven alles uitgaan. Aan alles wat binnen dit gebied valt heeft een oorsprong. Het IK, van de mens, kan als het 4e lid van het menselijk wezen worden aangesproken.

 

Als het astraallichaam aan zich zelf overgelaten zou zijn, zouden welbehagen en smart, gevoel van honger en dorst zich erin afspelen, wat dan echter tot praktijk zal worden. We kunnen zeggen, dat aan het etherlichaam het leven, aan het astraallichaam het bewustzijn en aan het bewustzijn en aan het IK, de herinnering eigen is, en hierover zo meer.

Vervolgens kunnen we stellen dat; het fysieke lichaam uiteenvalt, wanneer het etherlichaam het niet bijeenhoudt; evenals het etherlichaam in bewusteloosheid verzinkt, wanneer het astraallichaam het niet met zijn licht doordringt; zo zou het astraallichaam het verleden weer in de vergetelheid moeten verzinken, wanneer dat verleden niet door het IK voor het heden zou worden gered.

 

Maar ook; wat voor het fysieklichaam de dood, voor het etherlichaam de slaap is, is voor het astraallichaam het vergeten. Men kan ook zeggen, dat aan het etherlichaam het leven, aan het astraallichaam het bewustzijn, en aan het IK de herinnering eigen is.

Wij mensen ontlenen ons herinneringsvermogen aan datgene, wat wij aan ons zelf beleven, in verband met ons gedrag ten opzichte van de dingen en gebeurtenissen in de buitenwereld. Deze ervaringen doen wij op in de praktijk met onszelf en met een ander mens. Wat aan de herinnering als kracht  ten grondslag ligt, mag innerlijk worden genoemd; echter het oordeel over deze kracht wordt ook in de buitenwereld verworven, door de blik op de samenhang van het leven  gericht te houden

 

Voor het IK betekenen herinneren en vergeten hetzelfde als waken en slapen voor het astraallichaam. De slaap doet de beslommeringen van de dag  vergeten, en spreidt het vergeten een sluier uit over de onaangename levenservaringen en wist zodoende en deel van het verleden uit. Zo worden  bepaalde gedeelten van ons verleden uit onze herinnering weggevaagd, om vrij en onbevangen nieuwe ervaringen tegemoet te treden. Door dit vergeten, worden we tot nieuwe waarnemingen gedreven. Neem nou bijvoorbeeld een kind bij het leren schrijven. Hoe zou een mens kunnen leren schrijven wanneer het telkens bij het zetten van de pen op het papier al die ervaringen als herinnering uit de ziel naar boven komen, die bij het leren schrijven moesten worden doorgemaakt?

 

Het herinneren treedt op in verschillende graden. De eenvoudigste vorm van herinneren treedt op wanneer je voor jezelf een voorstelling maakt van, een voorwerp, dit waarneemt, en dan nadat je jezelf ervan hebt afgekeerd, de zelfde voorstelling weer in je zelf kunt oproepen. Er heeft zich daarbij een proces afgespeeld tussen het astraallichaam en het IK. Het astraal lichaam heeft de uiterlijke indruk van het voorwerp bewust gemaakt. Maar het weten van het voorwerp zou slechts zo lang duren, als dit aanwezig zou zijn, als niet het IK dit weten in zich op zou nemen, en zich eigen maakt.

 

Men spreekt van het astraallichaam wanneer deze de uiterlijke indruk van een voorwerp bewust heeft gemaakt. Zolang men het weten van een aanwezig voorwerp op het oog heeft. Datgene wat aan het weten duur geeft, noemt men ziel. Het astraallichaam is nauw verbonden met dat deel van de ziel, dat aan het weten duur verleent. Beide zijn tot één lid van het menselijk wezen verenigd. Men spreekt dan van het zielelichaam, en van de ziel als de gewaarwordingziel

 

info

 

verstands-/gemoedsziel

 

Het IK stijgt op tot een hogere trede van zijn wezen, wanneer het zijn werkzaamheid richt op datgene, wat het van het weten omtrent de dingen uit  zijn eigendom eigen heeft gemaakt. Dit is de werkzaamheid, waardoor het IK zich steeds meer losmaakt van de dingen der waarneming, om aan zijn eigen bezit te werken. Het gedeelte van de ziel, waaraan deze werkzaamheid ten deel valt, kan men verstands-of gemoedsziel noemen.

Zowel de gewaarwordingziel als aan de verstandsziel is het eigen, dat zij te werk gaan met datgene wat zij ontvangen aan indrukken, van de door de zintuigen waargenomen dingen, en met wat zij daarvan in de herinnering bewaren. De ziel is daarbij geheel overgegeven aan hetgeen voor haar uiterlijk is. Maar ook wat zij door middel van de herinnering tot haar eigendom maakt, heeft zij immers van buiten ontvangen. Zij kan boven zich uit groeien. De ziel is niet alleen gewaarwordingziel en gemoedsziel maar bezit ook een bovenzinnelijke beschouwing wijze.    

 

info

 

bewustzijnsziel

 

De naam die zich van alle andere namen onderscheidt. Dat is de naam “IK”. Nimmer kan de naam “IK”, van buitenaf iemand in de oren klinken, als de aanduiding voor hem zelf; alleen het wezen zelf kan die naam voor zichzelf gebruiken. Ik, ben alleen voor mijzelf een IK. Voor ieder ander ben ik een JIJ.  Het eigenlijke wezen van het IK is onafhankelijk van al wat daarbuiten staat; daarom kan zijn naam hem dan ook door niets of niemand buiten hemzelf toegeroepen worden. In religieuze kringen noemt men de benaming “IK”: de onuitsprekelijke naam GODS. Niets uiterlijks heeft toegang tot dat deel van de menselijke ziel, dat hier wordt bedoeld. Hier is het verborgen heiligdom der ziel. Hier kan alleen een wezen van gelijke aard als de ziel toegang krijgen. De God die in de mens woont, spreekt, wanneer de ziel zichzelf als een IK ervaart. Zoals de gewaarwordingziel en de verstandsziel in de uiterlijke wereld leven, duikt het derde lid der ziel in het Goddelijke, wanneer zij tot het waarnemen van haar eigen wezen komt.

 

Ieder mens kan in zichzelf iets Goddelijks vinden, omdat zijn oereigen wezen aan het goddelijke is ontleend. Zo komt hierdoor de mens tot het 3e lid van de ziel, tot een innerlijk weten van zichzelf. Evenals hij door het astraallichaam tot en weten komt van de buitenwereld. Het 3e lid van de ziel wordt dan ook de bewustzijnsziel genoemd.

Tot de ziel behoren 3 leden; de gewaarwordingziel, de verstands-/gemoedsziel en de bewustzijnsziel. Zoals het lichamelijke uit 3 leden bestaat; het fysieke lichaam, het etherlichaam en het astraallichaam.

In de bewustzijnsziel komt onze ware identiteit naar voren.  Doormiddel van zelfbezinning beginnen we aan de innerlijke arbeid. Want willen we ons zelf waarnemen dan doen we dit door een innerlijke activiteiten.

De kracht die in de bewustzijnziel werkzaam is en onze ware IK doet openbaren, is herkenbaar in alles om ons heen in alles wat leeft.

Deze kracht treedt niet rechtstreeks naar voren, maar manifesteert zich in fase’s traps gewijs. Het laagst gebied ofwel trede, openbaard zich in het fysieke lichaam, vervolgens gaat het trapsgewijs hoger tot aan hetgeen de verstandsziel vervult.

 

In hetgeen de bewustzijnziel vervult, treedt dit verborgene onverhuld in de binnenste tempel der ziel. Daar vertoont het zich als een druppel uit de zee van het alles doordringende geestelijke. Maar de mens moet het eerst zichzelf leren kennen; dan kan hij het ook in zijn openbaringen vinden.

Wat hier als en druppel in de bewustzijnziel doordringt, noemt men ook wel de GEEST . Zo is de bewustzijnsziel verbonden met de GEEST, die het verborgene in al het uiterlijke kenbaar is.

Als de mens nu de GEEST in al het geopenbaarde wil grijpen, moet hij dat op dezelfde wijze doen, waarop hij het IK in de bewustzijnsziel grijpt. Hij moet de werkzaamheid, die hem tot het waarnemen van dit Ik heeft gebracht, op de uiterlijke waarneembare buitenwereld richten. Daardoor ontwikkelt hij zich tot de hogere trappen van zijn wezen. Hij voegt iets nieuws toe aan de leden van zijn lichaam en zijn ziel.

 

info

 

Geestzelf

 

Bij géén van ons, is het astraal lichaam nog zoals het was, voordat het IK er zich bij de eerste incarnatie op aarde mee verbond. In die eerste incarnatie werkte het ik van uit het innerlijk bepaalde voorstellingen, gevoelens en driften om, die de mens in oorsprong had meegekregen. Door dit werk van het ik, werd alles van incarnatie tot incarnatie verder doorgewerkt. Zo gebeurd het dat door dit werken van het ik in het astraallichaam, het astraallichaam een schepping is geworden van het ik. Waardoor het astraallichaam in twee delen uiteen valt. Eén deel, dat door het ik is omgewerkt en één deel, dat nog niet is veranderd. Dit proces zal steeds voort gaan, totdat de tijd gekomen is dat het gehele astraallichaam van ons mensen, één schepping zal zijn van het IK.

 

In de Oosterse wijsheidsleer is het de gewoonte, om het door het ik omgewerkte deel van het astraallichaam Manas te noemen, GEESTZELF. De mens bestaat weliswaar uit 4 delen maar we kunnen er nu toch 5 opnoemen: fysieklichaam, etherlichaam, astraallichaam, IK en het omgevormde deel van het astraallichaam Manas of Geestzelf.

Hiermee kan dus gezegd worden, dat bij ieder van ons een stuk Geestzelf aanwezig is, dit is het werk van het ik. Door steeds aan ons zelf te blijven werken en ook de aarde zal volgende incarnaties beleven, waardoor de mens ook het vermogen krijgt om aan zijn etherlichaam te mogen werken, zoals ingewijden dat nu al doen.

 

Maar nu blijven we nog even stil staan bij de Geestzelf: deze is bereikbaar door innerlijke arbeid. Innerlijke arbeid voert tot de hogere treden van het mensenwezen. Het ‘IK’ maakt zich meester van het astraallichaam de lager wezensdelen van de mens door dit omgewerkte  lichaam  met zich te verenigen. Dit omgewerkte lichaam kan het Geestzelf genoemd worden. In de Oosterse wijsheid Manas genoemd, Met het Geestzelf is een hoger lid van het mensenwezen naar voren getreden. Een kiemvorm dat in de loop van zijn werkzaamheid aan zichzelf meer en meer naar voren zal treden.

Evenals de mens zijn astraallichaam verovert, door tot de verborgen krachten door te dringen, zo gebeurt dat ook in de loop van de ontwikkeling met het etherlichaam. De arbeid aan het etherlichaam is echter intensiever dan die aan het astraallichaam, want hetgeen in het etherlichaam verborgen ligt, is in twee sluiers, het verborgene in het astraallichaam is slechts in één sluier verhuld.  

 

Het ‘IK’ werkt niet aan het astraallichaam wanneer deze mens zich alleen maar aan lief en leed overgeeft, maar wanneer de eigenaardigheden van deze ziele-eigenschappen worden gewijzigd. Doordat men deze in de loop van de tijd wijzigt.

Op soortgelijke wijze strekt die arbeid zich tot het etherlichaam uit, wanneer het ‘IK’zijn werkzaamheden richt op verandering van zijn karaktereigenschappen, temperamenten etc. 

 

Aan deze laatste verandering werkt iedere mens, of hij er nu van bewust is of niet. Sterke impulsen die in het gewone leven hierop aansturen zijn die van religieuze aard. Wanneer het ‘IK’ de impulsen, die uit de religie voortkomen, telkens weer op zich laat inwerken, dan vormen die in hem de macht, die tot in het etherlichaam doorwerkt en dit op dezelfde wijze verandert, als geringere drijfveren van het leven, die door het leren nadenken, veredeling van gevoelens etc. tot de mens komen, staan onder invloed van het op velerlei wijze afwisselende bestaan; religieuze gevoelens drukken op al het denken, voelen en willen een zekere stempel van eenheid. Religieuze gevoelens grijpen diep in het zieleleven in, de invloeden ervan worden in de loop van de tijd voortdurend sterker, omdat zij bij voortdurende herhaling werken. Wanneer men door de uiterlijke vorm heen, door kleur en klank van een kunstwerk heen de geestelijke achtergrond ervan met zijn voorstellingsvermogen en zijn gevoel doordringt, dan werken de impulsen, die het ‘IK’ hierdoor ontvangt tot in het etherlichaam door. Er zijn vele zulke invloeden in het menselijk leven, die door een waarnemende blik niet zo duidelijk blijken als het hier genoemde. Maar reeds hieruit kan men opmaken, dat er in de mens nog een volgend lid van zijn wezen verborgen is, dat door het ‘IK’ meer en meer uitgewerkt wordt. Men kan dit lid als het 2e lid van de ‘IK’ aanduiden als: Levensgeest.

 

info

 

Levensgeest

 

De innerlijke arbeid die wij verrichten heeft ons ten eerste omgevormd tot de Geestzelf. Wanneer wij steeds aan ons zelf blijven werken, zal ook eens ons ether lichaam, zoals ook voortijds het astraallichaam, omgevormd zijn. Ook deze arbeid is het product van het IK, dit omgevormde etherlichaam, wordt Boeddhi of Levensgeest genoemd.

Hier zien we dus dat Levensgeest het zelfde is, wat men in de Oosterse wijsheid ‘Boeddhi’ noemt.

 

De uitdrukking ‘Levensgeest’ duidt dezelfde krachten aan, die zich in het levenslichaam openbaren. Maar als die krachten zich als levenslichaam openbaren, is het hogerbewustzijn er niet in werkzaam. Uiten zij zich echter als Levensgeest dan zijn zij met de werkzaamheid van het IK doordrongen.

Verstandelijke ontwikkeling van de mens, zijn loutering en veredeling van gevoelens en wilsuitingen vormen de maatstaf voor zijn verandering van het astraallichaam naar het Geestzelf. Zijn religieuze belevingen en vele andere ervaringen drukken zich in het etherlichaam af, en maken het tot Levensgeest.

Dit geschied in het leven min of meer onbewust; de zogenaamde inwijdingen van de mens daarentegen bestaan hieruit, dat hij door de bovenzinnelijke kennis op de middelen wordt gewezen, waardoor hij deze arbeid aan het Geestzelf en de Levensgeest geheel bewust ter hand kan nemen. Hiermee wordt aangetoond dat in de mens behalve de ziel en het lichaam ook de geest werkzaam is.

 

info 

 

Geestmens

 

Als laatste komt de mens zover, dat deze vanuit zijn IK zijn fysieklichaam omvormt; dat deel dat omgewerkt moet zijn, noemen men Atman of Geestmens. Met het werk aan het astraallichaam en het etherlichaam is de werkzaamheid van het IK nog niet uitgeput.  Zij strekt zich ook nog uit over het fysiek lichaam. Je kunt een spoor van de invloed van het IK op het fysiek lichaam opmerken, wanneer door bepaalde voorvallen bijvoorbeeld blozen of verbleken optreedt. In dit geval is het IK inderdaad aanleiding, dat er in het fysieke lichaam iets gebeurt. Wanneer er door de werkzaamheid van het IK veranderingen in de mens optreden in samenhang met zijn invloed op het fysieke lichaam, dan is het Ik werkelijk verenigd met de verborgen krachten van dat fysieke lichaam. Echter dit is slechts alleen het uiterlijk waarneembare ervan. Terwijl achter dit uiterlijke waarneembare zich de verborgen kracht van het wezen schuilt, en die is van geestelijke aard.

 

Tijdens het gewone leven kan het werk van het IK aan het fysieke lichaam, slechts in geringe mate van helderheid aan de mens tot bewustzijn komen. Helderheid ten volle ontstaat pas dan, wanneer de mens onder invloed van bovenzinnelijke kennis het werk bewust maakt. Dan blijkt dat er nog een 3e geestelijk lid van de mens bestaat. Het is datgene, wat in tegenstelling met de fysieke mens de GEESTMENS kan worden genoemd. De Oosterse wijsheid noemt deze ‘geestmens’ het “Atman”. Het werk van het Ik aan het fysieke lichaam voert tot het hoogste lid van het menselijk wezen. Juist omdat het fysieke lichaam de erin werkende geest achter drie sluiers verbergt, wordt de hoogste vorm van menselijke arbeid vereist, om het IK te verenigen met hetgeen de verborgen geest van dat lichaam is.

 

Zo vertoont de mens zich voor de wetenschap van het verborgene als een uit verschillende leden samengesteld wezen. Van lichamelijke aard zijn: het fysieke lichaam, het etherlichaam, en het astraallichaam. Van psychische aard zijn: gewaarwordingziel, verstandsziel en bewustzijnsziel. En geestelijk zijn: Geestzelf, Levensgeest en Geestmens.

Uit voorgaande blijkt dat de gewaarwordingziel en het astraallichaam nauw verenigd zijn en in zekere zin een geheel vormen. Op een overeenkomende wijze vormen bewustzijnsziel en Geestzelf een geheel. Want in de bewustzijnsziel licht de geest op, en van daar uit doorstraat hij de andere leden van de mensennatuur. Met het oog hierop kan men tot de volgende geleding van de mens spreken. Men kan het astraallichaam en gewaarwordingziel als één lid samernvatten, en zo bewustzijnsziel en Geestzelf, en men kan verstandsziel, omdat zij deel heeft aan de IK-natuur, omdat zij in zeker opzicht reeds het ‘IK’ is, dat zich van zijn geestelijk wezen enkel nog niet bewust is, eenvoudigweg “IK”noemen, en men krijgt dan zeven delen van de mens: 1 fysieklichaam, 2 etherlichaam of levenslichaam, 3 astraallichaam, 4IK, 5 Geestzelf 6 levensgeest, 7 Geestmens.   

 

Als we dus de blik richten in de verre toekomst, wanneer de aarde andere bestaansvormen zal hebben doorgemaakt, dan kunnen we zien, dat de mens op een hogere trede van ontwikkeling is gekomen en zijn gehele astraallichaam heeft veranderd in Manas of Geestzelf, zijn hele etherlichaam in Boeddhi of Levensgeest en zijn stoffelijk lichaam in Atman of Geestmens.

Aan het einde van de aarde ontwikkeling zal de mens geheel doordrongen zijn vcan zijn IK. Een ontzachelijk groot verschil tussen de mens aan het begin en aan het eind van zijn ontwikkeling! Maar wanneer we dit verschil voor ogen houden, wordt de slaaptoestand verklaarbaar. Deze werd opzettelijk als tegenstrijdig voorgesteld. Juist in de vorm, waarin de Christelijke, esoterische leer dit uitgelegd heeft, zal het begrijpelijk worden. Stel ons voor wat ons fysiek lichaam zal zijn aan het eind van haar ontwikkeling daar is.

Ons stoffelijk lichaam zal geheel vergeestelijkt zijn; evenals het ether-, en het astraallichaam.

 

Maar kijk aan het menselijk lichaam, het ether-, en astraallichaam  was ook al van geest doortrokken vóórdat de mens zijn ik van geest begon te doordringen. Zoals we weten door de hogere geestelijke wezens.    

Voor de duidelijkheid nog eens: wanneer we de hele ontwikkelingsweg van de mensheid beschouwen dan zien we dat: Op saturnus alleen het fysieke lichaam van de mens bestond; er bestond nog geen etherlichaam en geen astraallichaam en geen IK, in dit fysieke lichaam. Maar dit fysieklichaam kon niet uit zichzelf bestaan, en kon alleen leven doordat het doordrongen was van het etherlichaam, astraallichaam en ik van hogere geestelijke wezens. Deze hogere geestelijke wezens woonden als eersten in dit fysieke lichaam.

 

Daarom zegt de Christelijke esoterie met recht dat we in onze tijd het fysieke lichaam voor ons zien, maar wij kunnen het nog niet geheel beheersen; we zijn nog niet aan het eind van onze ontwikkeling gekomen; dit kan pas wanneer wij ons gehele lichaam vanuit ons ik hebben doorwerkt. Ook ons etherlichaam hebben wij nog niet in onze macht; dat zal pas het geval kunnen zijn als de aarde in haar Venusfase zal zijn gekomen. (5e dimensie)

Dus wij mensen kunnen onze lichaam niet beheersen’ pas als we de staat van Boeddhi en Atman hebben bereikt zal dit mogelijk zijn.

Dit is alleen mogelijk op een spirituele wijze. Maar wat wij van ons fysiek en etherlichaam maken kunnen, is al als kiem, sinds de Saturnusfase in ons aanwezig.

Ook in ons ether lichaam ligt Boeddhi verborgen, maar dit is het goddelijke Levensgeest.

Zoals ik eerder schreef, bestaat het astraallichaam uit twee delen. Uit het deel dat wij als mens beheersen en dat deel dat nog doorwerkt moet worden. In het deel dat nog doorwerkt moet worden is de Geestzelf werkzaam en van goddelijke aard. Alleen in het deel van het astraallichaam waarin het ik al reeds werkzaam was tijdens de 1e incarnatie daarin vindt we het eigenlijke geestelijke deel van de mens. Zo kunnen we de mens dus voor ons zien.

 

Om nog meer duidelijkheid! Wat is dat nu, dat werkzaam is van leven tot leven, incarnatie, na incarnatie? Dit is het menselijk IK, dat door alle levens heen een ontwikkeling doormaakt en zijn weg zoekt naar de bron van zijn bestaan. Deze ontwikkelingsweg gaat als volgt in zijn werk: het Ik werkt aan de drie lagere wezensdelen van de menselijke constitutie. Als we naar het astraallichaam kijken zien we het wezensdeel als drager van lust, leed, vreugde en verdriet, van driften, begeerten en hartstochten. Wanneer een mens nog maar weinig gewerkt heeft aan het zuiveren van zijn astraallichaam, zal deze nog als een slaaf gehoor geven aan deze lager driften. Op het moment dat dit wel gebeurt en de persoon zijn lagere driften heeft omgewerkt naar zuivere idealen, dan zien we dit ook in een vorm die naar buiten gericht is. Men straalt het als het ware het innerlijke zuivere ervaren naar buiten uit. Het Ik werkt van binnenuit aan het astrale omhulsel, het hulsel van bewustzijn.

 

Aan de mens die we voor ons zien, is zonder zijn eigen toedoen meegegeven: dat deel van het astraallichaam waaraan het Ik nog niet gewerkt heeft, en dat deel dat het IK al bewust heeft omgewerkt. Dit deel van het astrale lichaam, dat het IK al bewust omgevormd heeft, wordt aangeduid als het geestzelf, of het manas.  Wanneer het IK zich verder ontwikkelt, gaat het ook het etherisch of levenslichaam omvormen. Hetgeen het IK omgewerkt heeft aan het etherlichaam of levenslichaam wordt aangeduid, als levensgeest.  En wanneer het IK zich nog meer verder ontwikkelt, en de kracht heeft om in het stoffelijklichaam reorganiserend te werken, dan wordt dit deel van het stoffelijklichaam, dat dan omgevormd is, maar let wel, dit zal met ons gewone gezichtsvermogen niet waargenomen kunnen worden omdat het bovenzinnelijk is, geestmens.  Op deze manier voltrekt zich het wonder, van het IK, dat door het omwerken van de uiterlijke wezensdelen, die de mens zonder zijn eigen toedoen verkregen heeft.

 

Tot nu toe is aan de orde geweest, het bewust omvormen van het astrale lichaam, maar voordat het Ik, daartoe het vermogen heeft, werkte het al sinds oertijden op een onderbewuste manier aan deze drie wezensdelen, en op de eerste plaats aan het astrale lichaam.

 

info

 

Onze Atlantische voorouders

 

Onze Atlantische voorouders zijn in niets te onderscheiden met onze hedendaagse ouders. Hun gehele cultuur was anders, dan datgene wat wij tegenwoordig om ons kunnen waarnemen.

Bij de Atlantiërs ontbrak het logisch verstand geheel, daar tegen over hadden zij een hoog ontwikkeld geheugen.

De huidige mens heeft dan wel zijn logische verstand en combinatievermogen op de Atlantiërs voor, maar het geheugen is achteruit gegaan. De huidige mens denkt in begrippen, de Atlantiër dacht in beelden.

Wanneer er een beeld voor zijn ziel oprees, dan herinnerde hij zich gelijksoortige beelden die reeds eerder aanschouwelijk waren.

Het Atlantische kind onderging zijn scholing zonder dat het aftgestemd werd op regels, zodat het verstand kon ontwikkelen, zoals wij dit in onze huidige tijd kunnen waarnemen. Maar het leven werd voor het Atlantische kind in beelden aanschouwelijk gemaakt, zodat het zich later zoveel mogelijk kon herinneren. Als volwassene vond men het beste zijn weg, als de nieuwe situatie geleek met eerdere beelden die hij gezien had. In geheel nieuwe omstandigheden was de Atlantiër op proberen aangewezen.

In het algemeen deed men wat men eerder gezien had. Er was geen autoriteit, men had alleen maar vertrouwen in degene die op een lange ervaring kon terug zien.

 

Voor ingewijden gold, dat zij het ontwikkeling stadium van hun tijdperk vooruit waren. Voor opname in een mysterieschool was het van belang of degene die opgenomen wenste te worden, in zijn vroegere incarnaties zich het vermogen heeft verworven tot het opnemen van hogere wijsheid. Het vertrouwen, dat de Atlantiër tegemoet bracht aan de ingewijden en hun volgelingen, berustte op de ouderdom van hun wijsheid. De persoon zelf is niet van belang, deze staat geheel in dienst van de eeuwige wijsheid.

 

Bij de Atlantiër stond het geheugen dichter bij de diepere natuuraanleg dan bij de kracht van het verstand. In samenhang met dit geheugen hadden zich andere krachten ontwikkeld. De Atlantiërs konden de levenskracht beheersen. Zo kon men de sluimerende krachten dienstbaar maken voor industrie en verkeer. Zoals wij middelen hebben om uit steenkool sluimerende kracht in onze locomotieven tot bewegende kracht om te vormen, zo hadden de Atlantiërs installaties waarin zij bijvoorbeeld plantenzaden stookten, en waarin zich levenskracht omvormde tot energie, die technisch bruikbaar werd.

 

Ook fysiek was men in staat om fysieke krachten te vermeerderen, als dit voor werkzaamheden nodig had. Men was niet bekend met de begrippen, vermoeidheid en energieverbruik. Wat de mensenhand toentertijd tot stand bracht, groeide als het ware vanuit de natuur, men was er geheel mee verwant. Hun hele karakter was met de natuur verbonden. Wat de Atlantiër op basis van de natuur opbouwde beschouwde hij als gemeenschappelijk eigendom.

 

We zouden ons niet vergissen wanneer gezegd zou worden dat de ons omringende natuur zich in de loop van de tijd veranderd heeft. Plant en dier zijn niet meer dezelfde. De gehele aardse natuur heeft een metamorfose ondergaan. De voorouders van de Atlantiërs woonden in een thans verdwenen landstreek, het hoofdgebied lag ten zuiden van Azië. In occulte geschriften worden ze de Lumeriërs genoemd. Slechts een klein gedeelte van de Lumerische mensheid was voor ontwikkeling vatbaar, hieruit ontstonden de Atlantiërs. Ook later heeft zich iet dergelijks voorgedaan. De grootste meerderheid van de Atlantische bevolking raakte in verval, en van een klein deel stammen de zogenaamde Ariërs af, waartoe de huidige cultuur volken behoren.

 

Lumeriërs, Atlantiërs, en Ariërs worden in navolging van de occulte wetenschap: wortelrassen van de mensheid genoemd. Twee van deze wortelrassen gingen aan de Lumeriërs vooraf en in de toekomst komen nog twee op de Ariërs volgend zijn dit in totaal zeven wortelrassen. In elk wortelras worden verschillende stadia doorlopen en dat zijn er ook weer zeven. Dit zijn de zeven onderrassen. Zo leven op aarde altijd volkeren naast elkaar die verschillende graden van ontwikkeling vertonen.

 

Het 1e onderras ‘Rmoahals’, ontwikkelden de woord kracht; woorden, en taal.

Het 2e onderras ‘Tlavatli’, ontwikkelden persoonlijke waarden.

Het 3e onderras ‘Tolteken’, stichtte gemeenschappen, stichtte van volkeren, statenvorming.

Het 4e onderras ‘de Oer Turaniërs’ ontwikkelden beheersing van bedoelde krachten. Ze  gebruikten deze echter voor het bevredigen van hun grillen en begeerten. Krachten die op deze manier worden gebruikt werken vernietigend. Dergelijke vernietigende werkingen konden enkel worden tegengehouden, door dat zich in de mens een hogere kracht ontwikkelde en dat was de denkkracht.

Het 5e onderras ‘de Oer Semieten’, ontwikkelden volledige ontplooiing denkkracht het oordeelsvermogen. Naar dit oordeelsvermogen werden de wensen en begeerten geregeld.

Waar men vroeger zich aan iedere wens had overgegeven, vroeg men zich nu af, of het denken de wens ook kon billijken. Zo heeft het 5e onderras de aandrang tot handelen naar het innerlijke van de mens verlegd.

Uit het 5e onderras, werd het meest begaafde deel van de mensheid uitgekozen en deze overleefde de ondergang van het 4e wortelras en vormde de kiem voor het 5e wortelras het ‘Arische ras’, dat als opgave had de volledige ontplooiing van de denkkracht.

Het 6e onderras ‘de Akkadiërs’ ontwikkelden de denkkracht nog verder dan de 5e onderras , de Oer Semieten. In het 6e onderras moesten de uitgaande wetten worden bewerkstelligd, die eerst in de staten van het 3e onderras voortvloeiden uit gemeenschappelijke herinneringen. De oorsprong van rechtsorde en wettelijke maatregelen moet men dus zoeken bij het 6e onderras.

Het 7e onderras ‘de Mongolen’, verdere ontwikkelden het denkvermogen, Zij bewaarden ook hun gevoel voor herinnering. En ontwikkelden hun gedachtekracht, die in zich een geweldige natuurmacht had, die eigen aan de levenskracht was. Men had dan wel in de loop van de tijd, de macht over het leven verloren, maar niet het geloof aan dit leven. Deze kracht was hun God geworden, in wiens opdracht zij alles deden, wat zij als juist beschouwden. In de ogen van hen omringende volkeren leek het wel, alsof zij bezeten waren door deze geheime kracht, maar zij gaven zich er met blind vertrouwen aan over.

 

info

 

Overgang van het 4e naar het 5e wortelras

 

Van het Atlantische in het vijfde Arische wortelras. Waartoe de Westerse wereld behoort. Alles wat wij om ons heen waarnemen is in ontwikkeling. Zo ook de eigenschappen van het 5e wortelras. Dit 5e wortelras heeft het denkendvermogen geleidelijk tot rijpheid gebracht. Hun wil werd niet door de eigen gedachten beïnvloed, maar door de gedachten, die hun van de hogere wezens toestroomden. Ten tijde  van het 4e wortelras, de Atlantiërs, werd deze mensheid geleid door mensen die door hun vermogens ver boven de massa uitstaken. Deze leiders bezaten de wijsheid en de krachten die zij beheersen konden. Deze was hun door wezens van een hogere orde toebedeeld. Wat deze leiders wisten en konden verrichten zou met de menselijke zintuigen en het menselijk verstand onbereikbaar zijn geweest.

Men vereerde hen als ‘boden der Goden’ en ontvingen van hen geboden en bevelen en ook onderricht. Door deze wezens werd de mensheid onderwezen in wetenschap, kunst en in het vervaardigen van werktuigen. Men vertelde van deze leiders dat zij met de ‘goden verkeerden’ en door deze zelf werden ingewijd in de wetten, volgens welke de mensheid zich moest ontwikkelen en die met de werkelijkheid overeen kwam.

 

De inwijdingsplaatsen werden mysterie tempels genoemd. Van daaruit werd het menselijk geslacht geleid. Voor het volk was het onbegrijpelijk wat daar gebeurde. Evenmin begreep men de bedoeling van zijn leiders. Vandaar dat de leer in een begrijpelijke vorm werd verkondigd. De Godsgezanten konden de openbaringen ontvangen, omdat zij reeds een hogere ontwikkelingsfase doorleefd hadden. Steeds in een bepaald opzicht behoorden zij bij de mensen, maar hun ziele-geestes-eigenschappen waren van boven menselijke aard.

Zij waren dus goddelijk-menselijke dubbelwezens. Hogere geesten die een menselijk lichaam hadden aangenomen om de mensheid op aarde verder te helpen. Zij waren niet van deze aarde. De denkkracht die zich ten tijde van de Oer Semieten ontwikkelde, gaf het volk het vermogen om de beginselen die deze wezens mededeelden te begrijpen.

 

Tegen het einde van de Atlantische tijd, heeft de grote volksmassa te maken met drie groepen wezens.

-         De zogenaamde ‘boden der Goden’

-         De grote massa zelf

-         Een kleine groep mensen, die de denkkracht ontwikkelden.

Deze laatste kleine groep, verloor langzaam het oer natuur vermogen van de Atlantiërs. Maar kreeg daarvoor in de plaats denkkracht voor het denkend begrijpen van de beginselen der ‘Godsgezanten’.

De 2e groep mensenwezens, stierf langzaam uit.

De 3e groep, kon door de wezens van de 1e groep opgevoed worden, zodat ze hun eigen leiding zelf in handen konden nemen.

 

De opperste leider wordt in de occulte literatuur ‘Manu’ genoemd. Uit de 3e groep was hij de meest begaafde leider. Om uit hen nieuwe mensheid te laten ontstaan. Deze meest begaafden kwamen uit het 5e onderras de Oer Semieten. Het 6e en 7e onderras was al in zekere zin niet meer geschikt voor een verdere ontwikkeling. De beste eigenschappen van de Oer Semieten moesten ontwikkelt worden. Dit gebeurde doordat de leider deze bestemde uitverkoren groep volgelingen zich in Midden Azië, afzonderde en zich bevrijde van alle invloeden die achter gebleven of op dwaalwegen waren geraakt.

 

De leider had tot taak zijn volgelingen zo ver te ontwikkelen, dat zij in de eigen ziel door eigen denken de beginselen zouden begrijpen die tot hen kwam. Men moest de Goddelijke krachten leren kennen, die zij bewust hadden gevolgd. Zij moesten zichzelf leren beschouwen als de uitvoerende organen van de Goddelijke voorzienigheid.

 

Voorheen was de Goddelijke leider in hun midden in mensengestalte, van deze Godsgezanten had de mensheid vroeger bevelen en aanwijzingen ontvangen. Nu leerde Hij hen, dat wat zij zichtbaar voor ogen hadden, door onzichtbare machten werd bestuurd; en dat zij zelf dienaren waren van deze onzichtbare machten en dat zij met behulp van hun denken de wetten van deze onzichtbare machten tot uitvoering moesten brengen.

 

De mensen leerden dat een bovenaardse Goddelijke Schepper en Bewaarder was van het zichtbare lichamelijke. Geweldig waren de woorden die hij zijn volgelingen steeds weer inprente: “Tot nu toe hebt gij diegene, die u leidde gezien; maar er bestaan hogere leiders die gij niet ziet. En gij zult gehoorzamen aan een God, van wie gij u geen beeld kunt vormen”. Dit oer gebod van het 5e mensenras, klinkt nog na in het bekende “ Gij zult u geen gesneden beeld noch enige gelijkenis maken van het geen boven in de hemel is, noch van het geen onder op de aarde is, noch het geen in de wateren onder de aarde is. (Exodus 20:4) Zo werkte de opperste leider de ‘Manu’, bijgestaan door andere Godsgezanten aan de ontwikkeling van het nieuwe ras.

 

Het verloop van het menselijk leven is afhankelijk  van de machten van de natuur: van dag en nacht, van de verschillende jaargetijden. De mens werd getoond, hoe deze invloedrijke zichtbare feiten samenhangen met de onzichtbare (Goddelijke) krachten, en hoe hij zichzelf gedragen moest. Om zijn leven met deze onzichtbare machten in overeenstemming te brengen.

Het was de bedoeling van de Manu, alles in het menselijk leven op de hogere werelden te richten. Het 5e wortelras zou als taak toebedeeld krijgen, dat alles een religieus karakter zou dragen. Men moest zich de Goddelijk oorsprong bewust zijn.                            

 

Van het geringe aantal mensen die tegen deze beslissing bestand waren en zich uiteindelijk om de Manu geschaard hadden stammen de werkelijke kiemen van vooruitgang. Dit 5e wortelras wordt echter ook verdeeld in twee karaktertrekken. In de ene die van hogere ideeën bezield zijn en die zich zelf beschouwden als kinderen van een Goddelijke wereldmacht; de andere stelt zich alles ten dienste voor eigen interesse, dus van het eigen belang. De kleine groep bleef zo lang bij de Manu tot zij krachtig genoeg was om erop uit te trekken en de nieuwe geest aan de overige mensheid te brengen, die van de voorgaande rassen was overgebleven. Deze nam bij verschillende volkeren een verschillend karakter aan. Daardoor ontstonden over de verschillende delen van de wereld velerlei nieuwe culturen en beschavingen. De meest begaafde persoonlijkheden uit de nabijheid van de Manu, werden ertoe uitverkoren geleidelijk te worden ingewijd in zij Goddelijke wijsheid, zodat zij leraren zouden worden van de anderen. De hogere bedoeling bij dit alles, is het denkvermogen van de mens te ontwikkelen. De menselijke ingewijden zijn thans middelaars tussen het volk en de hogere machten. Deze menselijke ingewijden, heilige leraren, werden in het begin van het 5e wortelras leiders van de mensheid. De grote priesterkoningen uit de oudheid die niet in de geschiedenis, maar wel in de wereld der sagen worden vermeld, behoren tot deze groep ingewijden.

 

De mens mag echter niet gedwongen worden om tot inzicht te komen, maar moet uit vrije wil inzien en begrijpen. Als hij eenmaal zo ver is, dan onthullen de ingewijden hem gaandeweg hun geheimen. Dit gaat niet zomaar, het 5e wortelras is langzaam op weg naar dit doel.

Als aan het einde van het 5e wortelras, als via het 6e en 7e onderras, een voldoende aantal mensen tot weten in staat is, zal de grootste ingewijde zich openlijk voor hen kunnen ontsluieren. Deze menselijke ingewijde zal dan de opperste leiding verder kunnen overnemen. Zoals de Manu dat heeft gedaan aan het einde van het 4e wortelras. De opvoeding van het 5e wortelras, zal ertoe overgaan een menselijke Manu, vrijwillig te volgen.

 

info

 

Het Lemurische ras

 

Het 3e menselijke wortelras waarover in de occulte boeken wordt medegedeeld, heeft gewoond op het Lemurische continent. Dat volgens dezelfde boeken lag ten Zuiden van Azië, maar strekte zich ongeveer uit van Ceylon tot Madagascar. Ook het tegenwoordige Zuidelijk Azië en delen van Afrika hoorden erbij.

 

Aan het 4e wortelras het Atlantische, ging het 3e Lemurische wortelras vooraf. Over het algemeen was bij dit ras het geheugen nog niet ontwikkeld. De mensen konden zich wel voorstellingen maken van gebeurtenissen, maar zij konden dit niet in de herinnering behouden. Zij hadden daarom ook geen taal, waarmee men onderling communiceerde. Wat zij wel konden voortbrengen, waren natuur geluiden, waarmee zij hun gewaarwordingen van vreugde, genot, ergernis, verdriet, woede etc. tot uitdrukking konden brengen, maar men kon de dingen niet aanduiden.

 

Maar hun voorstellingen hadden een geheel andere kracht. Door deze kracht hadden zij invloed op hun omgeving. Andere mensen, dieren, planten, zelfs levenloze voorwerpen konden door louter voorstellingen worden beïnvloed. Op deze wijze kon de Lemuriër zijn medemens mededelingen doen zonder daarvoor een taal nodig te hebben. Dit mededelen bestond uit een soort ‘gedachtelezen’ De Lemuriër putte de kracht van zijn vorstellingen rechtstreeks uit de dingen die hem omringden. Ze stroomde hen toe uit de groeikracht der planten, uit de levenskracht der dieren.

 

De Lemuriër bouwde zonder ingenieurstalent, maar vanuit zijn instinctmatige zekerheid werkende voorstellingskracht. Daarbij had hij een grote macht over zijn lichaam. Als het nodig was kon hij deze alleen al door wilsinspanning ijzersterk maken. Dit enkel door louter ontplooiing van zijn wil.

 

Zoals later de Atlantiër over de levenskracht kon beschikken, zo was de Lumerië volmaakt meester over zijn wil. Het was de ontwikkeling van de wil, van de voorstellingskracht, waar het bij de Lumeriërs om ging en hen  tot een geboren magiër maakte. De opvoeding van de kinderen was daarop ingesteld. Alles was erop gericht dat vooral bij de meisjes een krachtige fantasie zou ontwikkelen. Daardoor ontwikkelde zich de aanleg tot dromen, tot fantaseren. Dit sloeg men hoog aan. Het was het fantaseren en dromen van de natuur zelf, dat in het vrouwelijk gemoed neerdaalde.

 

Woningen hadden de Lemuriërs niet, men gebruikte aardholen waarin men veranderingen en voorzieningen in aan bracht. Bij dergelijke bouwwerken legden zij dan grote handigheid aan de dag. In de eerste tijd kwamen deze bouwwerken voort uit de behoefte om de dingen van de natuur een vorm te geven. Men schiep er behagen in om heuvels zo om te vormen, dat de mens vreugde had aan de vorm. Om de zelfde redenen werden stenen samengevoegd, om er gebruik van te maken bij bepaalde handelingen. Plaatsen waar men kinderen harde in de wil, werden met een soort muur omringd. Tegen het einde van dit tijdperk werden de bouwwerken, die bestemd waren voor het beoefenen en behoeden van de ‘goddelijke wijsheid’ steeds indrukwekkender.

 

Deze instellingen verschilden met wat voor de latere mensheid de tempels betekenden, want het waren tegelijkertijd onderwijsinstellingen en oorden van wijsheid. Wie er geschikt voor werd geacht, mocht hier worden ingewijd in de kennis van de wereldwetten en het hanteren daarvan. De Lemuriër was een geboren magiër, maar hier werd deze aanleg ontwikkeld tot kunst en inzicht. Alleen zij, die op allerlei wijzen gehard waren en daardoor in de hoogste mate het vermogen hadden verworven alles te trotseren, konden worden toegelaten. Hier leerde men vanuit de directe aanschouwing de natuurkrachten kennen en beheersen.

Maar dat leren voltrok zich zo, dat de natuurkrachten zich bij de mens omzetten in wilskracht. Daardoor kon hij zichzelf volbrengen wat de natuur tot stand brengt. Wanneer men voor dezer instellingen een enigszins begrijpelijke omschrijving zou willen geven, zou men ze kunnen noemen ‘hogescholen voor wilsterkte en helderziende voorstellingskracht’.

 

Het is moeilijk om in de tegenwoordige tijd met woorden een juiste voorstelling te geven. De natuur en het menselijk leven waren anders. De lucht was nog veel dichter dan later in de Atlantische tijd, het water nog veel dunner. Onze vaste aardkorst was in de Lemurische tijd nog niet zo gehard. De dieren en de plantenwereld was nog in het stadium van amfibieën. Alles was anders. Gewassen die we nu herkennen als varen, waren toen bomen, daar tegenover stond een groot deel van de mensheid nog op een zeer lage trede van ontwikkeling. Een klein deel ervan leefde nog op een dierlijk niveau, in hun uiterlijk als wel manier van leven. Er was geen speciaal onderscheid tussen hen en de lagere zoogdieren, die in zeker opzicht ook in gestalte op hen geleken. De hoger zoog dieren bestonden nog niet.

 

In de genoemde heilige plaatsen, de tempeloorden werd geen religie beoefend. Het was goddelijkewijsheid en kunst. De mens beleefde wat hij daar ontving rechtstreeks als en geschenk van de geestelijke wereld krachten. Wanneer deze krachten gegeven werden, beschouwde hij zichzelf als een “dienaar” van deze wereldkrachten. Hij voelde zich “geheiligd”. Zou men op de trede van de mensheidsontwikkeling van religie spreken, dan zou men het “wilsreligie” kunnen noemen. Wat zij beleefden was een verkeren met de wezens die aan de wereld zelf bouwden. Men mag dit verkeer een omgaan met de goden noemen. Wat zich later als ‘inwijding’ als ‘mysterie’ heeft ontwikkeld is voortgekomen uit de wijze, waarop deze mensen oorspronkelijk met de goden hebben verkeerd.

 

De vrouwen brachten bijzondere menselijke krachten tot ontwikkeling. Haar natuurverbonden verbeeldingskracht, werd de basis voor een hogere ontwikkeling van het voorstellingsvermogen. Zij namen de krachten van de natuur in zich op en lieten deze in hun ziel nawerken. Hiermee vormden zich de kiemen van het geheugen. Met dit geheugen kwam tevens het vermogen in de wereld tot vorming van de eerste allereenvoudigste morele begrippen. De wilsontwikkeling van het mannelijk element kende iets dergelijks vooreerst niet. De man volgde instinctief of de impulsen vanuit de natuur, of de invloeden, die van ingewijden uitgingen.

 

Vanuit de vrouwelijke aanleg ontstonden de eerste voorstellingen van ‘goed en kwaad’. Terwijl de heerschappij, die het mannelijk element uitoefende meer gericht was op de uiterlijke werking van de wilskracht, ontstond daarnaast in het vrouwelijke element een invloed door het gemoed, door de innerlijke persoonlijke krachten van de mens.

 

De gewoontevorming die samenhangt met het nadenkende voorstellingsleven, met het ontwikkelen van het geheugen kwam van de kant van de vrouw en die gewoonten vormden de kiemen voor een rechtsleven, voor een zeker normbesef.

Had de man de natuurkrachten geschouwd en gehanteerd, de vrouw was de eerste, die er uitleg aan gaf. Deze manier van leven had iets veel persoonlijkers, dan die van de mannen. Deze levenswijze van de vrouw was eveneens een soort helderziendheid, ook al verschilde ze van wils magie van de mannen. De vrouw was in haar ziel voor een ander soort geestelijke machten toegankelijk, namelijk zulke machten, die meer tot het gevoelselement van de ziel spraken en minder tot het geestelijk element, waaraan de man was onderworpen. Zo ging van de mannen een werking uit, die meer natuurlijk-goddelijk was, van de vrouwen een meer ziels-goddelijke werking.

 

Uit de Lemurische tijd zonderden zich een kleine groep mensen af en bestemden deze tot stamouders van het komende Atlantische ras. De mannen hadden zich bekwaamd in het beheersen van de natuurkrachten. Zij waren sterk en wisten aan de aarde de meest verschillende schatten te onttrekken. Zij konden de akkers bebouwen en van de oogst profijt trekken voor hun eigen leven. Zij waren sterke wilsnaturen geworden. Bij de vrouwen daarentegen waren geheugen en fantasie tot ontplooiing gekomen. De leiders van deze kleine groep zorgden ervoor dat de groep zich in kleinere groepjes onderverdeelde. De vrouwen werden belast met het ordenen en organiseren van deze groepen. Door haar geheugen had de vrouw het vermogen verworven van de ervaringen en ondervindingen, die zij had opgedaan.

 

Ook de samenleving werd door haar opgericht. Onder haar invloed ontwikkelden zich de begrippen ‘goed en kwaad’. Door een leven van nadenken had zij begrip gekregen voor de natuur. De leiders hadden de samenleving zo ingericht dat de wilsnatuur van de mannen, hun overvloed aan kracht, veredeld en gelouterd werd door de ziel van de vrouw. Ervan uitgaand dat zich dit alles in een pril stadium zich ontwikkelde. De leiders gebruikten het ontwaakte zieleleven van de vrouw als omweg om het zieleleven van de mannen tot ontwikkeling te brengen.

 

De vrouwen hadden dus een zeer grote invloed. Bij haar moest men raad vragen wanneer men tekenen van de natuur wilde verklaren. Alles was voor de vrouw bezield. Het waren innerlijke stemmen die haar tot handelen dreven, ofwel hetgeen tot haar gesproken werd door planten, dieren, stenen, wind en wolken, het suizen van de bomen etc. Uit een dergelijke zieletoestand ontstond dat wat men menselijke religie kan noemen. Het ziele element in de natuur en in het menselijk leven werd aanbeden.  Wat zich in een vrouw innerlijk leefde, werd in een soort natuur-taal omgezet. Want het begin van de spraak ligt in iets dat op gezang lijkt. De kracht van de gedachte zette zich om in de hoorbare kracht van de klank.

 

Het innerlijke ritme van de natuur, weerklonk van de lippen van ‘wijze vrouwen’. Men schaarde zich om haar heen en beleefde in haar als het ware gezongen zinnen de uitingen van hogere machten. Met dergelijke dingen heeft de menselijke godsdienst een aanvang genomen. De Akasha-kroniek laat beelden zien van met het gezicht naar het Oosten gewend, in extase verloren, zit op een zetel de priesteres zij zingt. Haar tonen hebben iets machtigs. De mensen om haar hen bewegen zich in ritmische dansen. Dit is de andere manier waarop de ziel in de mensheid ontstond. De geheimzinnige ritmes, had men van de natuur afgeluisterd. Men voelde zich darbij één met de natuur en de daarin heersende machten.

 

Lemurie was in beweging. Overal werd de dunne bodem door vulkanische krachten ondermijnd. De mensen waren gewend aan deze vuurwerking. Zij maakte van dit vuur ook gebruik bij hun arbeid en bij hun voorzienigen. De werkzaamheden werden zo ingericht dat het vuur de basis vormde. De werking van dit vulkanische vuur is de oorzaak van de ondergang van het Lemurische land. Het deel van Lemurië, waaruit zich het Atlantische wortelras moest ontwikkelen, had weliswaar een heet klimaat maar bleef over het geheel genoeen voor de vulkanische werking bewaard. De mensen natuur kon zich hier stiller en vrediger ontplooien dan in de overige gebieden van de aarde.

 

Het menselijk lichaam was destijds soepel en buigzaam. Het vormde zich nog  voortdurend om, zodra het innerlijk leven zich wijzigde. Pas in de beschreven kolonie, werd het lichaam van de mens steeds meer een uitdrukking van zijn innerlijk zielenleven. Maar dit ging langzaam en geleidelijk. Het voltrok zich zo dat eerst het zielenleven in de mens tot ontplooiing werd gebracht en het nog weke en soepele lichaam zich daarbij aanpaste. Het is een wet in de mensontwikkeling, dat naar mate de mens vooruit gaat, hij hoe langer hoe minder bij machte is zijn fysieke lichaam om te vormen. Een tamelijk vaste vorm heft het fysieke mensen lichaam pas gekregen met de ontwikkeling van het verstandelijk vermogen en met daarmee samenhangende verdichting van de in de aarde gevormde stenen, mineralen en metalen.

 

Het dierenrijk veranderde onder invloed voor een deel in de wijziging van verblijfplaats, van levenswijze. De dieren hadden het vermogen om zich buitengewoon snel aan te passen aan nieuwe omstandigheden. De invloed van de mens op de wijziging van de natuur was vergeleken met nu, in die tijd onmetelijk groot. Vooral in de beschreven kolonie werd deze verandering gedirigeerd door de leiders op een wijze waarvan de mensen zich niet bewust waren. Dit was in zo sterke mate het geval, dat mensen toe ze wegtrokken om de verschillwende Atlantische rassen te grondvesten grote kundigheid bezaten omtrent het fokken van dieren en het kweken van planten. Men deed dit intensief volgend vanuit hun innerlijk. De dominerende vrouwenziel duurde voort tot in die Atlantische tijden waarin het 4e onderras werd voorbereid. Dit geldt echter voor dat deel van de aardebevolking, waaruit later de werkelijk vergevorderde rassen zijn voortgekomen. Deze invloed werkt het sterkst op datgene in de mans wat in en aan hem ‘onbewust’ is. Het ontstaan van bepaalde blijvende gebaren, de fijnheid van het zintuigelijk waarnemen, gevoelsleven, dat alle mensen gemeen hebben, vindt zijn oorsprong, in de ziele-invloed van de vrouwen. 

 

info

 

Splitsing van geslachten  

 

Voor het midden van de Lemurische tijd, is de gehele natuur ook de mens, week en soepel, de aarde vochtig en vol bronnen. Vergeleken bij de latere toestand was de aarde nog vochtiger en vol bronnen, als de mensenziel in die tijd een stoffelijk lichaam aannam, kon zij de stof in de hogere mate aan zichzelf aanpassen dan later. Want dat de ziel een mannelijk of vrouwelijk lichaam aanneemt vindt de oorzaak in het feit, dat door de ontwikkeling van de uiterlijke aardenatuur haar een van beide wordt opgedrongen. Zolang de stoffen nog niet verhard waren, kon de ziel deze stoffen haar eigen wetten voorschrijven. De uiterlijke aarde ontwikkeling heeft ertoe geleid dat het lichaam een eenzijdige gestalte heeft gekregen. Toen dit onderscheid zich nog niet had voorgedaan, kon elke mens een ander mens uit zich doen voortkomen. De bevruchting was nog geen uiterlijk gebeuren, maar iets wat zich binnenin het menselijk lichaam afspeelde. Hierdoor verloor het deze mogelijkheid van zelfbevruchting. Het moest met een ander lichaam samen werken, om een nieuw mens te doen ontstaan. De splitsing in geslachten treedt op als de aarde in een bepaald stadium van haar verdichting komt. De dichting van de stof belemmert een deel van de voortplantingskracht. En het deel van deze kracht, dat nog werkzaam is, moet van buitenaf worden aangevuld door de tegengestelde kracht van een ander mens. De ziel moet echter zowel in de man als in de vrouw een gedeelte van haar vroegere kracht in zichzelf behouden.

 

Dit deel van de kracht richt zich nu op het innerlijk van de mens. Het kan niet naar buiten treden, en komt daardoor vrij voor innerlijke organen. De ziel had al haar kracht naar buiten toe gebruikt om het lichaam op te bouwen. Nu echter kon de zielskracht, die naar buiten toe niet gebruikt kon worden, in verbinding treden met de kracht van de geest. 

Door deze verbinding ontwikkelden zich in het lichaam de organen, die later de mens tot een denkend wezen zouden maken. Zo kon de mens een deel van de kracht, die hij vroeger gebruikte voor het voortbrengen van zijn nakomelingen, aanwenden tot vervolmaking van zijn eigen wezen.

 

Zo heeft de fysieke mens zich van een dubbel, naar een enkelvoudig geslacht ontwikkelt, naar een splitsing in man en vrouw. Als men de Akasha-kroniek vervolgt, blijkt dat in het begin van de Lemurische tijd, de fysieke mens door zijn dubbel geslacht een ander wezen was, dan het wezen, dat men thans mens noemt. Hij kon geen enkele zintuiglijke waarneming met gedachten verbinden; hij dacht niet. Hij leefde uitsluitend naar zijn driften. Maar er waren andere wezens, die ondanks hun tweeslachtigheid, zich kennis en wijsheid konden verwerven. Het was met hun ziel mogelijk geworden zich met de geest te bevruchten, zonder eerst te moeten wachten op de ontwikkeling van de innerlijke organen van het fysieke lichaam.

 

Bij deze wezens had hun ziel in een vroeger stadia zielenorganen ontwikkeld, die niet iets stoffelijks nodig hadden om met de geest in verbinding te komen. Hun kennis en wijsheid hadden zij op de boven zinnelijke wijze verworven. Een dergelijke kennis noemt men intuïtie.

De tegenwoordige mens komt pas in een latere fase van zijn ontwikkeling tot en dergelijke intuïtie, die het mogelijk maakt, zonder bemiddeling van de zintuigen, met de geest in aanraking te komen. De mens moet nog de omweg maken. Deze omweg noemt men het afdalen van de menselijke ziel in de materie, oftewel de “zondeval”.

Omdat hun ziel al en hogere ontwikkelingstrap had bereikt, was hun bewustzijn niet in een soort droomtoestand, maar innerlijk helder. Zij namen hun kennis en wijsheid op door helderziendheid en hiervoor hadden zij dus geen zintuigen nodig. De wijsheid straalde rechtstreeks hun ziel binnen. Daardoor konden zij de leiders zijn van de nog in dofheid gevangen jonge mensheid. Zij waren de dragers van en ‘oeroude wijsheid’

 

De ‘mens’ moest zich de wijsheid veroveren, door te werken met zijn zintuigen en zijn denkorgaan. Alleen wanneer de mens in begeerte naar wijsheid leefde, kon hij zich deze verwerven. Er moest in de ziel een nieuwe impuls ontwaken; de begeerte, het verlangen om te weten. Het verlangen naar kennis komt tot stand omdat de ziel innerlijke organen ontwikkelde zoals de hersenen. De bovenmenselijke wezens, van wier de ziele krachten nier de splitsing hebben ondergaan, richten hun gehele ziele-energie naar buiten. Daarom hebben zij naar buiten toe, voor de bevruchting door de geest ook die kracht beschikbaar, welke de ‘mens’ naar binnen wendt voor de opbouw van zijn ken-organen.

 

De ‘mens’ kreeg zintuigen en daardoor werd zijn liefde zintuiglijk. Het deel dat de ‘mens’ gebruikte voor zijn innerlijke opbouw, onttrekt hij aan de buitenwereld. Zo ontstond datgene wat men zelfzucht noemt. Hij werd zelfzuchtig, en zelfzuchtig werd zijn werking naar buiten. Zelfzuchtig zijn streven naar innerlijke ontwikkeling. Hij had lief, omdat hij verlangde, en hij dacht, omdat hij eveneens verlangde naar kennis. De leiders hadden lief zonder verlangen. Zo was de mensenziel ook ten tijde vóór de splitsing in geslachten, omdat deze ziel nog in een vroeg ontwikkeling stadia bevond. Het droom bewustzijn had geen vermogen tot kennen. Het was nu de opdracht van de leiders om het karakter van de liefde in te prenten. Dat konden zij alleen doen bij dat deel van de zielskracht die zich naar buiten richtte. Daardoor ontstond de zinnelijke liefde. De bovenmenselijke wezens hadden uitsluitend macht over deze zinnelijke liefde. Het deel van de menselijke zielskracht, dat zich naar binnen richt en langs de omweg tot kennis moet leiden, onttrekt zich aan de macht van de bovenmenselijke wezens. De genoemde organen van de mens werden pas rijp om met de geest in aanraking te komen in de ontwikkelingsfase van de aarde in het midden van de Lemurische tijd. Deze organen waren reeds op een eerdere ontwikkelingsfase gevormd in een nog onvolkomen aanleg.

 

Toen de menselijke natuur op deze aarde haar huidige vorm aannam, was zij ingeschakeld tussen liefde en wijsheid. Middels krachten van liefde en wijsheid werd de menselijke natuur aangespoord tot fysieke ontwikkeling en tot vervolmaking van het innerlijk. Door de fysieke ontwikkeling schrijdt de mensheid voort van generatie tot generatie en vormt nieuwe stammen en rassen. Door de innerlijke ontwikkeling komen de enkelingen tot innerlijke volmaaktheid, ontstaan er geleerden, wijzen, kunstenaars, technici etc.

Gedurende de fysieke ontwikkeling draagt elk ras zijn zintuiglijke waarneembare eigenschappen als erfgoed. Hier heerst de wet van de erfelijkheid. Ver daarbovenuit gaat de vervolmaking van geest en ziel. Hiermee staan wij tegenover de wet van de ziele-ontwikkeling binnen het aarde bestaan. Deze ontwikkeling hangt samen met de wet en het geheim van geboorte en dood.

 

 De toestand van de splitsing in mannelijk en vrouwelijk bestond het lichaam uit een weke plastische massa. Het moment dat de mens zich losmaakte van zijn ouderwezen kwam hij als een uit onderdelen opgebouwd organisme te voorschijn, maar was nog onvolkomen. De verdere ontwikkeling vond plaats buiten het ouderwezen. Gelijk wat later binnen het moederwezen tot rijpheid werd gebracht. Deze kracht is aan ons latere wilskracht verwant. Voor het tot stand brengen van zo’n rijping in de buitenwereld was er verzorging nodig van de kant van het ouderwezen. Het hele gebeuren had iets weg van het zich naar buiten werken vanuit de eivorm en het afleggen van een eieromhulsel, echter moet hier niet gedacht worden aan een vaste eierschaal maar aan bepaalde organen die hij dan later afstoot. De andere organen die nog erg onvolledig waren kwamen bij de verzorging van het ouderwezen tot ontwikkeling.

De rijping voltrekt zich onder invloed van verhoogde warmte die van buitenaf werd toegevoerd. Maar hier mag men absoluut niet denken aan een bebroeden van een ei-mens. De omstandigheden waaronder op de toenmalige aarde water en vuur voorkwamen waren anders dan later. De mens bezat het vermogen krachten, om het vuur, de warmte ervan, binnen een bepaalde ruimte vast te houden, dat voor de rijping van het jonge wezen nodig was. De mens kwam ter wereld met gehoor en gevoelswaarneming voor kou en warmte. Deze toestand heeft betrekking op de laatste tijden van de scheiding der geslachten.

 

De zelfbevruchting was afhankelijk van de uiterlijke omstandigheden in bepaalde jaargetijden. Men regelde alles naar de loop van zon en maan en voltrok zich instinctief. Deze activiteiten en eigenschappen van lichaam en ziel waren nog niet  van elkaar gescheiden. De ziel leefde nog mee me het uiterlijke natuurleven. De gehoorzin was bovenmatig gevoelig elke trilling werd in de omgeving gehoord en had een geweldige uitwerking. Wind en water spraken in hun bewegingen voor de mens een ‘veelzeggende’ taal, dat naklonk in de ziel. Hij zette de klank waarnemingen om in zijn handelingen. In mindere mate werd hij beïnvloed door de inwerkingen die zijn gevoel bereikten. Hij ‘bespeurde’ in zijn lichaam de omgeving, en gedroeg zich daarnaar. Hij wist vanuit zulke gevoelsindrukken, wanneer en hoe hij moest werken, en waar hij zich moest vestigen. Vanuit gevoelsindrukken herkende hij gevaren en wist ze te vermijden. Zijn voeding regelde hij er naar. De wereld weerspiegelde zich in zijn zielenleven, de gevoelens die optreden bij de voorstellingen die hij ervaarde werkte kleurlozer dan bij de mens in onze tijd. De mens was in die tijd veel beweeglijker en actiever. Alles in zijn omgeving en ook de beelden in zijn ziel prikkelden hem tot  activiteit, tot beweging. Indien hij zijn activiteiten onbelemmerd kon uitleven voelde hij welbehagen, werden deze geremd, overvielen hem gevoelens van onlust. Dit werd bepaald door het al of niet geremd worden van zijn “wil”.

 

 Het zieleleven van de bovenmenselijke wezens had geen instinctief karakter. De beelden in hun ziel waren een afspiegeling van de geestelijke machten in de wereld. Men nam geen zintuiglijke dingen waar, maar geestelijke wezens. De geestelijke werkelijkheid ontsloot zich voor de hogere wezens. In deze wezens was het kennen en intuïtief weten in de volle betekenis van het woord, er was een regelrecht aanschouwen van het scheppingswerk van geestelijke wezens. Zij leidden bewust de andere mensen. Zij ontvingen hun zending vanuit de geestelijke wereld en handelden ernaar. Toen de tijd aanbrak waarin de geslachten zich scheiden, moesten deze wezens het als hun opdracht beschouwen in te werken op het nieuwe leven. Van hen ging de regeling van het geslachtsleven uit. Alle voorzieningen betreffende de voortplanting vonden bij hen hun oorsprong.

De geslachtelijke liefde werd de mensen door gedachten overdracht ingeplant. En alle uitingen van liefde waren van de edelste soort. Alles wat op dit gebied een lelijk karakter heeft gekregen stammen uit later tijden, waarin de mens zelfstandiger is geworden en zijn oorspronkelijke zuivere aandrift heeft bedorven. De geslachtsdrift was een offerdienst gericht op het voortzetten van het menselijk bestaan. Offerpriesters gaven leiding aan deze heilige taak.

 

Behalve de mensen bestonden er dieren, die op hun wijze op dezelfde ontwikkelingstrap stonden als de mens zelf. Een verdere ontwikkeling was alleen mogelijk doordat zich een deel van de mensenwezens zich ten koste van anderen omhoog werkten. Daardoor verzonken zij steeds meer in het dierenstadium. Naast de mensen ontstonden dus op mensengelijkende dieren. De mens liet bij wijze van spreken op zijn weg een deel van zijn broeders achter, om zelf hoger te stijgen. Slechts daardoor konden zij lichamen ontwikkelen die geschikt waren de gehele menselijke geest op te nemen. Wat omlaag gestoten is, in een dierlijke toestand is ofwel uitgestorven of het leeft voort in de verschillende hogere dieren. Deze dieren moet men beschouwen als wezens die op een vroeger trap van de ontwikkeling moesten blijven staan.  

 

Het onsterfelijke in de mens is de geest. Pas wanneer men geheel en al begrijpt, hoe deze verbinding tot stand is gekomen, kan men inzicht krijgen in de betekenis van geboorte en dood en tevens het wezen van de eeuwige gest leren kennen. De ontwikkelingsgang van de mens is eigenlijk alleen te begrijpen als men in aanmerking neemt dat hij zich samen ontwikkelt met wezens, wier bewustzijn in andere werelden ligt dan zijn eigen wereld. Wat zich in de wereld voltrekt, hangt mede af van zulke wezens, die een andere graad van bewustzijn hebben. Zo zal er altijd een onderscheid blijven en zullen we altijd broeders achter laten en zal de mensheid zich steeds verder ontwikkelen.

 

info

 

Rassen en onderrassen

 

Ieder mens gaat in zijn leven door verschillende levensfasen. Vanaf zijn prilste bestaansvorm tot aan het verscheiden der dagen. Maar wat de enkeling ervaart behoort ook tot de verschillend levensfasen van de mensheid. Momenteel hebben we te maken met de 4e fase in het grote wereldleven van de mens. De mens bestond reeds voordat er een Aarde bestond. Zij heeft zich samen met de aarde ontwikkeld. Evenals de mens heeft de aarde drie hoofdfasen doorgemaakt voordat ze geworden is, wat men nu ‘Aarde’ noemt.

Voordat het hemellichaam, waarop zich het menselijk leven afspeelt, ‘Aarde’ geworden is, heeft het drie andere vormen gehad, die aangeduid worden als Saturnus, zon en maan. Voordat de ‘aarde, de ‘aarde’ werd, maan is geweest, daarvóór ‘zon’, en nog verder terug ‘saturnus’.

 

Nu moeten we wel realiseren, dat de ontwikkeling van de mens en zijn hemellichaam niet zo geleidelijk verloopt als het heengaan van de zuigeling en de kindertijd en zo verder van de afzonderlijke mens waarbij de ene toestand in de andere overgaat. Zo zijn er veeleer onderbrekingen. De saturnustoestand gaat niet rechtstreeks over in de zonnetoestand. Er zijn overgangstoestanden  die te vergelijken zijn met de nacht tussen twee dagen. Of met een slaapgelijkende toestand, waarin zich de plantenkiem bevindt voordat deze zich tot volledigheid ontwikkelt. De theosofie noemt dit verloop waarin het leven zich naar buiten toe ontplooit, manvantaras en de daartussen liggende rusttoestanden pralaya. De Europese Ocuulte Wetenschap gebruikt voor de 1e toestand de uitdrukking ‘ open kringloop’ voor de 2e daarentegen ‘verborgen of gesloten kringloop’. Saturnus, zo, maan aarde etc. zijn ‘openkringlopen’, de daartussen liggende rustpozen ‘gesloten kringlopen’. Deze rustpauzen zijn niet waar te nemen met de zintuigen, die zich gedurende de open kringlopen vormen.

 

Het bewustzijn, dat de mens gedurende zijn loopbaan ontplooit wordt in overeenstemming met de Europese Occulte Wetenschap ‘heldere dag bewustzijn’ genoemd. Het bestaat hierin, dat de mens door middel van zijn tegenwoordige zintuigen de dingen en wezens van de wereld waarneemt en dat hij zich met behulp van zijn verstand en zijn rede voorstellingen en denkbeelden over deze dingen en wezens vormt. In de zintuigelijke wereld handelt hij dan volgens deze eigen waarnemingen, voorstellingen en denkbeelden. Dit bewustzijn heeft de mens in de vier hoofdfasen van zijn wereldontwikkeling gevormd; op saturnus zon en maan was het nog niet aanwezig. Dar leefde hij in een andere bewustzijnstoestanden. Zo kan men dus drie voorafgaande ontwikkelingsstadia kenmerken als de ontplooiing van lagere bewustzijnstoestanden.  De laagste bewustzijnstoestand werd gedurende de saturnus ontwikkeling doorgemaakt, de zonnetoestand is hoger, dan volgt de maan en tenslotte het aarde bewustzijn.

 

Deze vroegere bewustzijnstoestanden onderscheiden zich van het aardse bewustzijn door twee kenmerken; namelijk door de graad van helderheid, en door de omvang van het gebied, waarover de waarneming van de mens zich uitstrekt. Het saturnusbewustzijn heeft de laagste graad van helderheid. Het is volslagen dof. Het is daarom moeilijk van deze dofheid een goede voorstelling te geven, omdat zelfs de dofheid van de slaap nog een graad helderder is dan dit bewustzijn. In abnormale, zogenaamde diepe trance toestanden, kan de tegenwoordige mens nog in die bewustzijnstoestand terugzinken. Ook iemand die helderziend is in de zin van de occulte wetenschap, kan er zich juiste voorstelling van vormen. Alleen leeft deze helderziende niet  zelf in deze bewustzijnstoestand, die in bepaalde opzichten op de oorspronkelijke lijkt. Hij verheft zich veeleer tot een veel hogere toestand, die in bepaalde opzichten op de oorspronkelijke lijkt, Bij de gewone mens van het tegenwoordige aardestadium is deze toestand, die hij eens heeft doorgemaakt, door het ‘heldere dagbewustzijn’ uitgewist. Het ‘medium’ dat diep in trance geraakt, wordt daarin terug geplaatst, zodat hij op dezelfde manier waarneemt, als eens alle mensen gedurende de ‘hebben waargenomen. Een dergelijk ‘medium’ kan dan tijdens de trance of na het ontwaken belevenissen vertellen, die lijken op hetgeen zich op saturnus heeft afgespeeld. Maar je kunt echter alleen maar zeggen, dat ze ‘er op lijken’ met dat ze ‘er gelijk aan’ zijn. Want de gebeurtenissen op saturnus zijn voor ons voor altijd voorbij en alleen gebeurtenissen die ‘er op gelijken’. Een helderziende zoals hierboven beschreven, verkrijgt nu net als het ‘medium’ een dergelijke saturnus-bewustzijn, maar behoudt daarbij ook zijn ‘helderdag bewustzijn’, dat de mens op saturnus nog niet bezat en dat het medium tijdens de trance-toestand verliest.

 

De 4e hoofdfase van de mensontwikkeling wordt op de aarde beleefd. Wij mensen bevinden ons thans hierin. Voordat de aarde toestand overgaat in het jupiterleven, moeten er - na de vierde aardse kringloop – nog drie kleiner kringlopen worden doorgemaakt. Gaat nu de aarde, na een rustpauze (pralaya), in jupiter over en is de mens op die planeet ontwaakt, dan moeten gedurende vier kleinere kringlopen de vier voorafgegane toestanden –saturnus, zon, maan en aarde, weer worden herhaald. En pas tijdens de vijfde jupiterkringloop bereikt de mens het stadium dat het eigenlijk “jupiter’ bewustzijn karakteriseerd. Op overeenkomstige wijze komt het ‘venus’ bewustzijn tijdens de zesde venuskringloop te voorschijn. De laatste planeet die nog grekend kan worden tot de metaforfasen van de aarde en dus venus volgt, wordt in de occulte wetenschap ‘vulcanus’ genoemd. Op die planeet wordt het voorlopig doel van de mensheidsontwikkeling bereikt. De bewustzijnstoestand, waarin daar de mens komen zal, word ‘Godszaligheid’ genoemd, of ook het spirituele bewustzijn. De mens zal dit in de 7e kringloop van vulcanus bereiken, na een herhaling van de zes voorgaande stadia. Over het leven op die planeet kan in het openbaar niet veel worden medegedeeld. Over vulcanus en het leven daar zou geen enkele ziel moeten nadenken, die met haar denken nog aan een fysiek lichaam is gebonden. In de loop van de mensheid ontwikkeling komen de zeven trappen van bewustzijn dus in zeven planeet ontwikkelingen tot uitdrukking.

 

Nu moet het bewustzijn op iedere ontwikkelingstrap weer zeven ondergeschikte toestanden doorlopen. Deze komen tot verschijning in de reeds aangeduide kleinere kringlopen. Men zegt ook wel dat iedere bewustzijnstoestand zich door zeven ‘rijken’ heen beweegt. Volgens deze berekening zijn er dus in de gehele mensheid ontwikkeling zeven maal zeven, of negenenveertig kleine kringlopen of rijken te onderscheiden. En verder moet iedere kringloop nog weer door zeven kleinere heengaan, die men ‘vormtoestanden’ noemt. Dat levert voor de totale mensheidskringloop zevenmaal negenenveertig of driehonderd-drie-enveertig verschillende ‘vormtoestanden’ op.

 

info

 

Het leven op saturnus 

 

De grote mensheidsontwikkeling, die door de zeven bewustzijnsstadia heengaat van Saturnus tot Vulcanus word vergeleken met de gang van het leven tussen geboorte en dood, die heenleidt door de zuigelingenleeftijd, de kinderjaren, etc, tot in de ouderdom. Deze vergelijking kan zich nog verder uitstrekken. Zoals bij de tegenwoordige mensheid de verschillende levensfasen elkaar niet alleen opvolgen, maar ook naast elkaar aanwezig zijn, zo is het ook bij de ontplooiing van de bewustzijnsfasen. De grijsaard, de rijpere man of vrouw, de jongeman etc. Zij gaan naast elkaar.

 

Zo bevonden zich ook op saturnus niet alleen maar de voorouders van de mens als wezen met een dof saturnus bewustzijn, maar naast hen waren er andere wezens, die al een hogere bewustzijnstrappen bereikt hadden. Aan het begin van de saturnus fase waren er al naturen met een zonne bewustzijn, anderen met een beeld bewustzijn (maan bewustzijn) weer anderen met een bewustzijn dat lijkt op het tegenwoordige bewustzijn van de mens; dan was er een vierde soort met een zelfbewust (psychisch) beeld- bewustzijn; een vijfde met een zelfbewust (boven-psychisch) voorwerp-bewustzijn; en een zesde met een scheppend (spiritueel) bewustzijn.

Na het vulcanus stadium zal zich ook de mens verder ontwikkelen en nog hogere bewustzijnstrappen bereiken. Ook schouwt het innerlijk oog van de helderziende in de geestelijke verten nog vijf bewustzijnsvormen. De saturnus mens had dus elf andere soorten wezens in zijn naaste omgeving. In het geheel zijn er dus twaalf bewustzijns trappen.

 

De verhevenste van deze wezens waren zij, die bij het begin van de saturnusontwikkeling reeds op een bewustzijnstrap waren aangekomen, die de mens pas na zijn vulcanusleven bereiken zal. Dus een hoog, scheppend (bovenspiritueel) bewustzijn. Ook deze scheppende machten hebben eens de mensheidsstadia moeten doormaken. Dat vond plaats op hemellichamen, die aan saturnus zijn voorafgegaan. Hun band bleef tot aan het midden van het saturnusleven bestaan. Men noemt hen in de occulte wetenschap wegens hun verheven-fijn stralenlichaam ‘stralend leven’ of ook wel ‘stralende vlammen’. En omdat de stof, waaruit dit lichaam bestond, enige verre gelijkenis vertoont met de wil van de mens, worden zij ook wel ‘geesten van de wil’ genoemd. Deze geesten zijn de scheppers van de saturnusmens. Vanuit hun lichaam doen zij de stof uitstromen, die de drager van het menselijk bewustzijn kan worden. De ontwikkelingsperiode waarin dit gebeurt heet de eerste kleine saturnus kringloop. Het stof-lichaam dat de mens op deze wijze ontvangt, is de eerste aanleg voor zijn latere fysieke lichaam. gezegd kan worden dat tijdens de eerste saturnuskringloop door de geesten van de wil, de kiem werd gelegd voor het fysieke mensen lichaam. in die tijd het doffe saturnus bewustzijn. Op deze eerste saturnuskringloop volgen nog zes andere. De mens krijgt binnen deze kringlopen het stof-lichaam dat hij verder uitwerkt. Op de meest uiteen lopende wijze nemen deze geesten van de wil hieraan deel.

 

Na de geesten van de wil, komen wezens met een scheppend spiritueel bewustzijn, gelijkend op het bewustzijn dat de mens op vulcanus zal verkrijgen. Zij worden de ‘geesten van de wijsheid’ genoemd. De occulte wetenschap noemt hen ‘heerschappijen’ (Kyriotetes), terwijl ze de geesten van de wil ‘Tronen’ noemen. In hun eigen ontwikkeling komen zij gedurende de tweede saturnuskringloop een eind vooruit en tegelijkertijd bewerken zij het menselijk lichaam zodanig, dat het een ‘wijze ordening’ een weldoordachte bouw krijgt ingeprent.

 

De geesten van het derde soort met het zelfbewuste (bovenpsychische0 voorwerpbewustzijn, heten ‘geesten van de beweging’ of ook wel van de ‘werkzaamheid’. In de christelijke occulte wetenschap, noemt men ze ‘machten’ (Dynamis). Met de vooruitgang van hun eigen ontwikkeling verbinden zij vanaf het midden van de tweede Saturnuskringloop de verdere afwerking van het menselijk stof-lichaam, waarin zij de mogelijkheid tot beweging aanbrengen, tot van kracht doordrongen werkzaamheid. Dit werk wordt omstreeks het midden van de derde Saturnuskringloop voltooid.

 

Na dit tijdstip begint het werk van de wezens van de vierde soort de zogenaamde ‘ geesten van de vorm’ Zij hebben een zelfbewust beeldbewustzijn (psychisch bewustzijn) de christelijke occulte wetenschap gebruikt voor hen de naam ‘krachten’ (Exusiai) Door hun toedoen krijgt het menselijk stof-lichaam, dat eerst een beweeglijke wolk was een begrensde (plastische) vorm. Deze activiteiten van de geesten van de vorm is omstreeks het midden van de vierde saturnuskringloop volbracht.

De volgende activiteiten komen van de ‘geesten der duisternis’ die ook ‘geesten der persoonlijkheid’ of van het ‘eigen zelf’ (egoïsme) worden genoemd. Hen kan op deze trap een bewustzijn worden toegeschreven dat lijkt op het tegenwoordige menselijke aarde bewustzijn. Zij worden als ‘zielen’ in het gevormde menselijke stof-lichaam op ongeveer de zelfde manier als tegenwoordig de mensenziel in haar lichaam woont. Zij plante het lichaam een soort zintuigen in, die de kiem vormen voor de zintuigen, die zich later, gedurende de aarde ontwikkeling in het mensenlichaam ontwikkelen. Deze zintuigen ‘zintuigen kiem’ verschilt van de huidige zintuigen van de mens. De aarde mens zou met behulp van zulke ‘zintuigkiemen’ niet kunnen waarnemen. De beelden die de zintuigen door geven moeten eerst heengaan door een fijner etherlichaam, dat zich op de zon vormt, en door een astraallichaam, dat zijn bestaan aan de maanontwikkeling te danken heeft.

 

Maar de ‘geesten der persoonlijkheid’ kunnen de beelden van de ‘zintuigkiemen’ door hun eigen ziel zodanig bewerken, dat zij met behulp daarvan uiterlijke dingen net zo kunnen waarnemen, als de mens dit kan tijdens de aarde-ontwikkeling. Door zo aan het menselijk lichaam te werken, maken de ‘geesten der persoonlijkheid’ hun eigen ‘mensheidsstadium’ door. Vanaf het midden van de vierde saturnuskringloop tot het midden van de vijfde zijn dus mensen. Deze geesten planten dus de mens het eigen Zelf in, het egoïsme. Enerzijds komt dus alle ontaarding van het eigen zelf tot zelfzucht voor hun rekening, anderzijds zijn zij de grondleggers van alle zelfstandigheid van de mens. Zonder hen zou de mens nooit een in zichzelf afgesloten wezen zijn geworden, een ‘persoonlijkheid’ De Christelijke occulte wetenschap gebruikt voor hen de uitdrukking ‘ oerkrachten’ (Archai) In het midden van de vijfde saturnuskringloop worden zij opgevolgd door dat van de ‘zonen van het vuur’ die op deze trap nog een dof beeld bewustzijn hebben, gelijk aan het maanbewustzijn van de mens. Zij bereiken het mensheidsstadium pas op de volgende planeet, de zon.

 

Hun werk is daarom hier nog tot op zekere hoogte onbewust, als in een droom. Zij activeren echter de werkzaamheid van de ‘zintuigkiemen’ uit de vorige kringloop. De lichtbeelden, die de ‘vuurgeesten’ voortbrengen schijnen door deze zintuigkiemen naar buiten. Daardoor worden de voorouders van de mens verheven tot een soort lichtende wezens. Terwijl het saturnusleven anders donker is, licht nu de mens op uit de algehele duisternis. De ‘geesten der persoonlijkheid’ daarentegen werden nog in deze algemene duisternis tot hun menselijk bestaan gewekt. Door lichtbronnen van de voorvaderen van de mens kunnen zij iets van hun wezen op de planeet neerstralen. Dit zijn verheven wezens uit de rij van vier, over wie eerder hierboven geschreven werd, dat zij in hun ontwikkeling reeds boven alle verbindingen met hun menselijk bestaan waren uitgegroeid. Zonder dat het voor henzelf op enigerlei wijze noodzakelijk is, stralen zij nu uit ‘vrijewil’ iets van hun natuur uit. De Christelijke occulte leer spreekt hier van de openbaring der Serafijnen (Seraphim), de ‘geesten van de allesomvattende liefde’.

 

Daarna begint het werk van die wezens, welke op deze trap een dof bewustzijn hebben, zoals de huidige mens heeft, als hij in een droomloze slaap verzinkt. Het zijn de ‘zonen van het schemerdonker’ de ‘geesten van de schemering’ zij bereiken hun mensheidstadium pas op de maan. Zowel zij als hun voorgangers, de vuurzonen, zijn op de aarde dus reeds boven het stadium van het mensendom uitgegroeid. Op de aarde zijn zij de hogere wezens, die in de Christelijke occulte leer ‘engelen’ worden genoemd (Angeloi) terwijl voor de vuur zonen het woord ‘aartsengelen’wordt gebruikt (Archangeloi). Deze zonen der bescherming ontwikkelen nu al in de al wat gevorderde voorvader van de mens een soort verstand, waar van deze echter bij zijn doffe bewustzijn nog geen gebruik kan maken. Door middel van dit verstand openbaren zich nu weer verheven wezens, zoals vroeger de Serafijnen zich openbaarden door de zintuigkiemen. Door middel van de mensenlichaam laten de geesten nu het verstand over de planeet uitstromen. Deze geesten heten in de Christelijke occulte leer ‘Cherubijnen’ (Cherubim)

 

Omstreeks het midden van de zevende saturnus kringloop begint er een nieuwe activiteit. De mens is zo ver dat hij onbewust kan werken aan zijn eigen stoffelijk lichaam. Door deze eigen activiteit schept de mens in de volledige dofheid van het saturnusbestaan in kiem de eerste aanleg voor de eigenlijke ‘geestmens’ welke kiem aan het einde van de mensheidsontwikkeling pas de volle ontplooiing zal bereiken. In de occulte literatuur noemt men dit ‘ATMA’, het is het hoogste deel van de zogenaamde monade van de mens.

Op zichzelf zou het in dit stadium volkomen dof en onbewust zijn. Maar zoals de Serafijnen en Cherubijnen uit vrije wil zich in de beide voorafgaande mensen-stadia openbaren, zo openbaren zich nu de Tronen, die wezens, welke geheel in het begin van het saturnusbestaan het mensenlichaam vanuit hun eigen wezen lieten uitstralen. De kiem aanleg voor de ‘geestmens’ (Atma) wordt geheel doordrongen van de kracht van de ‘geesten van de wil’ en behoudt dan deze gedurende alle volgende ontwikkelingsstadia. De mens met zijn doffe bewustzijn kan in dit stadium weliswaar nog niets van deze kiemaanleg bemerken; maar hij ontwikkelt zich verder, en later straalt deze kiemaanleg dan ook op voor zijn eigen bewustzijn. In de Chr.occulte wetenschap wordt gezegd, dat ‘in den beginne’ eerst de Serafijnen, Cherubijnen en Tronen zich openbaarden’ Hiermee is het verloop van saturnus, gevolgd tot aan het tijdstip waarop het saturnusleven, na een rustpauze, overgaat in het zonneleven.

 

1 Saturnus is de planeet waarop zich het meest doffe menselijke bewustzijn ontplooit (een diep trance bewustzijn) tegelijkertijd vormt zich de eerste aanleg van het fysieke mensenlichaam.

2 Deze ontwikkeling doorloopt zeven ondergeschikte stadia (kleinere kringlopen of ronden) In elk van deze stadia beginnen hogere geesten te werken aan de ontwikkeling van het mensenlichaam.

3 In de 4e kringloop verheffen de geesten der persoonlijkheid zich tot het mensheidsstadium.

4 Vanaf de 5e kringloop, openbaren zich de Serafijnen.

5 Vanaf de 6e kringloop, openbaren zich de Cherubijnen.

6 Vanaf de 7e kringloop, openbaren zich de Tronen.

7 Door de laatste openbaring ontstaat in de 7e kringloop, van de eerste planeet de aanleg voor de ‘geestmens’, voor ATMA.

 

1e kringloop, de geesten van de wil (Tronen)

2e kringloop, de geesten van de wijsheid (Heerschappijen)

3e kringloop, de geesten van de beweging (Machten)

4e kringloop, de geesten van de vorm (Krachten)

5e kringloop, de geesten der persoonlijkheid (Oerkrachten)

6e kringloop, de geesten van de zonen van het vuur (Aartsengelen)

7e kringloop, de geesten van de zonen van de schemering(Engelen)

 

Vanaf het midden van de 6e zonnekringloop, is de mens zelf zover, dat hij onbewust aan zijn fysieke lichaam kan werken. Door deze activiteit schept hij in de dofheid de eerste kiemaanleg van het levende geestwezen, dat men Levensgeest, (Buddhi) noemt.

 

Vanaf het midden van de 7e zonnekringloop treedt ook weer de reeds op saturnus aangelegde kiem van de geestesmens (Atma) te voorschijn. Deze verbindt zich met de Levensgeest (Buddhi) en zo ontstaat de van leven doordrongen monade (Atma-Buddhi) Beide verbinden zich met het ‘geestzelf’, zodat aan het einde van het gehele maantijdperk de ‘hogere mens’ is voorbereid. Deze verzinkt dan in een slaap gedurende en rustpauze (pralaya) om daarna op de Aarde planeet na herhaling van het saturnusbewustzijn  zijn ontwikkelingsweg te vervolgen.

 

 

 

Hierarchieen Robert Fludd

 

 

 

 

info

 

De hyperboreesche en het polaire tijdperk

 

Wanneer men in de aarde ontwikkeling nog verder terug gaat dan Saturnus-, Zon-, Maan-, aardefase, treft men ons hemellichaam in steeds fijnere stoffelijke toestanden aan. De stoffen die later vast geworden zijn, waren eerst vloeibaar, nog vroeger in de vorm van nevel en damp, en in een nog verder verleden waren ze in de meest fijne (etherische) toestand. Pas de afnemende warmte heeft het vastworden van de stoffen bewerkstelligd. Teruggaand in de tijd, waarin de stoffen van onze aarde woonplaats zich in de fijnste etherische toestand bevonden. In deze ontwikkelingsperiode verscheen de mens op aarde. Alleen op de onmiddelijke voorafgaande wereld was een astrale of zielewereld. De wezens van die wereld leidden geen uiterlijk (fysiek), lichamelijk bestaan. Ook de mens niet, Hij had reeds een beeldbewustzijn ontwikkeld. Hij had gevoelens en begeerten. Maar was besloten in een zielenlichaam! Deze astrale wezens zijn in zekere zin onze voorouders. De ziele-of astrale voorouders van de mens werden in de fijne of etheraarde geplaatst. Zij zogen als het ware de fijne stof in zich op. Door zich zo met de stof te doordringen vormden zij zich etherische lichamen. Deze hadden een langwerpige ecliptische vorm, maar door tere schakeringen in de stof waren ledematen en andere later te ontwikkelen organen reeds in aanleg aanwezig. Alles wat in deze massa gebeurde, was echter een zuiver fysisch-chemisch proces; alleen werd het door de ziel geregeld en beheerst.

 

info

 

Het leven op de zon

 

Op het grote wereldtijdperk van saturnus volgt het zonnetijdperk. Daartussen ligt een rustpauze (pralaya) in deze pauze neemt alles, wat zich van de mens op saturnus ontwikkelt heeft, een karakter aan, dat zich net zo verhoudt tot de later te vormen zonnemens, als het zaad zich verhoudt tot de plant, die eruit te voorschijn komt. De saturnusmens heeft als het ware zijn zaad achtergelaten, dat een soort slaaptoestand doormaakt, om zich daarna tot zonnemens te ontplooien. Deze zonnemens maakt nu op de zon zijn 2e bewustzijnsstadia door, dat gelijkt op de bewustzijns toestand waarin de mens thans verzinkt tijdens de rustige droomloze slaap.

 

De aanleg van het latere fysieke lichaam van de mens, die zich op saturnus geleidelijk heeft ontplooit, komt bij het begin van de zonnekringloop als een plant uit het zaad te voorschijn. Maar die aanleg blijft hier niet zoals hij vroeger was. Hij wordt doortrokken van een tweede fijnere maar opzichzelf krachtiger lichaam, het etherlichaam. Terwijl het saturnus lichaam van de mens een soort automaat was (zonder enig leven) veranderd het nu, dank zij het etherlichaam, dat het geleidelijk geheel doortrekt in een levend wezen. Daardoor wordt de mens een soort plant. Hij ziet er weliswaar niet als een plant uit als de plant van nu. In zijn vorm lijkt hij eerder al enigszins op de mens. Alleen is de aanleg van het hoofd zoals tegenwoordig de planten wortels, naar beneden gericht naar het middelpunt van de zon, en de voet aanleg is naar boven gericht, net als nu de bloem van de plant. Deze plant-mens- gestalte kan zich nog niet vrij bewegen. 

 

Als de vorm net zo zou blijven, als hij op saturnus was, zou hij namelijk geen etherlichaam kunnen opnemen.  Hij wordt zo gewijzigd, dat hij drager van dit lichaam kan worden. Gedurende de volgende zes kringlopen wordt het etherlichaam steeds meer uitgewerkt en doordat de krachten hiervan op het fysieke lichaam werken, krijgt ook dit langzamerhand een steeds volmaaktere vorm. De verandering, die zich daar aan de mens voltrekt, worden bewerkstelligd door de geesten, die samen met de mens reeds bij de bespreking van de saturnus ontwikkeling zijn genoemd.

 

Die geesten, die ‘stralend leven’ of ‘vlammen’ heten, (in de Chr.occulte wetenschap worden zij ‘TRONEN’ genoemd) Zijn daar niet meer bij betrokken. Zij deden hun arbeid tijdens de 1e helft van de 1e saturnus kringloop. Wat er gedurende de eerste zonnekringloop valt waar te nemen, is het werk van de ‘geesten der wijsheid’ (heerschappijen of Kyriotetes i.d. Chr.occ.leer) Zij grepen ook in, in de eerste saturnuskringloop in de ontwikkeling van de mens. Nu zetten zij gedurende de eerste helft van de zonnekringloop hun werk voort, door de van wijsheid vervulde opbouw van het fysieke lichaam in op een volgende ontwikkelingsstadia te herhalen. Iets later komt daar het werk van de ‘geesten der beweging’ ( Chr.occ.leer Dynamis, in de theosofische literatuur; Mahat) Daardoor wordt de periode van de saturnuskringloop herhaald. Dit lichaam ontplooit dus wee zijn beweeglijkheid.

 

Net zo herhalen achtereenvolgens de ‘geesten van de vorm’ (Exusiai), de ‘geesten der duisternis’ ( Archai), dan de ‘zonen van het vuur’ (Aartsengelen) en tenslotte de ‘geesten der schemering’ (Engelen) hun werk. Hiermee zijn de zes kleinere perioden van de eerste zonneloop gekarakteriseerd. In de 7e van die kleine perioden, grijpen dan opnieuw de ‘geesten van de wijsheid’ in (Heerschappijen) Nu schenken ze aan de beweeglijk geworden ledematen de mogelijkheid om zich zinvol te bewegen. De beweging wordt een uitdrukking van innerlijke wijsheid.

 

1 Daarmee is de 1e zonnekringloop voltooid. Waarin de ontwikkelingsstadia van saturnus met betrekking tot het fysiekelichaam in enigszins gewijzigde vorm herhaald.

2 op het einde van de zonnekringloop, volgt er na een rustpauze (Pralaya) de tweede, die de ‘geesten van de wijsheid’ het etherlichaam uitstromen.

3 In het midden van de tweede kringloop beginnen de ‘geesten van de beweging’ aan dit lichaam te werken.

4 In het midden van de derde kringloop beginnen de ‘geesten van de vorm’ met hun werk aan het etherlichaam.

5 Vanaf het midden van de vierde kringloop ontvangt dit lichaam het eigen zelf, door de ‘geesten der persoonlijkheid’.

6 Het fysieke lichaam is intussen door de reeds vroeger hierop werkende krachten zover gevorderd, dat de ‘geesten van het vuur’ zich vanaf de vierde kringloop door middel van dit lichaam tot het mensdom kunnen verheffen.

7 De ‘geesten van het vuur’, die vroeger het mensheids stadium hebben doorlopen, nemen in het midden van de vijfde kringloop het werk aan het etherlichaam over. In het fysieke lichaam werken in die tijd de ‘zonen van het vuur’.

8 Omstreeks het midden van de zesde kringloop gaat het werk aan het etherlichaam over op de ‘zonen der schemering’ het fysieke lichaam wordt door de mens zelf bewerkt.

9 in het midden van de zevende kringloop is de van leven doordrongen monade ontstaan.

 

Vanaf het midden van de zevende zonnekringloop treedt ook weer de reeds op saturnus aangelegde kiem van de geestesmens (ATMA) te voorschijn. Deze verbindt zich met de levensgeest (BUDDHI) en zo ontstaat de van leven doordrongen MONADE (ATMA-BUDDHI)

 

info

 

Het leven op de maan   

 

In het wereldtijdperk van de maan, dat op het zonnetijdperk volgt, ontwikkelt de mens de derde van de zeven bewustzijnstoestanden.

Hier volgt een overzichtelijk schema van de ontwikkeling van de maanplaneet en de daarbij behorende wezens.

1- De maan is de planeet, waarop de mens het beeld bewustzijn met zijn zinnebeeldig (symbolisch) karakter ontwikkelt. Namelijk met de van dromen vervulde slaap. De overeenkomst bestaat daarin, dat zowel bij het maan- als ook bij het droombewustzijn in het innerlijk van het wezen beelden opstijgen, die in een bepaalde verhouding staan tot dingen en wezens in de buiten wereld. In de droombeelden klinken nu de belevenissen van de dag na, in een symbolische uitdrukking.

2- Tijdens de beide eerste kringlopen, wordt de maanontwikkeling van de mens voorbereid in een soort herhaling van de gebeurtenissen op Saturnus en zon.

3- in de derde kringloop ontstaat het menselijk astrale lichaam, als volgt van een instroming van de geesten der beweging. De ‘geesten van beweging’ doen het astrale vanuit hun eigen natuur in het mensen lichaam binnenstromen.

4- gelijktijdig hiermee scheidt de maan zich af van het weer ontwaakte onverdeelde zonnelichaam en begint om het overgebleven gedeelte van de zon te cirkelen. De ontwikkeling van de mens met de verbonden wezens heeft nu op de maan plaats.

5- in de vierde kringloop bewonen de ‘geesten der schemering’ het fysieke mensenlichaam en verheffen zich daardoor tot het mensheidsstadium.

6- de geesten der persoonlijkheid prenten het zich vormende astrale lichaam de zelfstandigheid in.

7- In de vijfde kringloop begint de mens bij dof bewustzijn aan zijn fysieke lichaam te werken. Daardoor wordt aan de reeds eerder aanwezige monade het ‘geestzelf’ (MANAS) toegevoegd.

8- In het etherlichaam van de mens ontwikkelt zich gedurende het maanbestaan een soort lust en leed, die een passief karakter dragen. In het astrale lichaam ontplooien zich daarentegen affecten als toorn en haat, instincten en hartstochten etc.

9- Bij de twee vroegere rijken, het planten en het mineraalrijk, die worden afgestoten naar een lagere trap, voegt zich het dierenrijk, waarin de mens nu zelf bevindt.

Tegen het eind van dit gehele wereld tijdperk, komt de maan steeds dichter bij de zon, en als de tijd van de rust (Pralaya) intreedt, hebben beide zich weer tot één geheel verenigd. Dit geheel verzinkt dan in een slaaptoestand om in een nieuw tijdperk, -het tijdperk van de aarde- opnieuw te ontwaken.

 

info

 

Het leven op de Aarde

 

In het voorafgaande is uiteengezet, hoe zich de lagere mensennatuur gevormd heeft. Zij bestaat uit: het fysieke lichaam, het etherlichaam en het astraallichaam. Ook werd beschreven, hoe steeds wanneer er een nieuw lichaam bij komt, de oude zich moet omvormen om als dragers en werktuigen van het later gevormde lichaam te kunnen dienen. Met deze vooruitgang gaat ook een vooruitgang van het menselijk bewustzijn gepaard. Zolang de lagere mens alleen maar een fysiek lichaam heeft, bezit hij nog slechts een zeer dof bewustzijn dat nog niet eens gelijk staat met de droomloze slaap van tegenwoordig.

 

In de tijd waarin het etherlichaam verschijnt verwerft de mens het bewustzijn, dat hij thans in de droomloze slaap bezit. Met de vorming van het astraallichaam, begint het schemerig bewustzijn dat lijkt op het bewustzijn, dat de huidige mens heeft, wanneer hij droomt, maar dat er niet aan gelijk is.

 

Wanneer nu de vierde, tegenwoordige bewustzijnstoestand wordt beschreven, namelijk die van de aarde mens, zien we dat deze ten tijde van het vierde grote tijdperk zich ontwikkelt, het tijdperk van de aarde, dat volgt op die van saturnus, zon en maan.

 

Op saturnus heeft het fysieke lichaam zich in verschillende stadia ontwikkeld. Echter zou het nog niet in staat zijn het etherlichaam te dragen. Dit is er ook pas tijdens de zonnetijdperk bijgekomen. Daarbij werd tevens in de opeenvolgende zonnekringlopen, het fysieke lichaam zo omgevormd, dat het etherlichaam zowel daarin kon worden meegedragen, als daarin kon werken. Tijdens de maanontwikkeling werd het astraallichaam toegevoegd; en ook nu zoals in vorige stadia het geval was werd het fysieklichaam zo gewijzigd dat het geschikte drager en werktuigen voor het verschenen ether- en astraallichaamlichaam kon zijn. Met het etherische lichaam werd het lichaam in staat gesteld genot en leed te ondervinden. Met het astraallichaam affecten als toorn, haat en liefde etc. Zo hebben op de maan de geesten der schemering het etherlichaam het vermogen geschonken lust en leed gevoelens te ondergaan; de vuurgeesten hebben het astraallichaam de affecten ingeplant.

 

Op saturnus heeft het fysieke mensenlichaam zich in verschillende stadia ontwikkeld. Tegelijkertijd voltrekt zich gedurende de grote kringlopen op Saturnus, zon en maan, nog iets anders. Tijdens de laatste saturnus kringloop werd met behulp van de geesten van de wil, de ‘geestmens’ (ATMA) gevormd. Tijdens de voorlaatste kringloop van de zon werd met steun van de Cherubijnen hieraan de ‘levensgeest’ (Buddhi) toegevoegd. En tijdens de vijfde maankringloop, heeft door hulp van de Serafijnen het geestzelf (MANAS) zich met beide verenigd. De mens is dus tijdens deze drie grote kringlopen ontstaan uit tweeërlei oorsprong; een lagere mens, bestaand uit een fysieklichaam, etherlichaam en astraallichaam, en een hogere mens, bestaande uit geestesmens (ATMA), levensgeest (BUDDHI) en geestzelf (MANAS). De lagere en hogere mensennatuur gingen aanvankelijk gescheiden wegen. Het is de bestemming van de aarde ontwikkeling, om de uit tweeërlei oorsprong voortgekomen mens tot een geheel te maken.

 

Voorlopig gaat de maan, met alles wat bij haar behoort, na de zevende kleine kringloop nog in een soort slaaptoestand (Prayala) over. Daardoor wordt bij wijze van spreken alles zonder onderscheid tot één massa dooreen- gemengd. Ook de zon en de maan, die in de laatste grote kringloop gescheiden waren, smelten weer samen tijdens de laatste maankringlopen.

 

Wanneer nu alles weer uit de slaaptoestand te voorschijn komt worden tijdens de 1e kleine aarde kringloop, de saturnus toestand herhaald. In de 2e kleine kringloop de zonne toestand, en in de 3e kleine kringloop de maan toestand. De lagere mens staat daar als wezen tussen de tegenwoordige mens en het dier, de planten staan midden tussen de tegenwoordige dieren en planten.

 

Nu wordt het anders Tronen, Cherubijnen en Serafijnen, stijgen naar hogere sferen, en daarvoor in de plaats krijgt de geestelijke mens de steun van de ‘geesten van de wijsheid, de beweging en de vorm’ Deze zijn thans verenigd met ‘geestzelf, levensgeest en geestesmens’ (met Manas, Buddhi, Atma)

Met behulp van deze wezens brengt het gekarakteriseerde menselijke krachtwezen tijdens de tweede helft van de derde aarde kringloop zijn fysieke lichaam tot ontwikkeling. De ‘geesten van de vorm’ hebben daarbij het belangrijkste aandeel. In het astrale lichaam van de achter gebleven dierlijke wezens blijven uitsluitend de vuurgeesten werkzaam, in het etherlichaam van de planten de geesten van de schemering. De geesten van de vorm werken mee aan de omvorming van het mineraalrijk. Zij zijn de geesten, die dit rijk verharden dus het onbeweeglijke, vaste vormen inprenten.

 

Nadat dit alles heeft voltrokken, smelten wederom alle wezens ook zon en maan, tegen het einde van de derde aarde kringloop weer samen en verzinken in een korte slaap toestand (Prayala) Alles is dan weer een onherkenbare massa; en aan het eind daarvan begint de 4e aarde kringloop, waarin wij ons tegenwoordig bevinden.

 

Allereerst begint alles wat reeds eerder als wezen in het mineraal, planten-, dieren-, en mensenrijk voor hande was, zich in kiemtoestand vanuit de onherkenbare massa af te scheiden. Als zelfstandige kiemen kunnen in het begin alleen de voorouders van de mens weer te voorschijn treden, aan wier hoger astrale lichaam de ‘geesten der persoonlijkheid’ hebben gewerkt in de vorige kleine kringloop. De andere wezens van het mineraal-, planten-, en dierenrijk leiden hier nog geen zelfstandig bestaan (want op deze trap is alles nog in die hoog geestelijke toestand, die men als de ‘vormloze’ of Arupa toestand aanduidt.

 

Al het andere kan slechts aan de dag treden als werkzaamheid in een hoger wezen. Zo bestaan de dieren eerst als bewustzijnstoestanden van de ‘geesten van het vuur, de planten als bewustzijnstoestanden van de ‘geesten van de schemering’ De mineralen hebben echter een dubbel gedachtebestaan. Allereerst bestaan ze als gedachtekiemen in de voorvaderen van de mens en dan als gedachten in het bewustzijn van de ‘geesten van de vorm’ Ook de hogere mens (geestesmens, levensgeest, geestzelf) bestaat in het bewustzijn van de ‘geesten van de vorm.

 

Alles ondergaat nu trapsgewijs een verdichting. De dieren kunnen als dieren te voorschijn treden ondanks de geringe dichtheid. Zij maken zich los uit het bewustzijn van de ‘vuurgeesten’ en worden zelfstandige gedachten wezens. Men noemt dit stadium van de ‘gevormde’ of Rupa-toestand. De mens gaat in zoverre voor uit, dat zijn vroeger omgevormde, zelfstandig gedachten lichaam door de ‘geesten van de vorm’ gehuld wordt in een lichaam, Dat uit grover gevormde gedachtestof bestaat. De dieren bestaan hier als zelfstandig wezen uitsluitend uit deze stof.  

 

info

 

De aarde en haar toekomst

 

De 4e hoofdfase van de menselijke ontwikkeling, wordt op aarde beleefd. Het is die bewustzijnstoestand, waarin de mens zich thans bevindt. Voordat hij echter zo ver gekomen is, heeft hij en heeft de gehele aarde met hem eerst in drie kleinere kringlopen (de zogenaamde ‘ronden’ uit de occulte literatuur) achtereenvolgens de Saturnus-, Zonne-, en de Maan toestand moeten herhalen. Thans leeft de mens in de vierde aarde-kringloop en is reeds een stuk over het midden van deze kringloop heen.

 

Deze 4e fase van de menselijke ontwikkeling wordt gekenmerkt door het ‘voorwerpbewustzijn’. Een waarnemer van de buitenwereld, van voorwerpen, kleuren en klanken, door de ontwikkeling van de zintuigen.

 

De wereld van klanken etc. die de mens vroeger in zijn innerlijk heeft waargenomen, treedt hem gedurende zijn aardeleven buiten in de ruimte tegemoet. In zijn innerlijk treedt hem een nieuwe wereld te voorschijn ‘de voorstellings of gedachtenwereld’.

Pas wanneer de mens die zich voorstellingen maakt, kan zich een herinnering vormen aan wat hij heeft waargenomen. En de denkende mens komt er pas aan toe wanneer hij zich als een zelfstandig, zelfbewust wezen van zijn omgeving te onderscheiden, zichzelf als een “Ik” te leert kennen. 

Deze voorgaande stadia waren dus trappen van bewustzijn. Het 4e stadia is dus niet alleen maar bewustzijn, maar zelfbewustzijn.

 

Binnen in het huidige zelfbewustzijn, binnen het gedachten leven is de aanleg voor nog hogere bewustzijnstoestanden. Deze zal de mens moeten doorleven op de volgende planeet waarin de aarde zich na haar tegenwoordige gestalte zal veranderen.

 

 info

 

De vierledige mens

 

In deze beschrijving, wordt uitgegaan van de mens zoals deze thans op aarde leeft. Hij bestaat uit het fysieklichaam, het etherlichaam, of levenslichaam, het astraal lichaam en het ‘Ik’. Deze vierledige natuur van de mens draagt de kiemen in zich naar een hogere ontwikkeling. Door de kracht van het ‘Ik’ worden de lagere lichamen omgevormd en toegerust met hogere delen van de mensennatuur. Doordat het ‘ik’ het astrale lichaam veredelt en loutert, ontstaat het ‘geestzelf (Manas) het veranderen van het etherlichaam of levenslichaam doet de ‘levensgeest (Buddhi) ontstaan en de omvorming van het fysieklichaam de eigenlijke ‘geestmens’ (Atma) De omvorming van het astrale lichaam is in het tegenwoordige tijdperk van de aarde ontwikkeling in volle gang. Het bewuste omvormen van ether-, en het fysieklichaam hoort bij latere tijden, alleen bij ingewijden (de occulte onderzoekers en hun leerlingen) heeft het reeds ingezet. Deze drievoudige metamorfose van de mens voltrekt zich bewust; voorafgegaan van een onbewustzijn.

 

info

 

 

De aarde- en mensheidsevolutie

door Jan Vermeir

 

In verschillende van zijn werken beschrijft Rudolf Steiner, telkens vanuit een ander oogpunt, de evolutie van de aarde en de mensheid, vanaf het eerste ontstaan tot aan het einde van de aarde-evolutie. Men kan zich afvragen of er vóór het aardebegin dan iets was en of er na het einde iets zal zijn.
Altijd is er iets, maar vóór het begin en na het einde van onze aardetijd komt men terecht in totaal andere werelden die in niets te vergelijken zijn met onze aardetijd. Met het aardebegin is immers de tijd begonnen, de evolutie; ervoor was er wat men zou kunnen omschrijven als eeuwigdurende rust. Het is trouwens zinloos om zich dergelijke vragen te stellen, omdat de geesteswetenschap op alles antwoordt wat nodig is om onze bestemming hier op aarde te volbrengen. Wil men hierover toch nog vragen stellen, dan licht Rudolf Steiner deze vraagstelling toe met een vergelijking: " Wanneer men ergens op een weg sporen aantreft, kan men vragen: waardoor zijn die ontstaan ? Het antwoord kan luiden: door een wagen. Men kan verder vragen: vanwaar kwam die wagen, waar ging hij heen ? Weer is een gegrond antwoord mogelijk. Men kan nog verder vragen: wie zat er in die wagen, waarom maakte hij van die wagen gebruik, wat voor plannen had hij ... ? U ziet, wie verder blijft vragen, wijkt van de bedoeling van de oorspronkelijke vraagstelling af."

Er zal hier nu in het kort (niet alles kan vermeld en toegelicht worden) een beschrijving volgen van de aarde- en mensheidsontwikkeling.

De aarde maakt evenals de afzonderlijke mens verschillende incarnaties door; betreffende de aarde kan men in de plaats van incarnaties beter spreken over "planetaire ontwikkelingsstadia". Men telt zeven dergelijke stadia: aan onze huidige ontwikkelingsfase zijn drie stadia voorafgegaan: Saturnus, Zon en Maan, ons huidige stadium wordt Aarde genoemd, en in de toekomst zullen er nog drie volgen: Jupiter, Venus en Vulcanus*. Men moet zich goed voor ogen houden dat de verderaf liggende ontwikkelingstoestanden steeds minder overeenkomst vertonen met de tegenwoordige; zo kan de eerste, de Saturnusontwikkeling, en de laatste, de Vulcanusontwikkeling, op geen enkele manier nog vergeleken worden met de onze.

 

Het Saturnustijdperk

Op een gegeven moment (dit woord past eigenlijk niet aangezien de tijd nog niet bestond) in de eeuwigheid gebeurde er iets waardoor de evolutie een aanvang nam. De tijd ontstond doordat bepaalde hoge geestelijke wezens, de zgn. "Geesten van de Wil", zichzelf uitspraken in het heelal. In het Evangelie volgens Johannes wordt dit als volgt verwoord: "In het oerbegin was het Scheppende Woord en het Woord was bij God en het Woord was God; dit was in het oerbegin bij God." Nadat dit uitspreken door de Geesten van de Wil een tijdlang geduurd had, begonnen andere geestelijke wezens, de Geesten van de Wijsheid, op die uitgestroomde wil, die aanvankelijk chaotisch was, in te werken, zodat er een zekere orde en differentiatie in die wil begon op te treden. Op die manier ontstonden de afzonderlijke mensenkiemen. Nadien grepen nog andere geestelijke wezens (die hier niet nader zullen vermeld worden) in waardoor in die mensenkiemen de aanleg ontstond van wat later de zintuigen zoals ogen, oren, strottenhoofd zouden worden. Ook de mensenkiemen zelf werkten mee aan hun eigen ontwikkeling, maar zij waren zich hiervan in het geheel niet bewust: als een automaat en in een diep trancebewustzijn voerden zij bij zichzelf uit wat door de hogere wezens bepaald werd. Met onze ogen zouden wij niets van die saturnusmassa kunnen merken, alleen de aanleg tot het fysieke was er. Saturnus was niet meer dan een massa van ongelijkmatige, gedifferentieerde warmte, afkomstig van de afzonderlijke mensenkiemen. Die warmtetoestand werd niet teweeggebracht door uitwendige omstandigheden, zij was louter psychisch, innerlijk. Nu heeft de vroegere saturnuswarmte zich in het menselijk lichaam naar binnen gekeerd en kunnen wij ze waarnemen in de warmte van ons bloed. Op het einde van elke planetaire ontwikkeling, en dus ook na de saturnusfase, treedt een rustpauze (pralaya) in totdat een andere ontwikkelingsfase uit het wereldduister tevoorschijn treedt. Dit betekent echter niet dat de wereldontwikkeling tijdens dergelijke rustpauzen zou stilstaan; integendeel, juist gedurende die rustpauzen stijgen de goddelijke wezens op naar een hogere vorm van ontwikkeling en oefenen daar -onder andere omstandigheden- de grootste activiteit uit om de volgende evolutieperiode voor te bereiden.

Zonnetijdperk

 

Op het saturnustijdperk volgt het zonnetijdperk. Gedurende dit stadium moet eerst de saturnusontwikkeling -in een enigszins gewijzigde vorm- herhaald worden om het in aanleg gevormde mensenlichaam in staat te stellen zich aan te passen aan de nieuwe levensvormen. De warmtetoestand die op saturnus heerste verdicht zich op de Zon tot een gasvormige of luchtachtige atmosfeer; de Zon begint ook op te lichten in het wereldruim. In de fysieke mensenkiem die tijdens het saturnustijdperk ontstond, voegt zich met de hulp van geestelijke wezens nu het etherlichaam (of levenslichaam) in. Het etherlichaam legt de basis voor de latere klieren, de stofwisselings- en voortplantingsorganen. Ook de tegenwoordige planten hebben een etherlichaam, en daarom kan de bewustzijnstoestand van de mens op de toenmalige Zon enigszins vergeleken worden met die van een plant: een diep, droomloos bewustzijn zoals dat zich bij de huidige mens voordoet tijdens de droomloze slaap.

 

Maantijdperk

Na het zonnetijdperk volgt weer een rusttoestand, waarna een nieuwe ontwikkelingsfase uit het wereldduister opduikt: die van de maan. Opnieuw wordt eerst de saturnus- en Zonnetoestand in aangepaste vorm herhaald om nieuwe levensontwikkelingen mogelijk te maken. Op de Maan evolueert de luchtatmosfeer van de Zon tot een waterachtige substantie. Naast het bestaande fysieke en etherlichaam wordt nu bij de mens -steeds onder leiding van hogere wezens- het astrale lichaam ingevoegd, en dit ligt aan de basis van het latere zenuwstelsel van de mens. Zelfbewustzijn bezit de mens nog niet, maar door het verwerven van een astraal lichaam kan hij nu gewaarwordingen van lust en onlust ondergaan. De bewustzijnstoestand van de mens tijdens de maanfase wordt het beeldbewustzijn genoemd. Het kan vergeleken worden met de droombeelden die wij nu gedurende onze slaap meemaken. Terwijl onze droombeelden echter slechts vervormde reminiscenties zijn van uiterlijke en innerlijke belevenissen, was het beeldbewustzijn op de Maan veel reëler, het gaf de werkelijke levenstoestanden weer van het verkeer tussen de mensen en de geestelijke wezens.

 

Het aardetijdperk

Na de maanfase is er opnieuw een rusttoestand en daarna komt onze tegenwoordige planetaire ontwikkeling, de Aarde. In deze fase bekomt de mens zijn zelfstandigheid. Hij kan bewust denken, voelen en handelen zodat de huidige bewustzijnstoestand kan omschreven worden als het heldere waakbewustzijn. Vooraleer verder in te gaan op de aarde-ontwikkeling zullen we eerst nog in het kort de reeds als aanleg in de mens aanwezige bewustzijnstoestanden van de drie toekomstige planetaire incarnaties aanduiden.

 

Het jupitertijdperk

Het beeldbewustzijn van de aan wordt gevoegd bij het helder waakbewustzijn dat de mens zich op Aarde verworven heeft, en uit die combinatie ontstaat het zelfbewust beeldbewustzijn: het zelfbewuste Ik verbindt zich met het eigen geestwezen (Geestzelf). Binnen in de ziel zal de mens in imaginaties, in beelden, bewust zijn eigen wezen en andere wezens waarnemen. Hij zal de aard en werking schouwen van de wezens die achter het zintuiglijk waarneembare staan. Van de dood in de tegenwoordige betekenis van het woord zal; dan geen sprake meer zijn, want de materie kan dan geen belemmering meer vormen om in de geestelijke wereld te zien. Dan ook zullen wij onze opeenvolgende incarnaties en die van anderen kunnen aanschouwen.

 

Het venus-tijdperk

Op venus wordt bij de bovengenoemde toestand nog het aanvankelijk droomloze levensbewustzijn van de zon gevoegd, dat door deze combinatie echter gemetamorfoseerd wordt tot bewust leven; de Ik-geest doorziet zijn eigen levensbestaan (levensgeest). Als in een inspiratie neemt de mens niet alleen waar, maar doorziet hij ook het ganse innerlijke karakter van zijn eigen ziel en van die van andere wezens.

 

Het vulcanus-tijdperk

Dit is de zevende en laatste planetaire toestand die nog tot de algemene aarde-ontwikkeling kan gerekend worden. Hierna zal de mensheid overgaan naar een andere, hogere vorm in het wereldbestaan. De bewustzijnstoestand die de mens op vulcanus zal bereikt hebben wordt het spiritueel bewustzijn genoemd. Ofschoon hij volkomen individueel blijft, zal hij één zijn met alle schepsels en wezens, met het ganse heelal, de mens wordt dan zelf geest (geestmens). Hij zal dan zelf scheppend in het wereldgebeuren kunnen optreden, hij zal dan op hetzelfde niveau staan als de "Geesten van de Wil" tijdens het saturnustijdperk.

 

We gaan nu verder in op het aardetijdperk.
Zoals wij gezien hebben verloopt de aarde-evolutie in zeven planetaire ontwikkelingsstadia, en parallel daarmee gaat de menselijke ontwikkeling doorheen zeven verschillende bewustzijnstoestanden: vorming van - het fysiek lichaam op saturnus
- het etherlichaam op de zon
- het astraal lichaam op de maan
- het Ik op de aarde
- het geestzelf op jupiter
- de levensgeest op venus
- de geestmens op vulcanus.

 

In de mens werd -respectievelijk op saturnus, Zon en Maan- reeds de basis gelegd voor de geestmens, de levensgeest en het geestzelf, maar dit was uitsluitend het werk van hoge geestelijke wezens. Op Aarde krijgt de mens zijn Ik, en zo kan hij zelfstandig een begin maken met de omvorming van het astraal lichaam tot geestzelf, van het etherlichaam tot levensgeest en van het fysieke lichaam tot geestmens; op Jupiter, venus en vulcanus zullen de drie hoogste wezensdelen van de mens dan tot hun hoogste ontplooiing gekomen zijn (zie hierover o.a. De Brug 10). Iedere bewustzijnstoestand is onderverdeeld in eenzelfde aantal onderverdelingen die elkaar in de tijd opvolgen, levensniveau's. Wat de aarde betreft vallen deze levensniveau's samen met de zeven rijken: het eerste, tweede en derde elementaire rijk, het minerale rijk, het plantenrijk, het dierenrijk en het mensenrijk. De drie elementaire rijken zijn onder gewijzigde vorm herhalingen van het saturnus-, zonne- en maantijdperk. Wij hebben gezien dat op saturnus het warmte-element heerste, op de Zon het luchtachtige en op de Maan het waterachtige, en analoog hiermee is voor het eerste elementaire rijk "warmte" kenmerkend, voor het tweede "lucht" en voor het derde "water". De huidige wetenschap beschouwt water, lucht en vuur als fysische componenten van de materie; in de elementaire rijken is de "materie" echter zo ijl dat ze immaterieel is. Dan volgt het minerale rijk, en daarin leven wij. Wij zijn van mening dat de mens in het mensenrijk leeft, maar in occulte zin is dat niet juist. Weliswaar zijn wij wezens, begaafd met een Ik-bewustzijn, maar heden ten dage zijn wij nog niet in staat om het planten-, dieren-, of mensenrijk te doorzien. Nu kunnen wij slechts het minerale begrijpen, met behulp van de krachten uit dit rijk kunnen wij de materie analyseren en omvormen, en het is daarom dat wij vanuit occult oogpunt in het minerale rijk leven. Wanneer de mens ooit leert doorzien welke krachten de plant doen groeien, wanneer hij zal begrijpen wat een dier kan voelen en wanneer hij de ziel van de mens volledig zal doorschouwen, dan zal hij opklimmen tot het planten-, dieren- en mensenrijk.

 

Ieder levensniveau moet op zijn beurt zeven vormfasen doorlopen, zo ook het minerale levensniveau waarin wij ons bevinden. In de vormfasen van het minerale rijk onderscheidt men achtereenvolgens: de geestelijke wereld, de astrale wereld, de etherwereld, de fysieke wereld (de onze), en daarna de naar hoger niveau geëvolueerde astrale, ether- en geestelijke wereld. De termen "fysiek" en "mineraal" moet men goed uit elkaar houden. Volgens de gangbare rede is iets wat mineraal is, bvb. een kristal of een steen, een onderdeel van de fysieke wereld. Vanuit occult standpunt is het fysieke eigenlijk een onderdeel van het minerale rijk, want het minerale rijk doorloopt alle vormfasen, vanaf het geestelijke naar het fysieke en dan terug naar het geestelijke. Het minerale rijk doorloopt de eerste vormfase in de geestelijke wereld en manifesteert zich daar in de vorm van de hoogste menselijke gedachten, zoals hoge morele idealen en mathematische ideeën. Dan daalt het af naar de astrale fase waar de wereld van de rede, van de gedachte heerst, en vervolgens naar de etherwereld waar zich droombeelden van het fysieke leven beginnen te vormen. Tenslotte verdicht het minerale rijk zich tot het fysieke, de toestand waarin wij heden ten dage leven.

 

Wanneer het fysieke zich zal oplossen, zal het minerale rijk overgaan naar een hogere etherische vormfase. Nog is de onderverdeling niet afgelopen. Iedere vormfase moet namelijk doorheen zeven tijdvakken. De tijdvakken van de vormfase waarin wij leven, de fysieke, noemt men: het Polaire tijdvak, Hyperborea, Lemurië, Atlantis, ons tegenwoordig tijdvak (het Arische), het tijdvak van de Zegels, en tenslotte dat van de Bazuinen (zoals die twee laatste in het Boek der Openbaring genoemd worden). Uit een geestelijke toestand verdichtte de Aarde zich langzaam tot stoffelijkheid. Aanvankelijk was alles nog zeer ijl, er bestond slechts een soort lucht en chemische elementen, en in die substantie prentte de mens -zijn ziel was nog in het geestelijke- een afdruk van zijn wezen.

 

Aarde, zon en maan (hier worden de hemellichamen van het tegenwoordig planetenstelsel bedoeld) waren toen nog als in een soort oernevel één geheel. Dit stelsel was echter niet bruikbaar voor een hogere ontwikkeling. Alles ging veel te snel voor de mens, en was dit stelsel gehandhaafd gebleven, dan zouden wij vandaag geboren worden en morgen grijsaards zijn. Anderzijds waren er wezens die dit snelle ontwikkelingstempo wél nodig hadden, en die maakten zich los van de Aarde en namen de lichtste materie mee. Zo is onze huidige zon ontstaan. Door het uittreden van de zonnematerie nam de warmte af en daardoor begonnen de stoffen een vaste vorm aan te nemen. Zo verdichtten de Aarde en de mens zich geleidelijk aan; de verdichting gebeurde echter zo sterk dat alles veel te grove vormen begon aan te nemen.

 

Er moest daarom nog iets gebeuren opdat een normale ontwikkeling zou kunnen tot stand komen: de aarde stootte haar grofste materie en de erbij horende wezens af, en dat werd wat wij nu de maan noemen. Het uittreden van de zon en de maan bracht grote veranderingen teweeg in het menselijk lichaams- en ziele-organisme. De mens werd gescheiden van de geestelijke wezens die voordien zijn bestaan regelden; die wezens huizen thans op de zon en op de maan. De mens was dus verplicht zich te richten naar de buitenwereld en langzaam aan begon hij zijn eigen wezen te onderscheiden van de dingen om hem heen. Zo ontstond het zelfbewustzijn of het Ik, en tegelijk hiermee ook het fysiek equivalent ervan: de mens ontwikkelde zijn eigen warmtebron, het bloed. De ziel kwam echter ook onder de invloed van de verleidingen van de stoffelijke wereld, en daarmee werd de menselijke willekeur in het leven geroepen, of de eerste aanzet tot "goed" en "kwaad". Voorheen was de mensenziel tweeslachtig, want zij bezat zowel mannelijke als vrouwelijke eigenschappen.

 

Maar toen de aarde zich tot stoffelijkheid verdicht had, moest de ziel zich voegen naar de wetten van de materie, en die wetten hebben ertoe geleid dat het mensenlichaam een eenzijdige gestalte heeft gekregen. Aldus kwam de scheiding der geslachten tot stand. Dit gebeuren getuigt evenwel van een diepe wijsheid in de wereld: vanaf dan was het de ziel niet meer mogelijk haar ganse innerlijke voortplantingskracht te verbruiken; een gedeelte daarvan (voor de man de vrouwelijke, en voor de vrouw de mannelijke voortplantingskracht) kon niet meer naar buiten treden en kwam aldus vrij voor het vormen van andere organen. Met die krachten werden de hersenen gevormd en zo deed het denken, de rede zijn intrede in de wereld.

 

De vorming van de eerste fysische materie ligt al in een oerver verleden en de voorbije tijdvakken strekken zich dan ook uit over zeer lange tijdsperioden. De Atlantische periode bvb., het tijdvak waarin de basis gelegd werd voor ons logisch denken, duurde ongeveer een miljoen jaar. Wij bevinden ons nu in het vijfde tijdvak, dat ongeveer 10.000 jaar geleden begon, na de grote Atlantische overstroming (de zondvloed uit het Oude Testament), en wij zijn momenteel over de helft ervan. Nu kan men de vraag stellen of dat wel kan: het Atlantische tijdvak heeft een miljoen jaren geduurd, en het onze maximaal 20.000 jaar, aangezien dit pas 10.000 jaar geleden begon en wij al over de helft ervan zijn. Men moet echter niet de tijdsduren beschouwen, maar bedenken dat er sprongen in de evolutie kunnen gemaakt worden. Zoals de knop van een plant misschien een winter lang nodig heeft gehad om zich in de plant te ontwikkelen en op een morgen als het ware uit het niets ontspruit, zo moet men zich ook voorstellen hoe het zelfbewustzijn dat al zeer lang voorbereid werd, in onze tijd ineens tot zijn volle ontplooiing komt.

 

Tenslotte is elk tijdvak nog eens onderverdeeld in zeven cultuurperioden. In ons tijdvak zijn vier ervan reeds voorbij: de oud-Indische, de oud-Perzische, de Egyptisch-Babylonische, en de Grieks-Romeinse cultuurperiode; wijzelf leven in de vijfde cultuurperiode, en na de onze komt nog de Russische en de Amerikaanse cultuurperiode. Ons tijdvak moet de denkkracht tot volledige ontplooiing brengen, ten dienste van het zelfbewustzijn, want alleen een wezen dat kan denken is zich van zichzelf bewust en ook van andere wezens. In het Boek der Openbaring worden de cultuurperiodes uitgebeeld door de "zeven gemeenten". De volgende cultuurperiode, de zesde, wordt er de gemeente van Philadelphia genoemd, de gemeente van de broederliefde. Door het denken moeten wij zo ver komen dat wij bewust worden van onze medebroeders, en in de zesde cultuurperiode zullen een aantal mensen dit principe in hoge mate toepassen; die mensen zullen de kiem vormen voor de verdere evolutie. Hiertoe is het echter noodzakelijk dat het denken levend wordt; men moet leren om met het ganse wezen te denken, en niet met de hersenen alleen. Het droge, abstracte denken dat slechts onvruchtbare theorieën voortbrengt -en waarover wij nochtans ontzettend fier zijn- is gedoemd om te verdwijnen. Een groot aantal mensen zal nochtans dit hersen-denken halsstarrig blijven aankleven. Dit soort denken zal karakteristiek zijn voor de laatste cultuurperiode. Deze zal mensen voortbrengen die "lauw" zijn, noch heet, noch koud (Openb. 3:15). Die periode zal slechts een overgangstijd zijn, onvruchtbaar voor de toekomstige wereldevolutie en tenslotte uitmonden in de "grote oorlog van allen tegen allen", die in de grootste zelfzucht zijn oorsprong vindt. Diegenen echter die het beginsel van de broederliefde zullen toepassen, zullen de weg banen naar het volgende tijdvak.


Schema - door fdw

Voor een beter begrip van het vorig artikel is het niet slecht om de evolutie van de Aarde als planeet eens schematisch te bekijken. Doordat we ons in het vijfde tijdvak en tegelijk in de vijfde cultuurperiode bevinden, geraken we gemakkelijk in verwarring als er ergens over de toekomst, over een zesde periode gesproken wordt. Temeer daar Rudolf Steiner zelf niet altijd dezelfde benamingen gebruikt voor bepaalde tijdsgedeelten.

De Aarde ontwikkelt zich in grote fasen (ook bewustzijnstoestanden genoemd) die de naam van een hemellichaam dragen. De eerste fase noemen we Saturnus. Binnen die fase kunnen we zeven levensniveau's onderscheiden.

Saturnus: 7 levensniveau's, elk levensniveau 7 vormfasen.

Zon: 7 levensniveau's, elk levensniveau 7 vormfasen.

Maan: 7 levensniveau's, elk levensniveau 7 vormfasen.

Aarde: 7 levensniveau's, elk levensniveau 7 vormfasen.

Jupiter: 7 levensniveau's, elk levensniveau 7 vormfasen.

Venus: 7 levensniveau's, elk levensniveau 7 vormfasen.

Vulcanus: 7 levensniveau's, elk levensniveau 7 vormfasen.

Wat we nu onze Aarde noemen is in feite een soort incarnatie van een "wezen" dat al onder verschillende gedaantes vroeger bestond. Op de bladzijde hiernaast bekijken we eens hoe de 7 levensniveau's en de 7 vormfasen van onze Aarde verder opgedeeld worden. Al deze onderverdelingen hebben een naam gekregen, voor het merendeel al in de oud-Indische tijd, laat u dus daardoor niet afschrikken.
Pralaya staat voor een periode waarin alles oplost in het wereldduister.

 

AARDE

Eerste elementaire rijk - 7 vormfasen
Groot Pralaya

Tweede elementaire rijk - 7 vormfasen
Groot Pralaya

Derde elementaire rijk - 7 vormfasen
Groot Pralaya

Vierde levensniveau: minerale rijk
- 1ste vormfase: geestelijke wereld (hoger devachaan)
Klein Pralaya
- 2de vormfase: astrale wereld (lager devachaan)
Klein Pralaya
- 3de vormfase: etherwereld
Klein Pralaya
- 4de vormfase: Fysieke wereld

1ste tijdvak: Polaris
2de tijdvak: Hyperborea - de huidige zon scheidt zich af
3de tijdvak: Lemurië - de huidige maan scheidt zich af
4de tijdvak: Atlantis (heeft ong. een miljoen jaar geduurd)
zondvloed

----------Hier begint de periode waar de Openbaring over spreekt--------------

5de tijdvak: Na-Atlantis ( 7 cultuurperiodes van ong. 2160 jaar)

1) Oud-Indische cultuurperiode
2) Oud-Perzische "
3) Babylonisch-Egyptische
4) Grieks-Romeinse cultuurperiode (747 v.C. tot ong. 1413 n.C.)
5) WIJ (van 1413 tot ong. 3573)
6) Philadelphia (Rusland)
7) Laodicea (Amerika)
oorlog van allen tegen allen

6de tijdvak: "Siegel Zeitalter"
7de tijdvak: "Posaunen Zeitalter"

--------Hier eindigt de periode van de Apokalyps-----------------

Klein Pralaya
- 5de vormfase: hogere etherwereld
Klein Pralaya
- 6de vormfase: hogere astrale wereld (lager devachaan)
Klein Pralaya
- 7de vormfase: hogere geestelijke wereld (hoger devachaan)
Groot Pralaya
Vijfde levensniveau: plantenrijk - 7 vormfasen
Groot Pralaya
Zesde levensniveau: dierenrijk - 7 vormfasen
Groot Pralaya
Zevende levensniveau: mensenrijk - 7 vormfasen
Groot Pralaya

Einde.

 

In het Boek der Openbaring worden de cultuurperiodes uitgebeeld door de "zeven gemeenten".
In die Apokalypse, als Weg der Vollendung oder die sieben Stufen zur Menscheitshöhe von Dr. Med.H.J.Oberdörffer, zal ik de filosofische benadering van dit boek met betrekking op de dubbele funktie van de endocrieneklieren verklaren. Deze kunt u binnenkoft ook op deze site vinden onder de noemer van de Ontwikkeling.

 

Door Antoinette Meesters
www.universelevrede.nl

 

www.universelevrede.nl

info@universelevrede.nl

 

 

 

 

 

Het Christendom

 

jezus geneest

 

info

Inleiding

Het christendom

Het mystieke christus, gebeuren

De opstanding

De tweede Adam

Ons fysieke lichaam

De luciferische krachten

Het Christuswezen

De twee Jezuskinderen

 

 

 

 

 

 

Inzichten en zelfstudie, op zoek naar de bron van het bestaan. Geïnspireerd door de volgende bronnen: Rudolf Steiner. “Wegen naar Christus. En Emil Bock: Tussen Bethlehem en de Jordaan.

 

 

Inleiding

 

Het wezen van Jezus van Nazareth, ontvangt bij zijn doop de Christus geest. Tot de gebeurtenis op de berg Golgotha is het Christus Jezus wezen een feit, met de bedoeling de Christusgeest toegankelijk te maken, voor een ieder die zich in het leven tot doel heeft gesteld, zijn ziel te openen, voor de krachten van de Vader God. Theosofen, trachten in onze tijd de aanwezigheid, in één fysieke wezen, één Heer Jezus, te vangen. Mijns inziens gaat het hier om twee: om een menselijk en een Goddelijk wezen. ‘Christus’ verwijst  daarmee naar een Goddelijk geestelijk wezen, naar dat wezen dat der evangelist Johannes ‘Logos’ noemde. ( Logos, het woord ) Dit Goddelijk wezen verenigde zich met de mens, Jezus tijdens de doop, in de Jordaan en wordt nadat hij oprees uit het water aangeduid, als de Christus Jezus, de gezamenlijkheid van twee onderscheiden wezens.

 

Tussen Jezus Christus en Christus Jezus is een verschil te herkennen en wel bij Jezus Christus, gaat de gedachten uit naar de mens Jezus uit, omgekeerd gaat de gedachte bij Christus Jezus uit, die zich in een mens, in Jezus van Nazareth geopenbaard heeft.  

Dit Christus-Jezus gebeuren, aan het begin van onze jaartelling, was eenmalig en hoeft daarom niet meer herhaald te worden. De Christus geest is aanwezig en voor ieder menselijk wezen toegankelijk.

 

Wanneer er geen zondeval geweest zou zijn, dan was ons fysieke lichaam van zuiver geestelijke aard, en daarmee niet zichtbaar. Ons geestelijke lichaam, zou dan nog alle oorspronkelijke, Goddelijke krachten bezitten. Maar door de gebeurtenissen, in de paradijselijke tuin, daalde wij, ‘de mens’, af naar de materiële aarde, en kregen daardoor steeds meer affiniteit met de krachten, van de buitenwereld. Het lichaam, paste zich steeds meer aan, en werd materie, dus uiterlijk zichtbaar, kortom het werd sterfelijk, afgesneden van de reïncarnatie gedachten.

Door mij regelmatig omschreven als de monade dat de drager is van de Goddelijke vonk, ofwel Hoger Zelf ( ( door R.Steiner het menselijk-ik genoemd, in het Sanskriet omschreven als: âtman-buddhi-manas, de Goddelijke Ziel, in India: noemt men dit Goddelijke beginsel: Monade, in het vervolg van dit artikel zal ik de omschrijving van Het Hoger Zelf aanhouden) ) in ons, de drager van onze Goddelijke oorsprong, die van incarnatie naar incarnatie zich beweegt, werd het instrument, waardoor ons bewustzijn, van zichzelf bewust kon worden.

Maar door de gebeurtenissen, dreigde dit instrument, de mogelijkheid te verliezen, om zich op aarde te ontwikkelen. De gedachte van onsterfelijkheid verdween, naarmate de mens de Godsgedachte, in zichzelf minder ging beleven.

De neergang in de ontwikkeling werd ondervangen, door de opstanding van de Christus. De kracht van zijn geest, overwon de neergaande kracht van de dood, en herstelde voor de mens, de mogelijkheid om uit eigen kracht, de verbinding met zijn oorsprong, in de Goddelijke geestelijke wereld te herstellen.

 

Sinds de daad van de Christus, heeft de menselijke ontwikkeling twee mogelijkheden in zich; het steeds meer verbinden met de materie, dat de mens vasthoudt, aan de oude neergaande krachten. Waarmee men doodskrachten in zijn denken opneemt, en vandaar uit aan zijn leven vorm geeft. Of de andere mogelijkheid; is dat de mens, zich met de kracht van de Christus geest, het nieuwe, door God gegeven mogelijkheid, verbindt en van daaruit zijn leven vorm geeft, voor onszelf, maar ook ten aanzien van ontwikkeling van aarde en kosmos, hangen hiervan af. 

 

Ieder mens heeft de vrij keuze, of hij/zij de Christusgeest in zich wil opnemen of niet! Doet men dit wel, dan ontstaat de mogelijkheid, dat er een gevoeligheid, voor de etherische wereld ontwikkelt, en met name van het waar nemen, van de Christus in die geestelijke wereld mogelijk wordt. Tot nu toe verliep het proces als een voornamelijk persoonlijke aangelegenheid, maar voor de toekomst zal de gehele mensheid er mee gediend zijn. Dit betekent dat de sociale werkelijkheid verandert. Grijp daarom niet zomaar in, in het individuele proces van een ander mens omdat je dan ingrijpt in diens persoonlijke verbinding met Christus. Denk aan de eigen verantwoordelijkheid waar naar toe men dient te ontwikkelen.

 

Het christendom

 

Het ontstaan van het Christendom en de evangeliën, hebben in zijn wezen niets te maken met uiterlijke feiten, maar moet begrepen worden, als gebeurtenissen van het geestelijke leven, dat we moeten zien als een wereld dat achter de zintuiglijke wereld ligt, achter alles wat historische documenten kunnen vaststellen.

 

Om te begrijpen wat het Christendom is, en wat het voor de mensen ziel kan en moet zijn, gaan we niet uit naar het uiterlijk van religies kijken, zoals deze voor ons bekend zijn, maar naar wat in de vóór Christelijke tijd gebeurde, dat men met het woord “mysteriën”aanmerkte.

De mysteriën waren leerscholen, mysteriescholen, centra en tempels, waar slechts enkele uitverkorenen werden toegelaten. Eenmaal opgenomen in deze kring van uitverkorenen, zonderde men zich af van de “wereld”en koos daarmee voor een andere leefwijze dan de gangbare. De kennis die men daar opdeed, werd doorleefd, waardoor men zich ontwikkelde naar een ander mens. Men ervaarde, dat heel diep in het innerlijk verborgen, een sluimerend, nog voor het bewustzijn verborgen, heilige bron, aanwezig was, dat tot doel had, de mens aan te sturen en te doen ontwaken, voor de waarheid van een andere wereld. Een wereld die stilaan doordrong en zichtbaar werd in het bewustzijn. Maar een wereld, die voor ons uiterlijk denkend vermogen, ontoegankelijk is. Het ervaren hiervan wordt ook wel omschreven als de geboorte, van de innerlijke mens. 

 

In de mysteriën, streefden men ernaar, om te appelleren aan het ontwikkelingsvermogen, van de mens. En wel aan de krachten, die in hem sluimerden, om deze te voorschijn te halen. Het belangrijkste was dat de mysterie leerling, voordat hij toegang kreeg tot de grote waarheden, zijn leven ervaarde, waardoor de belevingen en gevoelens zijn ziel grondig veranderden. Zijn gemoed moest zo worden voorbereid, dat men zich eerbiedig openstelde in overgave, voor datgene wat hem geboden werd.

Deze wetenschap was niet door uiterlijke inzichten toegankelijk, maar is een ervaringsgerichte, dat een radicale verandering van de ziel mogelijk maakte.  Middels het tegemoet treden van wereldse waarheden en wijsheden en wat men daarbij voelden, daar ging het om.

 

Men ervoer datgene, wat verbonden met de oerbron, wordt doorstroomt. Zoals de ademhaling de lucht opneemt uit de buitenwereld en tot bestandsdeel van ons lichaam maakt. Zo ervoer de mysterie leerling, de geestelijke stroming dat door de wereld pulseert, opgenomen wordt in de ziel, om zich te ontwikkelen naar een nieuw mens, in wie het Goddelijke werkzaam is. Anders vertaalt; zijn wij een eenheid met alles wat is, iedere ontmoeting is een ontmoeting met ons zelf, dat ons de mogelijkheid biedt ons zelf beter te doorgronden en in ons zelf op te nemen. Zodat wij ons ontwikkelen.

 

Deze oude zienswijze, heeft zich verder ontwikkeld en bereikte een hoogtepunt in de Griekse of Latijnse cultuurperiode en werd de Dionysos genoemd, waarin we de gebeurtenissen van Christus Jezus kunnen plaatsen.

De god Dionysos, speelde een innerlijke rol in de Griekse godsdienst. Hij was ondermeer de centrale godheid van de mysteriën van Eleusis.

 

De mysteriescholen werden, door de vele nieuwe ontwikkelingen overbodig, maar terug kijkend, waren er twee soorten mysteriescholen. Een leerrichting werd door het oud Perzische volk ingenomen; de Mithras- mysteriën. De andere leer werd in Egypte en in Griekenland ervaren; de Dionysos- mysteriën. Beide streefden ernaar het zielenvermogen van de mens te vergroten, maar waren beide zeer verschillend.

In Griekenland en Egypte, was het belangrijk dat de leerling in de mysteriën tot een transformatie van zijn zielskracht werd gestimuleerd. Men ging uit van de innerlijke Goddelijke mens, voortstromend uit de oerbron.

De mysterie leerling moest afdalen in de diepte van zijn ziel, om de onbedwingbare zelfzucht, het egoïsme te bestrijden en te overwinnen. Om het gevoel van een allesomvattende liefde, waartoe de ziel in staat is naar voren te halen, en het gevoel van eenheid, dat tot de verborgen krachten hoort, naar boven te halen uit de diepte van de ziel.

Wanneer de mysterieleerling in staat is om de ontstane leegte en het gevoel van angst en vrees, te omarmen zullen alle Goddelijke krachten zich openbaren, en de mysterieleerling met ontzag en eerbiedige overgaven deze tegemoet treden. De Goddelijke mens ziet het daglicht.

 

In de Perzische ‘Mithras’ mysteriën, werd de leerling tegenover de wereld geplaatst. De krachten van de natuur werden aan de leerling getoond. Zodat de leerling zich ten opzichte van de grootsheid van de natuur, ‘klein’ voelde.

De mysterieleerling ontwikkelde zich door, de grootsheid ervan in de ziel op te nemen. Waardoor de ziel sterk en moedig werd en de waarde en de waarheidszin van de mens begrepen werd. Men leerde ook dat de mens deemoedig, en trouw moest zijn, aan de grootsheid van de verschijningen. Dit waren de verworvenheden, van de Mithras mysteriën. De Mithras religie stamt uit voorchristelijke tijden en telde later onder de Romeinen veel aanhangers. De Perzische Mithras (of Mitra) is de zonnegod, bekend als Ahoera Mazda en de Avesta’s,  en de Indische veda’s.

 

De Mithras leerling voelde zich gesterkt, wanneer men zich innerlijk verbonden voelde, met de natuurkrachten. Zo zocht men naar bevrijding, van de eigen wils krachten. Wetende dat daardoor, iets uit de diepte omhoog kon stromen. Goddelijke krachten, dezelfde krachten die de grootheid van de natuur vormgaven, krachten die ook in zichzelf, tot ontwikkeling konden komen. Wetende van de eenheid van zijn, in alles wat is en dat doorstroomt wordt, door de Goddelijke oerbron, ook in de leerling verborgen ligt. Men wist dat wanneer men zich kon overgeven, aan deze heiligheid, deze kosmische krachten, ook in het wezen van de mysterie leerling kon stromen. Wetende, dat dit de oerkrachten van de natuur, van de wereld zijn, die door de weg van de mysteriën de Godheid in de menselijke woning, in de menselijke ziel opgenomen zou worden. Zo werd ieder het inzicht gegeven dat wat in de natuur buiten ons, dat als een Goddelijke krachtstroom door de wereld pulseert, ook in de eigen natuur verborgen ligt.

 

Mithras, is volgens legende uit een rots geboren. Deze geboorte werd op 25 december gevierd. Hij schiet met pijlen water uit rotsen. Hij bedwingt  de stier na lange strijdt en doodt hem met een dolk. Uit staart en bloed van de geofferde stier komen korenaren en druiven te voorschijn. Mithras  drinkt en eet samen met Helios (Sol) het bloed en vlees van de stier, Tot de ceremoniën van de Mithras mysteriën behoorde een sacramentele  maaltijd met brood en wijn.

De Mithras mysteriën, kenden de volgende zeven graden van initiatie: corax(raaf), nymphus(bruidegom), miles(strijder), leo(leeuw),  perses(Pers), heliodromus(zonnebode), en pater(vader).

Deze cultus was in Azië en Europa lange tijd sterk verbreid. In de 4e eeuw overwon het Christendom het Mithraisme en werden vele kerken op mithraems gebouwd. 

 

De Mithras mysteriën breidde zich vanuit Perzische streken, naar de Kaspische zee, en verder langs de Donau naar Duitsland, Nederland, Zuid Frankrijk, Spanje en Engeland. Overal in Europa bloeide de Mithras mysteriën op.

 

Wat in de mysteriën middels afzondering van de ‘wereld’, werd gezocht werd nu verenigd. Mithras en Dionysos, die diep in de menselijke natuur verwant zijn werd nu door het ‘Christus’ omvat. Het wezen Christus dat zich door de gebeurtenis in Palestina met de mensheid verenigde, was Mithras en Dionysos tegelijk. Het Christendom was een samenvloeien van Mithras en de Dionysos cultus.  

  

Het mystieke Christus gebeurtenis

 

De Griekse mysterie leerling, werd onbevreesd door de zielenkrachten uit zijn boeien verlost. De Mithras mysterie leerling werd begeleid, om de grootsheid van de wereldgedachte, diep in zijn ziel op te nemen, waardoor zijn ziel sterk en moedig werd en hij het besef kreeg, van de waarheid op een dieper niveau. De Griekse en Egyptische mysteriën treffen we aan in deze landen, terwijl de Mithras mysteriën, zich vanuit de Perzische streken uitbreid over geheel Europa.

 

We zien dat slechts enkele uitverkorenen deze ontwikkeling konden doormaken, waarvoor een bijzondere voorbereiding nodig was. Men ervoer de innerlijke belevenis van het Goddelijke, dat de wereld doorstroom. De Mithras leerling voelde zich vervult van de Godheid, die in alle werelden leeft, deze belevingservaring, wakkerde de innerlijke daadkracht aan.

 

Dit inzicht van eenheid met alles, wat in de wereldse natuur aanwezig is, werd als zodanig ervaren, en als een inwijding aangemerkt. Maar er zouden andere wegen ontstaan, dat we het “ Christus gebeuren “ gaan noemen.

 

Het mystieke Christus gebeuren, dat bij de oude christenen verstaan werd, als overgave aan het Goddelijke, dat in de menselijke ziel stroomde en wat als Mithras, uit de wereld binnenstroomde of als Dionysos, uit de diepte van de ziel omhoog stroomde, liet zich nu in één gebeurtenis realiseren. Wat anders in de mysteriën werd gezocht, door zich af te zonderen van het gewone leven, werd nu uitgestort in het aardse bestaan. Binnen het Hebreeuwse volk, was de eerste mens die zich daarvan bewust werd, Johannes. De ontwikkeling was zo ver gevorderd dat de mens nu  Mithras en Dionysos, tot de menselijke ziel kon doordringen. Dit is de Godheid die met de naam “ Christus “ wordt omvat. Het wezen dat zich door de gebeurtenis in Palestina met de mensheid verenigde, was Mithras en Dionysos tegelijk. Het Christendom is een samenvloeiing van Mithras en Dionysos leer.

 

Het Hebreeuwse volk, had zowel de Mithras, als de Dionysos leer, leren kennen, maar voelde zich, met geen van beide verwant. De Hebreeuwer voelde, de diepere menselijke natuur en wat er in verborgen ligt. Zo noemde het oude Hebreeuwse volk, zijn oermens “Adam”. In deze Adam was volgens de oude Hebreeuwse gedachten, al datgene aanwezig, waarmee de mens de verbinding, met de Godheid kan maken. Maar generatie, na generatie, raakte men steeds verder verwijderd, van deze Goddelijke erfenis en de bron van bestaan. Het oude Hebreeuwse volk, noemde de oorzaak, de “erfzonde”, waardoor het Hebreeuwse volk, zich lager in niveau voelde staan, dan de oermens “Adam”. Maar men was ervan doordrongen, dat wanneer de mens zich in staat stelt zich met de diepere krachten, van de menselijke natuur te verenigen, hij zich kan oprichten.

 

De oude Hebreeër zag, dat het de oorsprong van zijn bestaan, verloren was. Terwijl zich bij de Perzen, een soort scholing ontstond, van het bewustzijn. Vinden we bij het oude Hebreeuwse volk, het bewustzijn van een historische ontwikkeling. Adam was oorspronkelijk in zonde gevallen, was uit het hoogste afgedaald. Daardoor was dit volk voorbereid dat wat historisch achter hen lag, alleen door een historische gebeurtenis, weer opgeheven kon worden. Men was erop voorbereid, dat de Godheid kan afdalen, zonder dat de mens, een mysterie ontwikkeling doormaakt.

 

Wanneer we de gebeurtenis in een andere context plaatsen, dan zien we dat Adam de afdaling als mens in de wereld, de Goddelijke bron van zijn afkomst in zich draagt. Gelijk aan Adam, de mens afdwaalt, om zich weer op te richten in de Geest God’s 

 

Het Hebreeuwse volk, zag in Adam zijn lichamelijke oorsprong  en in de Christus de God, die was afgedaald, zijn grote voorbeeld.  Datgene, waar de ziel zich op moet richten, waarvoor de ziel de diepste liefde, voor moet ontwikkelen en geloof moet hechten, het grootste voorbeeld, dat hen weer terug kan leiden, naar de bron van hun Goddelijke afkomst en bestaan. 

 

Wat  de leerlingen van het Mithras mysteriën bereikten door de aanblik van het grootste voorbeeld, dat de wereld doortrekt, dat moest nu bereikt worden door Christus.  Moed, zelfvertrouwen, daadkracht maakten de Mithras-leerlingen zich eigen, maar nu niet meer op de oude manier van de Mithras- mysteriën inwijdingen, maar door de aanblik en het voorbeeld van de historische Christus, moest nu de ziel, vervult worden van wat tot die moed leid.

 

Zoals in de Mithras- mysteriën, de hele kosmos in de ziel van de leerling geboren werd en hem doorvloeide met alle innerlijke krachten, zo is er bij de doop in de Jordaan iets naar de aarde gestroomd, waarvan de menselijke natuur de drager kan worden.

 

Degene die dit innerlijk kan aanvoelen, dat de menselijke natuur in staat is de diepste wetmatigheden, van de kosmos in zich op te nemen, die begrijpt bij de aanblik van de doop in de Jordaan: in de menselijke natuur kan Mithras geboren worden. Maar nu was het zo dat de leerlingen van de mysteriën die de oerbetekenis van het christendom kenden begrepen, dat het einde van de oude mysteriën was gekomen. De godheid, die voorheen in de heilige mysteriën binnenstroomde, waarvan de individuele zielen van de mysterieleerlingen, de toegangspoorten waren, die godheid is nu het aardse bestaan binnen gestroomd.  Zij die de komst van het christendom begrepen, moesten toegeven dat de uiterlijke godheid van de Mitras- mysteriën verdwenen was in het innerlijke van de menselijke natuur.

 

Bij de Griekse, met de Dionysos- mysteriën werd de blik op Jezus van Nazareth gericht op Jezus van Nazareth, in wie Mithras leefde, die door de dood is gegaan. Dan zag men dat deze Mithras, met de dood van Jezus van Nazareth zelf gestorven is. De dood van Mithras, moest  men zien als gedefinieerd, in de dood van Jezus, van Christus. Maar juist doordat de dood van god Mithras in Jezus van Nazareth verdwenen is, juist doordat hij verdwenen is, is ook wat de mens in het diepste innerlijk, van de natuur vindt en wat hij vroeger door de Dionysos- mysteriën had bereikt, in deze ene Jezus van Nazareth een onsterfelijke overwinnaar van de dood geworden. Dat is de betekenis van de opstanding van Christus, als we die geesteswetenschappelijk begrijpen.

 

Door de aanblik van de doop in de Jordaan heeft de oude Mithras zich voor altijd verbonden met de mens. En omdat deze, menselijke natuur de dood heeft overwonnen heeft men een nabeeld gecreëerd, waarmee de ziel in  diepste liefde kon verbinden, om tot datgene te komen wat in de diepste van de ziel werkelijk leeft, en wat de Grieken in Dionysos zochten. De realiteit van de opgestane Christus, maakte zichtbaar dat de mens die, die eenmalige historische gebeurtenis in zijn leven navolgt, boven het gewone mens-zijn uitstijgt.

 

De goddelijke natuur die vroeger, alleen maar binnen de kring van mysterieleerlingen in de mens te voorschijn kwam, heeft zich nu in een historisch persoon gemanifesteerd. Christus is de samenvloeiing, van Mithras en Dionysos, in Jezus van Nazareth. De godheid met de naam Christus het bovenzinnelijke is nu in de wereld werkzaam, waar hij voorheen in de mens Jezus heeft geleefd en de dood heeft overwonnen. Onze band die ons met Christus verbind moet de intiemste zijn want Christus is het middelpunt van de gehele menselijke ontwikkeling en het hoogste voorbeeld voor de intiemste krachten van de ziel. Nu begrijpen we hoe verwant Christus met de oude mysteriën is.

 

De mysterie leerling in de oude mysteriën dieper in zich zelf doordringen.

Daardoor werd de mens zich gewaar dat de lagere natuur een verleiding is voor wie naar het hogere streeft, en dat de kracht die de mens van de oergronden van het bestaan heeft afgebracht, ook zijn lagere natuur is geworden. Dat was de verzoeking waaraan de mysterie leerling blootstond. Op het moment dat de godheid ontwaakte, werd de leerling gewaar wat de lagere begeerten natuur van de mens is, iets als een vreemd wezen dat tot hem sprak: volg niet de wind en de ijle lucht van de geestelijke hoogten, “volg de solide materiële dingen, die je bij de hand hebt” ieder moest het gevoel doormaken hoe irreëel al het geestelijke is, voor de gewone opvattingen en hoe verlokkend, al het zintuiglijke is, tegenover het geestelijk streven. Op een volgende niveau, overwinnen de leerlingen de verlokking en hoe hij door de ontwikkeling, van zijn sterke innerlijke krachten, moed, onbevreesdheid opnieuw een niveau hoger kwam. Dat alles werd bepaald, door de voorschriften voor de mysterieleerling van de mysteriën.

Voor de Griekse mysteriën ware er andere inwijdingen dan de Mithras- mysteriën. Uiteindelijk beleefde de leerling de vereniging met de goddelijke mens.

 

Zo moest Jezus van Nazareth nadat het Christuswezen was afgedaald, de verzoeking doormaken in de woestijn. Zo zien we de verzoeker optreden tegenover de God die mens werd. Wat in de mysteriën waar was, vinden we terug in de evangeliën.

Zo zijn de evangeliën, een vernieuwing van de oude inwijdingsmethoden, de oude inwijdingsvoorschriften, en de evangelieschrijvers realiseerden zich: “Wat anders alleen in de diepten van de mysteriën gebeurde, heeft zich éénmaal op het grote plan van de wereldgeschiedenis afgespeeld”. Daarom mag het met dezelfde woorden worden beschreven zoals die in de inwijdingsvoorschriften zijn gebruikt. Daarom zijn de evangeliën, ook nooit bedoeld als een uiterlijke biografie, van deze Christusdrager.

In de tijd dat de evangeliën, zijn ontstaan kwam het in niemand op een uiterlijke biografie, van Jezus van Nazareth te schrijven; de schrijvers hebben in het evangeliën willen weergeven, wat de menselijke ziel op weg kan helpen, om werkelijk die grote ziel lief te hebben, die de oorsprong is van het wereldbestaan. Daarvoor waren de evangeliën bedoeld: wegen, geschriften waarlangs men de ziel Christus kon vinden.

 

Waar het om gaat, is dat de mens zuiver door ontwikkeling, door zich zelf in de maatschappij te plaatsen en te leren ervaren wie hij/zij is, kan door deze ontwikkeling de ziel in latere tijden ervaren hoe het in vroegere tijden in de mysteriën, werd ervaren. Het is geen gemakkelijke, het is een weg van de helden.

Maar dit is alleen mogelijk, omdat het Christusgebeuren heeft plaatsgevonden, doordat Christus in een fysiek lichaam heeft geleefd. Iemand die Christus in zichzelf beleeft, bezit met het gegrepen worden door de innerlijke Christus tegelijkertijd de zekerheid dat Christus aan het begin van onze jaartelling in een fysiek lichaam geïncarneerd was. Zo is enkel Jezus alleen te vinden via Christus.

 

Door Christus in zichzelf te beleven, beleeft de mens datgene waardoor  moed en daadkracht groeien, waardoor hij/zij weet hoe zich op juiste wijze in de maatschappij kan voegen. En tegelijkertijd ervaart men wat de Griekse mysteriën konden beleven: de universele liefde. Want de universele liefde die in het christendom leeft, omvat alle wezens om ons heen. De mens leert de onbevreesdheid kennen en weet dat hij nooit angst hoeft te hebben, nooit hoeft te wanhopen om de wereld, en hij erkent in vrijheid en deemoed tegelijk de overgave aan de geheimen van het heelal.dit is wat de mens tot zich kan nemen, wat in de plaats is gekomen van de oude mysteriën: het mystieke christendom. Door een bewuste uitwerking van deze basisgedachte wordt voor iedere ingewijde van Christus de historische Jezus een feit.

 

De mystieke Christus was in de voorchristelijke tijden door geen enkele mysteriescholing zo te bereiken zoals hij na het mysterie op Golgotha te bereiken is. Dat de innerlijke Christus bestaan kan, dat de hogere mens geboren kan worden, daar was een historische Christus voor nodig, de belichaming van Christus in Jezus. Dit maakt dat we de grootsheid van Jezus van Nazareth in gaan zien.

De weg die zo verloopt dat we eerst Christus dienen te herkennen door innerlijke zielservaringen, brengt ons door wat zich uit onze ziel ontwikkelt, werkelijk ertoe het mystieke feit van het christendom te begrijpen en de wording van de mensheid zodanig op te vatten dat de Christusgebeurtenis de belangrijkste gebeurtenis is. Zo leidt de weg van Christus, naar Jezus. Zo al de mens zijn aarde verbondenheid voelt, met het bestaan van de gehele kosmos, zo zal hij, zijn geschiedenis verbonden voelen, met een bovenzinnelijke, boven historische gebeurtenis. Christus zal de sterke hoeksteen van de menselijke evolutie blijven.

 

De opstanding

 

Paulus schreef in zijn eerste brief aan de Corinthiërs 15:14 – 20, Als Christus niet is opgewekt,  dan is onze verkondiging leeg, leeg echter ook uw geloof. Dan zouden wij valse getuigen van God blijken te zijn, omdat wij tegen God in getuigd hebben, dat hij Christus heeft opgewekt, terwijl hij hem toch niet heeft opgewekt, indien werkelijk geen doden opstaan. Want worden geen doden opgewekt, dan is ook Christus niet opgewekt. Is echter Christus niet opgewekt, dan is uw geloof ijdel, dan zijt gij nog in uw zonden; dan zijt ook gij verloren, die in Christus ontslapen zijn.

 

Het Christendom zoals deze het eerste door Paulus verbreid is, mogen we niet aan voorbijgaan. Het is een belangrijke uitspraak die Paulus doet. Hij zegt: Dat het hele Christendom, geen bestaansrecht zou hebben en het geloof in Christus zinloos zou zijn, wanneer de opstanding geen feit zou zijn. Hoe kunnen wij vandaag de dag, zo’n 2000 jaar later dit opstandingvraagstuk benaderen?

 

De evangeliën, moeten worden beschouwd, als inwijdingsgeschriften. De grote gebeurtenissen, die in de evangeliën zijn beschreven, zijn feitelijk inwijdingsgebeurtenissen, ceremoniële processen, die zich in de oude tijd in het binnenste van de tempel, tijdens de geheime mysteriën afspeelden. Wanneer een mysterie leerling, klaar was voor een volgend niveau, werd

deze door een hiërofant ingewijd. Een leerling maakte nadat hij gedurende lange tijd was voorbereid, een soort dood en een soort opstanding, door middel van bepaalde levenssituaties, waarvan we in de evangeliën een voorbeeld vinden, als bijvoorbeeld de verzoekingscène van Christus Jezus, in de woestijn na zijn doop, in de Jordaan.

 

Maar niet alleen in de gebeurtenissen, vinden we in de evangeliën voorbeelden, die wijzen op de inwijdingsceremonieën, er zijn ook concrete feiten aan te wijzen zoals bij Johannes 20:1 – 17. Daarin wordt een situatie gedetailleerd beschreven Zodat we nauwelijks iets missen, wanneer we er een imagnatief beeld van maken. 

 

‘ Op de eerste dag van de week ging Maria Magdalena vroeg in de morgen, terwijl het nog donker was, naar het graf, en zag dat de steen van het graf was weggenomen. Toen ging ze ijlings naar Simon Petrus en de andere leerling, dien Jezus zo lief had, en zei tot hen: Zij hebben de Heer uit het graf genomen en wij weten niet, waar zij hem hebben neergelegd. Toen gingen Petrus en de andere leerling op weg naar het graf. Zij liepen met elkaar maar de andere leerling liep vooruit, sneller dan Petrus, en hij kwam het eerst bij het graf. En hij bukte zich en zag de doeken daar liggen, maar hij ging niet naar binnen. Toen kwam Simon Petrus achter hem aan, en hij trad het graf binnen en zag de doeken daar liggen en de zweetdoek, die op zijn hoofd was geweest, er niet bij liggen, maar afzonderlijk ineengerold op een andere plaats. Hierna ging ook de andere leerling naar binnen, die het eerst bij het graf was gekomen, en hij zag het en geloofde.  Want nog hadden zij de schrift niet begrepen, dat hij moest opstaan uit de doden. Daarop gingen de leerlingen weer naar huis. En Maria stond buiten het graf, wenend. Terwijl zij zo weende, boog zij zich voorover naar het graf en zag twee engelen zitten in witte gewaden, een aan het hoofdeinde en een aan het voeteneinde, waar het lichaam van Jezus had gelegen. En zij zeiden tot haar: ‘Vrouw, waarom weent gij? Zij zei tot hen: ‘Omdat zij mijn Heer hebben weggenomen, en ik niet weet waar zij hem hebben neergelegd’. Toen zij dit gezegd had, keerde zij zich om en zag Jezus staan, en zij herkende hem niet. Jezus zei tot haar : ‘Vrouw waarom weent gij? ‘Wie zoekt gij? Zij, in de mening dat het de hovenier was, zei tot hem: ‘Heer als gij hem hebt weggedragen, zeg mij dan waar gij hem hebt neergelegd, dan zal ik hem weghalen’. Jezus zei tot haar: ‘Maria! Toen keerde zij zich om en zei tot hem in het Hebreeuws: ‘Rabboeni’ – ‘Meester’ -. Jezus zei tot haar: ‘Raak mij niet aan; want nog ben ik niet opgestegen tot de Vader’.

 

Gaan we de opstanding nader bekijken, dan kunnen we de opstanding zien als een opwekking, die plaatsvond ten tijden van de heilige mysteriën. Met dien verstande, dat degene die de mysterieleerling opwekte, in de mysteriën de Hiërofant was. In de evangeliën wordt er op gewezen, dat degene die Christus heeft opgewekt, het wezen is dat wij Vader, ofwel God aanduiden: De Vader heeft Christus opgewekt. Dus datgene, wat in het diepste geheim in de mysteriën afspeelde, is nu door goddelijke gezanten, op een bepaald moment op Golgotha, voor de mensheid neergezet en het wezen dat wij Vader noemen, zelf de Hiërofant is geweest, die Christus Jezus heeft opgewekt. Alleen wat zich op een lager niveau in de mysteriën afspeelde, is nu hier door de Vader, in de allerhoogste vorm verheven.

 

 De leerlingen hadden, zo wordt verwoord; ‘Want nog hadden zij de Schrift niet begrepen’, want hij moest nog opstaan uit de doden. Er wordt duidelijk omschreven dat de doeken er wel zijn, maar dat het lichaam er niet is, het ligt niet meer in het graf. Dat is het enige, dat de leerlingen begrepen, toen ze weer naar huis gingen. Ze gingen naar huis, met in hun gedachte; waar is het lichaam gebleven en wie heeft het eruit gehaald?  De evangeliën, brengen de leerlingen van Jezus langzaam tot besef, dat het lichaam er niet meer is. Tot eerst, ook hier het concrete feit, aan getoond wordt, waadoor de leerlingen eerst werkelijk, van de opstanding overtuigd zijn, wanneer Thomas, die de ongelovige  wordt genoemd, zijn vinger in de wonden kon leggen. Christus leefde, hoewel hij gestorven was. Dat hij er was, dat was het bewijs. De leerlingen zeiden: Wij hebben het bewijs dat Christus leeft! Hij is hier!

 

De tweede Adam

 

De evangeliën en de opvattingen van de apostel Paulus komen niet overeen. Hoewel Paulus de ervaringen met de opgestane Christus met de leerlingen overeenkomt. Hij wijst erop in de evangeliën in zijn eerst brief aan de Corinthiers;15:1-11 , en Hij is begraven en ten derde dage opgewekt, Schriften, en hij is verschenen aan Céfas (Petrus) dat de levende Christus na zijn kruisiging, aan de twaalf, dan aan vijfhonderd broeders tegelijk en tenslotte ook aan hem, als een ontijdig geborene. Zo is hij ook aan zijn leerlingen verschenen, daar wijst Paulus op. Maar Paulus ziet het wezen van Christus na de kruisiging als de tweede Adam.

Hij maakt daarbij een onderscheid tussen de eerste Adam en de tweede Adam. De eerste Adam noemt hij de stamvader van de mensen van wie alle andere mensen afstammen. Adam als degene, die de mens hun fysieke lichaam dat men draagt heeft geschonken. Het waarneembare lichaam, het vergankelijke fysieke lichaam, dat bij de dood vervalt.

De tweede Adam, de Christus, is voor Paulus de drager van het onvergankelijke, het onsterfelijke lichaam. Paulus gaat ervan uit dat de mensen door een Christelijke toewijding kan ontwikken, en zelfs in staat zou zijn, de eerste Adam te verwisselen, voor de tweede Adam.  Om zo van het sterfelijke lichaam over te gaan naar het onsterfelijke lichaam. Het eerste vergankelijke lichaam dat van de eerste Adam afstamt en het onvergankelijke lichaam dat van de tweede Adam.

Aldus staat er ook geschreven in zijn brief aan de Corinthiërs; 15:35-49; De eerste mens Adam werd een levende ziel; de laatste Adam een levendmakende geest. De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk de tweede mens is uit de hemel.

Paulus vraagt van ons het volgende: dat als je in de juiste zin Christen wilt zijn, dan moet je jezelf voorstellen dat er iets in jou, kan ontwikkelen, dat in jou kan leven en van waar je een geestelijke verbinding kunt aangaan met de tweede Adam, Christus.

Wij stammen met ons fysieke vergankelijke lichaam, van de eerste Adam af, maar hebben de innerlijke kracht en mogelijkheden om ons het Christuswezen tot ons eigen wezen te maken. Dat is hij die de derde dag, nadat het lichaam van Christus Jezus in de aarde was gelegd, uit het graf is opgestaan.

 

Ons fysieke lichaam

 

De Griekse held, zei vanuit zijn Griekse levensgevoel: ‘Liever een bedelaar op aarde, dan een koning in het rijk der schimmen’ de Griekse beleving was overtuigd van de uiterlijke vorm van het fysieke lichaam, die hij als Griek liefhad. Dit lichaam zou voor altijd verloren zijn, als het door de poort van de dood ging. Vanuit deze levensovertuiging dat uit de Griekse cultuur was voortgekomen, kon alleen Paulus die in de Griekse beschaving geworteld was ook al was hij Jood met een Hebreeuwse achtergrond, trad Paulus als verkondiger van het evangelie het eerst onder de Grieken op, en zegt: Wat jullie het hoogst achten, de vorm van het menselijk lichaam, gaat in de toekomst verloren. Want Christus s opgestaan als eerste van hen die uit de doden wordt opgewekt!  Cor.15:20-22,De vorm van het fysieke lichaam is niet verloren, maar aan de mensheid terug gegeven door de opstanding van Christus.

 

Geesteswetenschappelijk benadert zien we het volgende: De mens heeft een fysiek lichaam, een etherisch lichaam en een Hoger Zelf. Het fysieke lichaam van de mens herkennen we, wanneer ik zie dat, wanneer iemand voor mij staat. De andere lichamen zijn de niet zintuiglijke onzichtbare delen van de mens.

Wanneer een mens voor ons staat, staat er daadwerkelijk een fysiek lichaam, een etherisch lichaam, een astraal lichaam en het Hoger Zelf voor ons. Ook al kunnen we dit ons verstandelijk niet benaderen. Dit 4-ledige fysieke lichaam dat is in de uiterlijke in de fysieke wereld zichtbaar. We moeten ons het fysieke lichaam anders voor stellen wanneer we tot het wezen van dit fysieke menselijke lichaam willen doordringen.

 

Met de dood, zeggen we, leggen we ons fysieke lichaam af. Het belangrijkste wat we ons constateren is dat wat het fysieke lichaam in het leven heeft is ‘vorm’  De vorm van het afgelegde lichaam, begint onmiddellijk na de dood te vervallen. Voor het fysieke lichaam van de mens, is deze vorm essentieel. Daarna neemt de helderziende het complex van het, astraallichaam, etherisch lichaam en het Hoger Zelf waar, gedurende de tijd dat de mens de mogelijkheid heeft, om op zijn zojuist beëindigde leven terug te blikken.

De helderziende ziet nu hoe, het etherische lichaam zich afscheid, hij ziet een extract van het etherische lichaam meegaan en de rest zich oplossen in het wereldse ether. Zo lijkt het dat de mens het fysieke lichaam samen met de fysieke stoffen en krachten heeft afgelegd met de dood. Als de helderziende de mens volgt in de kamaloka-tijd, dan ziet hij dat ook van het astrale lichaam een extract door het verdere leven tussen dood en nieuwe geboorte wordt meegenomen, en de rest van het astrale lichaam aan de algemene astraliteit vervalt.

 

Het fysieke, het etherische en het astrale lichaam worden afgelegd en het fysieke lichaam, lijkt niet meer te zijn, dan wat we voor ons hebben, in de vorm, die door ontbinding of verbranding, of op ander wijze in de elementen oplossen. Maar des te duidelijker wordt het voor de helderziende mens, dat de fysieke stoffen en krachten, die met het fysieke lichaam worden afgelegd, toch niet het hele fysieke lichaam uitmaken. Bij deze stoffen en krachten hoort nog iets anders, wat we het ‘ fantoom ‘ van de mens noemen.

 

Het fantoom van de mens 

 

Dit fantoom is de vorm gestalte van de mens, die als een geestelijk weefsel de fysieke stoffen en krachten zodanig verwerkt, dat ze de vorm aannemen, die we op het fysieke niveau herkennen als ‘ mens ‘. De stoffen die na de dood uit een vallen, Zijn in essentie hetzelfde wat we in de natuur buiten ons ook aantreffen, alleen wordt dat nu opgevangen door de menselijke vorm. Het fantoom hoort bij het geheel van het fysieke lichaam, het is de andere helft ervan, die belangrijker is dan de uiterlijke stoffen.

Gaan we ons in de geest dieper inspannen, dan gaan we terug naar alle inspanningen, die de grote goddelijke geesten zich gedurende de Saturnustijd, de Zonnetijd, en de Maantijd (evolutionaire stadia van de oude aarde) zich hebben getroost. Zou dit zijn, om iets tot stand te brengen, wat met de dood weer aan de elementen wordt overgedragen?nee toch! 

 

Het fantoom is de vorm van het fysieke lichaam, het begrip van het fysieke lichaam is niet eenvoudig. De kiem van dit fantoom van het fysieke lichaam is door de Tronen in de Saturnustijd gelegd. Geesten van de wijsheid hebben er tijdens de Zonnetijd aan gewerkt, de geesten van de Beweging gedurende de Maantijd en de geesten van de Vorm, tijdens de oude Aardetijd. Pas daardoor is het fysieke lichaam tot fantoom geworden. Daarom noemen we hen ook  Geesten van de Vorm, omdat ze eigenlijk in dit fantoom van het fysieke lichaam leven. Om het fysieke lichaam te begrijpen moeten we dus teruggaan naar het fantoom ervan. 

 

Wanneer we ons verplaatsen naar het begin van ons aardse bestaan, dan kunnen we zeggen dat de scharen uit rijen van de Hogere Hiërarchieën,  gedurende de Saturnus, Zonne, Maanfase tot aan de aardefase aan dit menselijk lichaam hebben gewerkt, hebben eerst van al dit fantoom in de aardse evolutie geplant, was inderdaad het eerste wat er van het fysieke lichaam van de mens bestond, dit fantoom dat met het fysieke oog niet te zien is. Het is een krachtenlichaam, dat geheel doorzichtig is. Wat het fysieke oog ziet, zijn fysieke stoffen die de mens eet, die hij in zich opneemt en die dit onzichtbare vullen. Ziet een fysiek oog een fysiek lichaam, dan ziet het in werkelijkheid het minerale element dat het fysieke lichaam opvult.  En niet het fysieke lichaam zelf. 

 

De Luciferische krachten

 

De mens zou nooit zichtbaar zijn geworden wanneer er niet iets had plaatsgevonden, wat de bijbel symbolisch beschrijft als Luciferische invloeden. De mens is uit zijn ontwikkelingsfase toen zijn fysieke, etherische, astrale lichaam nog onzichtbaar waren omlaag geworpen in de dichtere materie en zich de dichtere materie zo in zich opgenomen als hij onder invloed Lucifer doen moest.

De mens is oorspronkelijk onzichtbaar en pas met de invloeden van Lucifer zijn de krachten in de mens gekomen, die hem materieel zichtbaar maken. Door de Luciferische invloeden komen de uiterlijke stoffen en krachten in het gebied van het fantoom en doordringen het.

 

Met de Luciferische in zijn innerlijk, maken de mens zo zichtbaar als we hem op het fysieke plan voor ons zien. Daarom hebben de alchemisten altijd gezegd, dat het menselijk lichaam in werkelijkheid bestaat uit dezelfde substantie waaruit de gehele doorzichtige kristal heldere steen der wijzen bestaat. Het fysieke lichaam bestaat werkelijk uit absolute doorzichtigheid en het zijn de Luciferische krachten in de mens die het ondoorzichtig hebben gemaakt. Zodat het ondoorzichtig en tastbaar voor ons staat.

De mens is door de verleiding op aarde, in het geheel van fysieke, etherisch lichaam, en astraal lichaam  binnengetrokken en drager geworden van de aardse gestalte.

 

Wanneer op een bepaald moment het Hoger Zelf, zich van een menselijk geheel, dat bestaat uit fysiek, etherisch, en astraal lichaam, losmaakt, zodat we dan alleen het fysieke, het etherische, en het astrale lichaam voor ons hebben, maar niet het Hoger Zelf. Stel dat, dat zou gebeuren wat met Jezus van Nazareth in zijn dertigste levensjaar is gebeurd; toen verliet het geheel van fysiek, etherisch,en astraal lichaam en het Hoger Zelf en trad met de doop in de Jordaan het Christuswezen, de Logos, de Ene, het Goddelijk Licht-Christuswezen, in Jezus van Nazareth binnen.

 

Het onderscheid met ons mens is dat wij mensen het Hoger Zelf in ons dragen dat deels het menselijk ik en een vonk van de Goddelijke bron in zich draagt dat terug verlangt naar de eenheid die het oorspronkelijk vormt met de Goddelijke Bron, God.  Incarnatie naar incarnatie ons aanspoort tot vereniging met ons Goddelijke afkomst, het Hoger Zelf, dat ooit is bezweken voor de verleiding van Lucifer, en dat Christus Jezus, dit Hoger Zelf, de niet meer in zich draagt, maar in plaats daarvan het Christuswezen, de Logos ofwel het Godsbewustzijn.

Van wat van Lucifer afkomt, draagt hij nog het restant in zich, maar er is vanaf de doop in de Jordaan geen menselijk Hoger Zelf, dat nog Luciferische invloeden in dit lichaam toelaat. Een fysiek lichaam, een etherisch lichaam en een astraal lichaam, waarin geen Luciferische van vroeger aanwezig zijn en waarin de drie daar op volgende jaren, geen nieuwe invloeden meer binnen kunnen komen “Dat is Christus Jezus “. Het Christus wezen. Omdat het Christuswezen, de resten van een astraal lichaam met zich meedraagt dat aan Jezus van Nazareth van zijn geboorte tot aan zijn doop, daardoor is het fysieke lichaam als Christus Jezus zichtbaar. Dit vierledige wezen van Christus Jezus, dat een fysiek een etherisch en een astraal lichaam heeft, maar geen menselijk Hoger Zelf, zodat het drie jaar tot aan zijn dood, niet dit Hoger Zelf, op het menselijk wezen inwerkt, wat normaal wel het geval zou zijn, maar het Christus wezen. 

 

Het Christuswezen

 

de ontwikkeling van de mensheid, kunnen we relateren aan de gebeurtenissen van wat we de opstanding noemen. Ons menselijk bewustzijn, dat steeds weer incarneert in een menselijk lichaam, is bij Jezus van Nazareth aanwezig vanaf zijn geboorte tot aan zijn doop door Johannes in de Jordaan. Na de doop wordt het lichaam van Jezus niet meer bewoond door het menselijk bewustzijn, maar door het kosmische Christuswezen.

Het fysieke lichaam, het etherisch lichaam en het astraal lichaam van Jezus van Nazareth is nu doordrongen door een Goddelijke afkomst, Christus. Dit Christuswezen is slechts één maal in een menselijk lichaam afgedaalt en wordt nu Christus Jezus genoemd.

 

Kosmische feiten zijn dat de ontwikkeling van de aarde zich in vier stadia heeft afgespeeld. De Saturnusfase, de Zonnefase, een maanfase en onze eigen aarde. Deze vier planetaire ontwikkelingsfases, waren nodig, zodat onze aarde een verbinding kon aangaan met de menselijke natuur. In de tijd van Saturnus konden we over het begin van een fysiek lichaam spreken. In de tijd van de oude Zon, over de ontwikkeling van het etherische lichaam. In de tijd van de oude Maan over het ontwikkelen van het astrale lichaam. En pas in de aardfase over de ontplooiing van het bewustzijn.

Voor de mens betekende dit, dat de kiem van het menselijk bewustzijn in het Lemurische tijdperk in de mens is gelegd en dat zij pas tegen het eind van het Atlantische tijdperk tot het hogerbewustzijn kon komen.

 

Elk lid van het Hebreeuwse volk ziet de ontwikkeling van zijn bewustzijn

Als een soort volksziel, een groepsziel, waarbij de Hebreeuwse mens zichzelf  tot zijn stamvader Abraham herleidt. Het bewustzijn is nog niet tot het individu als een zelfstandigwezen doorgedrongen. 

Nu in onze tijd zijn we bekend met de vierledigheid van de mens, in de oude tijd was deze ontwikkeling nog niet zover, maar zou zich geleidelijk in de aardse ontwikkeling mee bewegen.

In de oude tijd bevond zich het etherische lichaam nog ver buiten het fysieke lichaam, pas tegen het eind van de Atlantische tijd zou het etherische lichaam met het fysieke lichaam zijn verbonden en was het voor de mens mogelijk om zich tot het hoger bewustzijn te ontplooien. 

Bewustwording kan de mens ontplooien, door zichzelf te spiegelen in de maatschappij, door zich de spiegel voor te houden, bij de gebeurtenissen die ons benaderen en waar wij vaak geen raad mee weten. Door deze gebeurtenissen te ervaren en te doorvoelen kan bewustwording ontstaan. Wanneer we geen bewustzijn ontwikkelen kan de mens ook niet tot het hoger bewustzijn doordringen.

 

Aan het begin van ons aards bestaan is ons uiterlijk fysieke lichaam, door luciferische invloeden anders geworden. Dit was niet de bedoeling van de Goddelijke geesten, zeker nier vanuit het oogpunt dat zij tijdens de vier planetaire fases hadden voorbereid. Door deze luciferische invloeden valt ons lichaam uiteen wanneer we door de poort van de dood gaan.

Bij het fysieke lichaam hoort het fantoom, het vorm lichaam, dat de materiële delen die in ons fysieke lichaam zijn verweven doordringt en bijeenhoudt

Dit fantoom, is door de luciferische invloeden vernietigd. Dat is wat de bijbel symbolisch uitdrukt met de “Zondeval” gebeurt, in het oude testament staat geschreven dat: op de Zondeval de dood volgde. De dood is niets anders dan de vernietiging van het fantoom, van het fysieke lichaam. Dit proces van verval wordt gedurende de aardse periode ervaren van de geboorte tot de dood. Was er geen luciferische invloed geweest, dan was er een balans geweest tussen de afbrekende en de opbouwende krachten. Door de luciferische invloeden is het menselijk inzicht beperkt, ofwel oppervlakkig, men heeft grote moeite om de grote processen van de kosmische ontwikkeling in zich op te nemen. Was dit niet het geval dan zouden we in de diepte van de kosmische processen kunnen zien. Maar ook weten, dat als we een compleet fysiek lichaam hadden gehad, zoals dat in het begin van het aardstadium was toebedacht, dan zouden we weten wie we waren en wat we zijn: Goddelijke erfgenamen, met dezelfde Goddelijke mogelijkheden tot scheppen.

 

Wat is er op Golgotha gebeurd? Uit het graf stond dat lichaam op dat de mens eigenlijk was toebedacht door de heersers van Saturnus, Zon en Maan,

( verwar dit niet met de planeet Saturnus, de zon of de maan, hiet gaat het om de evaluatie fases van de aarde. Saturnus Zon en Maan zijn afgescheiden delen van onze Aarde) het zuivere fantoom, van het fysieke lichaam, met alle eigenschappen van het fysieke lichaam.  

De lichamen van de gewone aardse mens, de aan verval onderhevige lichamen, stammen af van het lichaam van Adam. De geestelijke lichamen de fantomen van alle mensen stammen af van Christus, Christus is het licht van God. Dit is hetgeen, waar wij allen van afstammen, gelijk, het fantoom dat  uit het graf is opgestaan.

Wanneer we een band opbouwen met Christus, dan is het mogelijk dat de mens deze Goddelijke krachten evenzo kan ontvangen, gelijk dat hij ook de luciferische krachten ooit heeft ontvangen.

 

Dit heeft Paulus gezegd: Zoals de mens, als het fysieke lichaam heeft geërfd, waarin zich de vernietiging van het fantoom voltrok, zo kan hij wat hij verloren had erven van het wezen dat uit het graf is opgestaan en zich bekleden zoals zich de 1e Adam hij kan ermee één worden en een opgaande ontwikkeling doormaken even zeer als hij zich voor Golgotha in een neergaande ontwikkeling bevond.

 

Wat ons is ontnomen, door de luciferische invloed, kan ons worden teruggeschonken door dat het aanwezig is als het opgestane lichaam Christus.

 

Je zou jezelf kunnen voorstellen dat alle ons lichamelijke cellen afstammen van die éérste eicel, ons fysiek lichaam bestaat uit cellen die nakomelingen van die oorspronkelijke eicel. Zo kun je jezelf misschien voorstellen dat de mens door een laten we het een christologisch proces noemen in staat is een ander lichaam te krijgen, dan het lichaam dat hij kreeg in een neergaand proces.

Naarmate de mens zich een onsterfelijk lichaam eigen maakt, zal hij steeds meer zijn bewustzijn helderder maken en zich steeds duidelijker kunnen voorstellen wat zich van incarnatie tot incarnatie voortzet. Ik spreek hier over de opgaande ontwikkeling tot uiteindelijke samenvloeiing met het Goddelijk onsterfelijke niet meer gebondenheid met het sterfelijke. Incarnatie gebeurt dan alleen op eigen wens en is niet meer gebonden aan andere kosmische wetten.

 

Alleen dit fantoom, kan ons het volledige mens-zijn, in de toekomst van onze aarde ontwikkeling geven. Het belangrijkste wat Christus Jezus de mensheid heeft gegeven is Zijn opstanding, het is de nieuwe geboorte van de menselijke natuur een onvergankelijk lichaam, dat in ons bereik komt en dat voor een ieder toegankelijk is.

 

Het Christus Jezus wezen, was een fysiek, een etherisch en een astraal lichaam en een Christus wezen. Het Christus wezen, dat het besluit had genomen af te dalen in en menselijk lichaam om te incarneren in een menselijk lichaam. Dit Christuswezen moeten we zoeken in de tijd die voor het begin van de mensheid op aarde ligt. De mens daalt steeds dieper af en op het tijdstip dat de menselijke ontwikkeling een crisis bereikt, incarneert het Christuswezen zich in het lichaam van een mens. Dit is het grootste offer dat het Christuswezen voor de ontwikkeling van de aarde en de mens heeft gebracht.

 

De twee Jezuskinderen

 

De jaren van Christus Jezus  tussen zijn doop in de Jordaan en zijn opstanding zijn gekenmerkt hierin, dat Jezus van Nazareth op zijn 30e jaar de drager is geworden van Christus. Om een beeld te krijgen wat er in de tussen jaren is gebeurd, moeten we naar Palastina waar niet één Jezus kind wordt geboren maar twéé.

 

In het evangelie van Mattheus en Lukas worden de afkomst, de geboorte en lotgevallen van Jezus verschillend omschreven. Naar Rudolf Steiner inzicht, zijn het inderdaad twee totaal verschillen kinderen, elk uit een eigen familie. Steiner spreekt van de Salomonische Jezus, die door de drie wijzen uit het oosten wordt gezocht. (zie het Mattheus evangelie) en van de Nathanische Jezus, die door de herders wordt aanbeden. (zie het Lukas evangelie).  Hella Krause-Zimmer schrijft in haar boek Die zwei Jezusknaben in der bildende Kunst. De twee Jezusjongens in de beeldende kunst en in haar boek over het antroposofische werk in Duitsland Stuttgart 1986. Emil Bock, Tussen Bethlehem en de Jordaan, Zeist 1988. In de in 1947 ontdekte Dode Zeerollen van Qumran, komt herhaaldelijk de verwachting van twee Messiassen naar voren. Een uit het koninklijke geslacht en een uit een priester geslacht. Mogelijk staat dit in verband met de twee Jezussen zoals Steiner deze beschrijft. 

 

Het ene kind gebvoren uit de Salomonische lijn van het huis van David is het wezen waarover het Mattheus evangelie vertelt. Tegelijkertijd werd een tweede Jezuskind geboren uit de Nathanische lijn van David. De individualiteit van de Salomonische jongen was de incarnatie van Zarathustra. Zarathustra’s opdracht was om na incarnatie en incarnatie in de Babylonische-Chaldeeuwse cultuur en uiteindelijk in dit Salomonische Jezuskind te incarneren. Dit kind was in staat om de grote vermogens die Zarathustra meebracht uit haar vroegere incarnaties te verwerken en verder te ontwikkelen. Dit kind gaf blijk van inzichten waarover een kind op deze jonge leeftijd onmogelijk kon beschikken. Hoewel dit Salomonische mensenkind al een hoge staat van individualiteit bezat, was het toch gewoon mens. Gelijk als wijzelf had het tekortkomingen, zonder nu gelijk aan verdorvenheid te denken.

 

De individualiteit van zarathustra heeft door een voor deze tijd door tempelpriesters op zijn twaalfde jaar door een occult proces het lichaam van het Salomonische jongen verlaten en is overgegaan in het lichaam van het Nathanische Jezus kind. Het drieledige lichaam van dit Jezuskind het Fysieke lichaam, etherisch lichaam en het astraal lichaam waren juist tegen overgesteld van die van het Salomonische kind. Het Salomonische Jezuskind, viel op door zijn grote begaafdheid van dingen, die je langs uiterlijke weg kunt leren. Het Nathanische Jezuskind was onbegaafd te noemen. Maar dit kind kon vanaf de geboorte spreken. Volgens het zogenoemde Arabische apocriefe evangelie, waarin het heet dat Jezus al sprak toen hij nog in de wieg lag. Dit kind sprak voor een voor mensen onbegrijpelijke taal, maar de overlevering zegt dat zijn moeder kon begrijpen wat de jongen zei. Bij dit Jezuskind, waren de hartkwaliteiten ontwikkelt. Opviel dat deze jongen buitengewoon liefdevol en toegewijd was er ging vanaf de eerste dag van zijn geboorte een weldadige werking van hem uit, wat men nu als magnetisch aan kan duiden.

 

In de geestelijke wereld zijn krachten verenigd, die niet alleen met elkaar in verbinding staan, maar deze krachten kunnen ook in het aardse leven worden uitgestort, zodat de mens zich daardoor kan doorontwikkelen. Daarmee geef ik aan dat het Nathanische Jezuskind is geïncarneerd door een zeer hoge liefdevolle bewustzijn, dat zich steeds door incarnatie zich ontwikkelt heeft tot het hoogste bewustzijn. Rudolf Steiner haalt hier  Gautama Boeddha aan.

Het belangrijkste om te weten is, dat de Boeddha-krachten werkzaam waren in de ziel( het astrale lichaam) van het Nathanische Jezuskind dat Lukas beschrijft. Zo zijn de hogere liefdes krachten in het astrale lichaam van het Nathanische Jezuskind  doorgedrongen, om vorm aan de mensheid te geven.

Als dit Jezuskind twaalf jaar oud is, gaat de Zarathustra individualiteit over in het drieledige lichaam van dit Nathanische Jezuskind.

Deze Boeddha- krachten werken sinds lang in op de westerse cultuur. Alle wereld beschouwingen die we de laatste eeuwen zien opbloeien zijn doortrokken van het Christus-impuls, maar daarin heeft vanuit de geestelijke wereld altijd Boeddha doorgewerkt. De krachten die wij nu van Boeddha ontvangen zijn niet dezelfde, Boeddha heeft zich als geestelijk wezen in de geestelijke werelden verder ontwikkeld en heeft daardoor kunnen deelnemen aan de verdere ontwikkeling van de westerse cultuur.

 

Om de individualiteit van dit Jezuskind te kunnen begrijpen gaan we terug naar de Lemurische tijd. Waarin de ontwikkeling van de mens op aarde eigenlijk pas begon. Alles vóór Lemurische tijd was een herhaling van de Saturnus-, Zon-, Maanfase. De Saturnus, Zon en Maan, is de ontwikkeling de evolutie tijd van de planeet die wij nu als aarde kennen.Saturnus Zon en Maan, zijn delen van de aarde afkomstig. In de Lemurische tijd is de kiem in de mens gelegd om zich in de loop van de aardse ontwikkeling het vierde wezensdeel ‘het bewustzijn’ in zich op te nemen. In de Lemurische tijd, ligt het tijdstip waarna pas echt van een menselijk geslacht gesproken kan worden. Voor deze tijd had de mens geen eigen bewustzijn, die zich steeds opnieuw incarneerde. Maar er wordt iets terug gehouden een hogere essentie van het bewustzijn werd door de heren van de vorm terug gehouden, ‘bewaard’.

 

Nu zou je bij jezelf kunnen denken, waar halen ze het vandaan, dit verhaal zal voor velen ongeloofwaardig overkomen. Dit komt doordat velen onder ons ver van hun innerlijke bron van wijsheid zijn verwijderd en alleen in de sfeer van het aardse hun ‘zekerheden’ en onzekerheden ontwaren. In de oude tijden was de mensheid nog nauw verbonden met de universele krachten hun lichamen waren nog niet zo verdicht waardoor men meer verbonden was met de natuur  in zich en uit buiten zich zelf, waardoor het invoelend vermogen het helderhorend zijn en het helderzien gewoon was. De hoge priesters waren de ingewijden die zich aan het Goddelijkplan, onderworpen, om dat wat Gods wil was, ten uitvoer te brengen.

 

Voor mijzelf was het ook even moeilijk een beeld te vormen, maar innerlijk moest het ook goed voelen en dat kon ik nog niet ervaren.

Mijzelf als voorbeeld nemende, probeerde ik mij het gebeuren innerlijk te begrijpen. Daarbij wordt ik mijzelf gewaar, dat tijdens mijn dagelijkse bezigheden,

datgene waarneem, dat achter de gewone zichtbare wereld, verborgen ligt.  Daarmee beleef ik mijn omgeving, op verschillende zijnsniveaus. Waarmee ik dus aangeef, dat ik mijn medemens en de wereld om mij, 4 dimensionaal waarneem. Ik zie door de gewone waarneming heen het, ‘fysieke’ materiële, stoffelijke leven, aan de mineralen wereld gelijk, het ‘etherische’ energetische, aan het plantenrijk gelijk, het astrale ‘ziele’ wezen aan het dierenrijk gelijk en diep in ons verborgen, de vonk van het Goddelijke aanwezig zijn, de monade, het voertuig van onze individualiteit, dat eenmaal door de poort van ons menselijk bestaan gegaan zijnd, zich aan ons bind, de monade! dat de vonk in zich draagt van onze Goddelijke afkomst, dat ons van incarnatie naar incarnatie gaand, tracht te verbinden met de eenheid en de erfenis van onze Vader. Deze vonk ligt diep in ons hart verborgen.

Het is voor mij moeilijk om de dingen gescheiden te zien, onmogelijk zelfs. Dit maakt mij vaak ook onbegrepen, in een wereld die door tweeheid gescheiden is. 

 

Nog steeds innerlijk zoekend, wil ik nu de beweeglijkheid van ons aller lichamen duidelijk maken. Tijdens onze slaap maakt zich het astrale lichaam met daarin de Godsvonk, zich los van het fysieke en ether lichaam en beweegt zich in de verschillende sferen. In de astrale sferen, de etherische sfeer, en in de hogere sferen van het Licht. de ‘Christus sfeer’, daar heen waar na gelang, de mens zijn dagelijks bewustzijn richt, in zijn denken en handelen. Zijn de geestelijke motieven zuiver, dan openen zich de sferen. Het lichaam blijft samen met mijn krachtlichaam het etherische terug en ‘slaapt’.

Nu wil het zo zijn dat ik tijdens een van deze uitredingen, een handwerker die hoog boven de grond zijn werkzaamheden had en dreigde te vallen, hulp heb geboden, door op te gaan in zijn wezen, waardoor juist die hand of die kracht geboden werd, om boven zich zelf uit te groeien en zodoende om zichzelf te kunnen redden. 

Hiermee herinnerend, voel ik diep in mijzelf, dat er een mogelijkheid zou kunnen zijn dat in de oude tijd, de mensheid die veel dichter dan wij allen, bij het nog pure leven stonden, waar men minder aan allerlei verleidingen bloot stond, en waar deze gewaarwordingen heel normaal waren, juist ook die krachten aanwezig waren, die hoge priesters middels een ceremoniële occult proces dat konden bewerkstelligen, zoals dit gegaan is bij het Salomonische Jezus kind waarvan de individualiteit is overgegaan in het Nathanische Jezus kind.

In wezen is alleen de monade het steeds weer incarnerende voertuig van het Goddelijk bewustzijn in het Nathanische Jezus kind ingedaald. Dit Nathanische Jezuskind was eerst drie ledig, nu is dus het vier ledig: fysiek, etherisch, astraal, met diep inzich het Christuswezen, de Goddelijke erfgenaam.  Over bleef het nu drieledige lichaam van het Salomonische Jezuskind.  

 

Maar innerlijk voelde ik nog geen bevestiging op de eerdere vraag die ik gesteld had, om uit mijn onwetendheid te treden. Het antwoord kreeg ik de volgende dag, via woord en beeld aan mij getoond, waarbij er een intense innerlijke stroming via mijn hoofd door mijn lichaam heen naar de voeten stroomde en ik intuïtief wist dat, dat het antwoord waarheid was.

Getoond werd mij het Judas evangelie. Waarin het traditionele verhaal van Judas als verrader weerlegd werd. Judas was door Christus Jezus uitverkoren, om het Goddelijk plan ten uitvoer te brengen, om de mensheid te bevrijden zodat ook de mens de mogelijkheid heeft om tot God op te stijgen. Het plan dat daarom ten uitvoer gebracht moest worden was, dat hij Judas Christus Jezus moest verraden. Judas was als enige op de hoogte van de waarheid van zijn Meester. Judas wist als enige onder de apostelen, wie zijn geliefde  Meester werkelijk was. Om het Goddelijk plan ten uitvoer te brengen, moest nu Judas zijn geliefde Meester ‘verraden’. Zodat de verlossing van de mensheid uitgevoerd kon worden met de dood van Christus Jezus op de Schedelberg, genoemd Golgotha en zijn verrijzenis uit de dood waardoor de mensheid uiteindelijk bevrijd zou zijn. Dit Goddelijk plan heeft zich door Judas kunnen voltrekken. Ook hetgeen dat gebeurde in de tempel met de twee Jezus kinderen behoorde tot het Goddelijke plan was onderdeel tot wat later tot de doop van Jezus van Nazareth voerde en later met de dood van Christus Jezus werd afgesloten zoals Christus Jezus hangend aan het kruis tot zijn Vader sprak “Vader het is volbracht” Judas zelf kon het verlies van zijn zo zeer geliefde Meester verwerken, en verhing zichzelf.

 

 

Door:Antoinette Meesters

www.universelevrede.nl

 

 

 

 

 

www.universelevrede.nl

info@universelevrede.nl

gastenboek

 

 

 

johannesevangelie.jpg

 

 

Het Johannes Evangelie

Een serie voordrachten

Rudolf Steiner

 

De leer van de logos 15

Christelijke esoteriek 34

De zending der aarde 52

De opwekking van Lazarus 73

De zeven graden van inwijding 97

Het Ik-ben 119

Het mysterie van golgotha 137

De ontwikkeling van de mens in samenhang met het Christusprincipe 154

Het ontstaan van het christendom 172

De invloed van de Christus-impuls op de mensheid 189

Vormen van de Christelijke inwijding 206

Het wezen van de jonkvrouw Sophia en de Heilige Geest 219

 

 

 

 

 

De Lemurische en Atlantische tijd

De ontwikkeling van het “IK ben”

 

Uit het Johannes evangelie, door Rudolf Steiner.

De leer van de logos

 

De Onderstaande studie, heeft een tweeledig doel.

Aan de hand van het Evangelie zelf, willen we doordringen tot de diepe geheimen van het bestaan, en daarbij ons voortdurend bewust zijn, hoe de beschouwingswijze in geesteswetenschappelijke zin moet zijn, als ze zich richt op een der belangrijkste documenten, zoals ons die door de verschillende godsdiensten ter wereld zijn overgeleverd.    

 

Het is niet de opgave van een geesteswetenschappelijke wereldbeschouwing, om eenvoudig van zo’n document uit te gaan en er waarheden, uit te lichten en die op autoriteit van dat religieuze document te verkondigen.

De werkelijke opgave van een geesteswetenschapelijke wereldbeschouwing  is dat men wenst aan te tonen, dat de mens als deze zijn innerlijke krachten en mogelijkheden leert aan te wenden, kan doordringen tot de geheimen van het bestaan, tot die werelden, die achter de zintuiglijke wereld verborgen liggen. De geesteswetenschap dient van alle documenten vrijstaande bronnen van kennis aangewezen te zijn. Stelt u zich eens voor, dat alle religieuze documenten ter wereld verloren zijn gegaan, en de mens alleen de innerlijk geestelijke mogelijkheid tot beschikking heeft om tot de geheimen van het bestaan door te dringen. De geesteswetenschap nu moet alleen maar op deze, van alle documenten vrijstaande bronnen van kennis aangewezen zijn.  Nadat men dus zelfstandig onderzoekt, onafhankelijk van alle documenten, dan leert men ze ook pas op hun werkelijke waarde te schatten. Men is in zekere zin dan vrij en onafhankelijk ervan.  Men herkent er dan in, wat men tevoren zelfstandig gevonden heeft. Als u op deze wijze zich met de religieuze documenten bezighoudt, zullen deze nooit aan waarde verliezen er zal nimmer sprake zijn van verlies van eerbied en verering.

 

Blz 19 Blz 19 Het is niet te verklaren, hoe het komt dat theologen, die tot taak hebben, verklaringen te geven over een zo belangrijk document als de Johannes Evangelie, juist dit document achter stellen bij de andere Evangeliën. Over het Johannes Evangelie, zijn er uiteenlopende opvattingen en overwegingen ontstaan. In oude tijden werd het document vereerd als een van de diepzinnigste en belangrijkste documenten dat over het wezen en de zin van het werken van Christus-Jezus op aarde. In de vroegere tijden van het Christendom zou het niemand ingevallen zijn om de Johannes Evangelie niet als belangrijk historisch geschrift over de gebeurtenissen in Palestina te beschouwen. Maar juist degenen die menen op het gebied der historische navorsingen het meest te presteren, hebben de overtuigingen die over het Johannes Evangelie bestond ondergraven. Enige honderden  jaren geleden is men begonnen opmerkzaam te worden op de tegenstrijdigheden, die er tussen de Evangeliën bestaan. Na veel strijd onder de theologen, heeft dit tot gevolg. Men zei: “Er komen veel tegenstrijdigheden voor in de Evangeliën en men kan geen duidelijk begrip ervan krijgen, hoe het komt, dat van vier verschillende kanten in de Evangeliën de gebeurtenissen in Palestina op een andere manier worden verteld. Men zei:”Als we letten op de beschrijvingen in Mattheus, Markus, Lukas, en Johannes, dan komen daar zoveel verschillende bijzonderheden in voor, dat men onmogelijk kan aannemen, dat ze overeenstemmen met de historische feiten”.

In de nieuwere tijd is de opvatting ontstaan, dat men met betrekking tot de 3 eerste Evangeliën nog een zekere overeenkomst kon zien in de beschrijving van de gebeurtenissen in Palestina, maar het Johannes Evangelie week wel zeer af van wat de andere 3 Evangeliën meldden en daarom moest men meer geloof hechten aan de eerste 3 Evangeliën. Langzamerhand is men er toe gekomen te zeggen dat: “Dit Johannes Evangelie is in het geheel niet met de zelfde bedoeling geschreven als de eerste 3 Evangeliën. Deze wilden slechts vertellen, wat er gebeurd is; de schrijver van het Johannes Evangelie had een andere opdracht. Om verschillende redenen, heeft men aangenomen dat het Johannes Evangelie pas omstreeks 230 of 240 n.Christus is opgetekend. Men zei daarom:”Het Johannes Evangelie is misschien opgeschreven in een tijd waarin misschien ook al tegenstanders had.” Tegenstanders die opgetreden zijn tegen het Christendom en degenen, die deze overtuiging aanhingen zeiden:”De schrijver van het Johannes Evangelie is iemand, die vooral de bedoeling had een leerboek te schrijven, een soort apologie, zoiets als een verdediging van het Christendom tegenover stromingen, die zich ertegen verzet hadden. De schrijver van het Johannes Evangelie had (volgens hen) niet de bedoeling om historische feiten trouw weer te geven, maar hij wilde zeggen, hoe zijn verhouding was tot zijn Christus. En zo zien velen niets anders in het Johannes Evangelie als een soort religieus gedicht, dat de schrijver vanuit een religieus-lyrische stemming ter ere van zijn Christus heeft neergeschreven om ook anderen geestdriftig te maken en in dezelfde stemming te brengen. 

 

Blz 21 Sedert enige eeuwen neigt de mens naar het materialisme. Vandaar er een neiging tot aversie is ontstaan tegen de opvattingen van de wordingsgeschiedenis, zoals deze in de eerste woorden van het Johannes Evangelie tot ons komt. De schrijver van het Johannes Evangelie kon volgens zijn hele aard niets anders dan met het woord van Jezus van Nazareth zo hij spreekt beginnen, met wat Hij “het woord” of “de Logos” noemt; Hij kon niets anders doen, dan beginnen als: “Dit Woord was in den beginne en alles is door het Woord ontstaan”, of door “de Logos”.

 

Blz 22 Wanneer dit woord in zijn volstrekte betekenis wordt neergezet, dan zouden we moeten zeggen: de schrijver van de Johannes Evangelie ziet zich gedwongen, het oerbegin van de wereld, het Hoogste, waartoe een mens zich kan verheffen als Logos te betitelen en te zeggen:”Alle dingen zijn door deze

Logos, het begin van alle dingen, geschapen.”

Dan gaat hij verder en zegt:”Deze Logos is vlees geworden, en heeft onder ons geleefd. Hiermee zegt hij:”Gij hebt Hem gezien, Die onder ons geleefd heeft. Gij zult Hem slechts kunnen begrijpen, als gij Hem beschouwt als hetzelfde Principe, waardoor alles, wat om u heen bestaat aan planten, dieren, en mensen geschapen is. Volgen het Johannes Evangelie is dit principe van een allerhoogste orde, dat zich eenmaal in het vlees belichaamd heeft.  Hier doen wij volgens alle theologische begrippen geen beroep meer op enig bovenzinnelijk principe  en voelen wij ons het meest verbonden met de Jezus uit de drie eerste Evangeliën, want Hij is “de eenvoudige man van Nazareth”, die gelijk is aan alle andere mensen.”  Deze benadering komt tegemoet aan de behoefte van de mensen, om alles wat historisch is op gelijk niveau te stellen met algemeen menselijke gebeurtenissen. Vandaar dat men spreekt van de “eenvoudige man uit Nazareth”. Alles wat hoger aangeschreven is, zint de door de eeuwen heen, steeds meer gematerialiseerde mens niet.Van belang is enkel het stoffelijk waarneembare, maar ook dat dit het enige is, wat van belang is. Het bovenzinnelijke is niet controleerbaar, dus bestaat  niet. Toen men het gevoel voor het bovenzinnelijke verloor, drong het materialisme als eerste het religieuze leven binnen.

Dit zien we bijvoorbeeld  bij de opvattingen rond de werkelijke spirituele opvattingen van het Avondmaal, de verandering van brood en wijn in vlees en bloed.

 

Blz 24 In de eerste helft van de Middeleeuwen, wisten velen nog de woorden: “Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed” spiritueel op te vatten. Het materialisme sloop het religieuze binnen en vermaterialiseerde de spirituele betekenis van de leer van het Avondmaal. Waardoor bij de woorden:”Dit is mijn lichaam, dit is mijn bloed”, de mensen zich alleen maar een materiële omzetting konden voorstellen.  Een ander voorbeeld doet zich voor in het scheppingsverhaal ook de 6 dagen werden beschouwd als dagen van 24 uur, zoals deze tegenwoordig zijn.  Wat is een dag dan? Een dag ontstaat door de omwentelingsverhouding van de aarde met de zon. Deze verhouding wordt pas in de 4e “dag” van de genesis verteld. “Dagen” konden pas ontstaan op de 4e “dag” van de schepping. Dus op de 4e “dag”, zijn de omstandigheden zo, dat er van dag en nacht sprake kan zijn, voordien was dit onmogelijk. Degenen, die zich bezig gehouden hebben met de ontwikkeling van de geestelijke krachten en mogelijkheden van de mens, zullen weten, dat er verschillende bewustzijnstoestanden bestaan. In het 2e hoofdstuk van het eerste boek Mozes- het 21e vers; staat: “Toen liet God de Heer een diepe slaap vallen over de mens en hij sliep in.” “God liet de mens in een diepe slaap verzinken en zo kon de mens waarnemen wat hij met zijn stoffelijke zintuigen niet kon opmerken.” Hiermee wordt een helderziende slaaptoestand bedoeld. Daarom valt Adam “in een diepe slaap.” Dit was een oude verklaring, die niet in een religieus document vermeld zou worden. Voordien leefde de mens in bewustzijnstoestanden, waarin hij nog voortdurend geestelijke feiten kon waarnemen.  

 

Blz 26 Door de materialistische gezindheid van de mensheid is de ware het werkelijke begrip voor de religieuze documenten verloren gegaan. In de eerste instantie werd de bijbel op een materialistische wijze uitgelegd. Dit heeft ertoe bijgedragen dat de Johannes Evangelie niet kon groeien in de geest van de mens. Men kon de waarde ervan niet tot zich laten doordringen. Daardoor is dan al dadelijk het begin van de Johannes Evangelie heel moeilijk voor de materialistisch beïnvloede mens geworden. De leer van de Logos of het Woord heeft de mensen veel moeilijkheden bezorgd. Men zou liever gezien hebben dat alles eenvoudig, kort en kinderlijk beschreven zou zijn. De Johannes Evangelie spreekt van verheven dingen, over Logos, Leven, Licht!” De andere Evangelisten, drukten zich toch met en eenvoudig verstand uit dat men kon volgen, zij waren niet zo filosofisch! Men had het idee dat de schrijver van de Johannes Evangelie iemand was met een Griekse opvoeding, die net zo als andere Griekse schrijvers over de Logos spraken.  Men meende dat men in ontwikkelde Griekse kringen van Logos sprak, als men het over de hoogste dingen had. Men had een sterk geloof in autoriteit; de materialistische bril heeft deze opvattingen over de Johannes Evangelie doen ontstaan en daardoor moeilijk toegankelijk gemaakt.

 

Blz 29 Maar waarover spreekt hij, die toentertijd het woord “Logos” of “het woord” op tekende?  Een verklaring moet u met uw hart benaderen, door u te verplaatsen in het gevoelsleven, van allen die over de Logos spraken. Deze mensen zagen alles om zich heen via innerlijke gewaarwording, men zag het Hogere in alles wat men om zich heen waarnam. In de omringende natuur, de mineralen, de planten en dieren en de mens.

Er was een tijd, waarin de mens nog niet in de huidige gestalte bestond en ook niet in staat was zijn innerlijke gevoelens naar buiten onder woorden te brengen. Er was dus een andere tijd. Het heeft veel tijd gekost, voordat de aarde haar huidige ontwikkelingsstadium bereikte. (zie ook de evolutie van de aarde en de mens)

 

blz 31 Onze wereld is geleidelijk ontstaan. Zo ook de mens, die hun diepste gevoelens naar buiten kunnen laten klinken door middel van woorden. Maar wat bij de mens als allerlaatst tot ontwikkeling komt, is er in de wereld het allereerst geweest. We moeten ons voorstellen, dat de mens er in zijn huidige gestalte nog niet was, toen de aarde nog in een vroegere ontwikkelingsstadia verkeerde; Maar als nog onvolkomen wezen was de mens er wél; hij heeft zich heel geleidelijk ontwikkeld tot het wezen, dat met het woord (of de Logos) begiftigd is. Dit kwam doordat het scheppende principe, dat zich bij hem als laatste openbaart, in een hogere werkelijkheid in de beginne er al was. Wat zich uit de ziel los worstelt, dat was er als goddelijke aanvang al van het begin van zijn ontwikkeling. Het woord dat uit de ziel opwelt, de Logos was er in den beginne al en de Logos heeft de ontwikkeling zo geleid, dat er ten slotte een wezen ontstond, waarin de Logos zelf verschijnen kon. Wat aan het eind van de ontwikkeling in tijd en ruimte verschijnt, was in de geest het eerst aanwezig. De mensheidsontwikkeling heeft tot doel, dat aan het eind daarvan de Logos of het Woord, dat het innerlijke van de ziel onthult, te voorschijn treed. De mens komt dus voort uit de niet sprekende mens, maar uiteindelijk is “in den beginne het Woord of de Logos”.

Degene,  nu, die de Logos-leer in de oude zin aanhangt, dringt door tot het Goddelijke scheppingswoord, dat de aanvang van alle bestaan is; hierop wijst de schrijver van de Johannes Evangelie al gelijk aan het begin. Daar zegt hij: “In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en God was het Woord.” Daarmee zegt hij: Waar is het Woord nu in deze tijd? Het Woord is er hede ten dage ook. Het Woord is nu bij de mens en het Woord is iets menselijks geworden. Op deze wijze verbind de schrijver van de Johannes Evangelie de mens met God, waardoor er een leer ontstaat, die voor ieder mensenhart makkelijk na te voelen is.  Op deze wijze kon de aanhanger van de Logos-leer de woorden van de Johannes Evangelie invoelen. Dit is de diepe betekenis van de Johannes Evangelie, die ons in staat stelt het Evangelie te kunnen begrijpen.

 

Christelijke esoterie

 

Blz 34 De eerste woorden van de Johannes Evangelie voeren ons meteen tot de diepste wereldgeheimen. In de antroposofie zijn deze geheimen al langer bekend, daarom zullen de volgende elementaire waarheden van de antroposofische wereldbeschouwing in onze herinnering terug geroepen worden.

We weten dat de mens bestaat uit stoffelijk lichaam, ether- en astraallichaam en IK het Hogere Zelf. Deze vier wezensdelen van de mens zijn op de wijze, zoals we die voor de waaktoestand beschrijven, ook alleen maar gedurende die tijd op deze manier met elkaar verbonden.

Wanneer de mens in een slaaptoestand verkeert gebeurd het volgende! Als de mens slaapt, liggen fysiek lichaam, etherlichaam in bed; astraallichaam en IK, hebben zich losgemaakt, uit de verbinding met fysiek lichaam en etherlichaam; Het astraallichaam en IK, zijn nu buiten het lichaam, en vormt het lichaam in de nacht een wezen dat uit twee delen bestaat.

Het fysiek lichaam en etherlichaam.

Ons fysieke menselijk lichaam, heeft een lange ontwikkelingsgang achter zich, dat het heeft doorgemaakt gedurende de gehele aarde-ontwikkeling. Evenals de mens van incarnatie tot incarnatie gaat, hebben zowel de aarde als de planeten voorgaande bestaansvormen doorgemaakt. Alles is onderworpen aan de wet van herbelichaming; voordat de onze aarde “aarde” werd, heeft ze een fase doorgemaakt, die wij de “oude maan” noemen, omdat onze huidige maan een stuk is van die oude planeet; als we dus van de “oude maan” spreken, bedoelen we niet onze tegenwoordige maan, mar een planeet, die veel op onze aarde lijkt. De tijdsruimte die tussen twee incarnaties van de mens ligt, is dat ook het geval bij onze aarde en wat wij de “oude maan” noemen. Dit is ook het geval met wat wij de “zonne”-toestand van onze planeet noemen. Een “zonnefase” ging vooraf aan de “maanfase” en voor de “zonnefase” bestond er een “saturnus-toestand” dat we de “saturnusfase” noemen. We zien hier dus terug op drie vroegere incarnaties van onze aarde.

 

Ons fysieke lichaam is in eerste aanleg (kiem) op de oude”saturnus” ontstaan. Meer dan het fysieke lichaam, was er nog niet aanwezig. Pas toen de “saturnusfase”van de aarde  veranderde in de “zonnefase”, dus gedurende de tweede levensfase van de aarde, kwam het etherlichaam erbij, en doordrong het stoffelijk lichaam. Het gevolg hiervan was dat het fysieke lichaam een verandering onderging; het kreeg een andere vorm, het kreeg een andere levenswijze. Tijdens de “zonnefase” van onze aarde stond het fysieke-lichaam op zijn 2e ontwikkelingstrede. De verandering bestond erin, dat het fysieklichaam innerlijk levendiger werd, terwijl het tijdens de “saturnusfase “van de aarde nog iets automatisch had. Tijdens de “maanfase” van de aarde, kwam het astraallichaam erbij. Wederom werd het fysieke lichaam omgevormd; dit was de derde maal, dat het een andere vorm kreeg. Tensl;otte kwam op de “aarde”het IK bij en dit vormde het fysieke lichaam ten vierde male om. Het gecompliceerde wezen ontstond, dat tegenwoordig “mens” heet. Wat we tegenwoordig als stoffelijk-lichaam voor ons zien, is een vorm, die veel veranderingen ondergaan heeft. 

 

Blz 38 Ons fysieke lichaam kan uit zich zelf zijn vorm niet behouden; die behoud het in zoverre en zo lang als een etherlichaam, astraallichaam en IK erin aanwezig zijn. Op het moment, dat deze laatsten zich eruit terugtrekken, verandert het fysieklichaam onmiddellijk; het volgt de wetten van de fysieke krachten, en gaat tot ontbinding over. Nadat direct na de dood ook het etherlichaam, astraallichaam en IK, zich hebben losgemaakt van het stoffelijk lichaam, maakt korte tijd later daarna zich het etherlichaam los uit de verbinding met astraallichaam en IK en lost op in de wereldether, op een soortgelijke wijze als het fysieke lichaam zich in de aarde oplost. Van het etherlichaam blijft dan alleen nog het extract over, dat met de mens verbonden blijft.  Hiermee kunnen we zeggen dat het menselijk fysiek lichaam in zekere zin van dezelfde waarde is als ons bestaande mineralen rijk.

 

Blz 38  Het mineraal draagt zijn etherlichaam, astraallichaam en ik niet in zich. We weten dat er behalve onze wereld hier, nog andere werelden bestaan. De wereld, die we hier om ons heen zien, wordt doordrongen door een astrale wereld en deze op haar beurt weer door de devachanische wereld, die weer in een lagere en een hogere verdeeld is.

Ten opzichte van het mineraal is de mens in zoverre in het voordeel, dat hij in wakende toestand zijn drie wezensdelen in zich draagt; dat heeft het mineraal niet. We moeten ons zo voorstellen, dat het mineraal hier niet volledig aanwezig is in onze wereld. Het mineraal bezit niet alleen een stoffelijke vorm, maar bezit ook een etherlichaam, astraallichaam en ik; deze wezensdelen bevinden zich echter in hogere werelden, in de devachanische of hemelse wereld.  

 

Blz 39   We zien dus dat de mens in waaktoestand een ander wezen is dan wanneer het slaapt. De mens in waaktoestand bestaat uit 4 wezensdelen en de slapende mens beschouwen we als zij stoffelijk lichaam en etherlichaam, het astraal en Ik zijn daarbuiten. Bij de mens treed elke nacht astraal lichaam en ik uit. Iedere nacht treedt deze verandering in en neemt de geestelijke mens in feite afscheid van zijn fysiek lichaam en etherlichaam. Misschien is dit moeilijk te begrijpen, maar wat gebeurt er ’s nachts? Uw astraal lichaam en ik, zijn niet in uw fysieke en etherlichaam, maar daarvoor in de plaats zijn er hogere goddelijk-geestelijke wezens werkzaam.

Wanneer we de mensheid beter beschouwen, van “saturnus” af door de “zon” en “maan” fasen tot aan de “aarde, dan  weten we dat tijdens de “saturnusfase van de aarde enkel het fysieke lichaam van de mens bestond; er was nog geen etherlichaam, geen astraallichaam en geen ik, in dit fysieke lichaam. Maar in die tijd kon een fysiek lichaam  niet uit zichzelf bestaan. Dit fysieklichaam kon alleen leven, doordat het doortrokken was van etherlichaam, astraallichaam en ik, van hogere geestelijke wezens. Deze geestelijke wezens woonden in die allereerste fysieke lichamen en ze bleven dat ook doen. Toen er op de “zon” een eigen etherlichaam in elk stoffelijk lichaam binnen drong, vermengde zich het menselijke etherlichaam, met dat hogere geestelijke. 

 

Blz 41 In de eerste instantie was dit ook al op “saturnus” Ook op “saturnus werd het fysieke lichaam doordrongen door hogere geestelijke wezens. Wanneer dieper komen we bij de Christelijke esoterie dat van aanvang onderwezen is. Deze Christelijke esoterie werd altijd al geleerd en zorgvuldig behoed naast de uiterlijke, exoterische Christelijke leer. Ook in de Christelijke esoterische school werd gezegd; als men de mens beziet, als hij wakker is, dan bestaat hij uit fysiek lichaam, etherlichaam, astraallichaam en IK. Ook werd duidelijk gemaakt, op welke trede van ontwikkeling de mens op dat moment stond. Deze mens met zijn 4 wezensdelen blijft niet de zelfde. Wanneer we de mens in zijn zuiverste 4-delige samenstelling willen bezien, dan moeten we ver in de ontwikkeling teruggaan en wel tot de Lemurische tijd. In die tijd kreeg de mens, die toen uit fysiek lichaam, etherlichaam, astraallichaam bestond, er een Ik bij. Toen kon men naar waarheid zeggen, dat de mens bestond uit fysiek lichaam, etherlichaam, astraallichaam en IK. Sindsdien is iedere mens door veel incarnaties heengegaan.

 

De bedoeling van incarnatie is dat men aan zich zelf werkt, dat het de drie overige wezensdelen omwerkt. Deze omwerking begint bij het astraallichaam. Bij geen één mens van nu is het astraallichaam nog zoals het was, voordat het ik er zich bij de eerste incarnatie op aarde mee verbond. In de eerste incarnatie werkte het ik van binnenuit bepaalde voorstellingen, gevoelens en driften om, die de mens oorspronkelijk had meegekregen. Incarnatie na incarnatie werden deze verder doorgewerkt.

Tengevolge van het werken van het ik in het astraallichaam, is en deel daarvan een schepping van het ik geworden. Bij iedere mens valt het astraallichaam in twee delen uiteen: één deel, dat door het ik is omgewerkt en één deel, dat nog niet veranderd is. Dit proces zal steeds verder voort gaan. Er zal voor ieder mens een tijd komen waarin zijn hele astraallichaam een schepping van zijn Ik zal zijn. In de Oosterse wijsheidsleer noemt men dit omgewerkte deel van het astraallichaam Manas, Geestzelf. De mens bestaat weliswaar uit 4 wezensdelen, maar we kunnen er nu toch 5 opnoemen: stoffelijk lichaam, etherlichaam, astraallichaam ik en het 5e deel, het omgevormde deel van het astraallichaam, Manas, of Geestzelf.

 

De aarde zal volgende incarnaties beleven; de mens zal geleidelijk aan ook aan zijn etherlichaam werken, zoals ingewijden dat nu al doen. Dat deel dat omgewerkt is tot een product van het IK, noemen we Boeddhi of Levensgeest. Als laatste komt de mens zover, dat hij vanuit zijn Ik, zijn fysieke lichaam omvormt; dat deel, dat omgewerkt zal zijn, noemen we Atman of Geestmens.

 

Blz 43   Onze blik richtend naar de verre toekomst, wanneer de aarde andere  bestaansvormen, zoals het occultisme beweert: de Jupiter-, Venus-, en Vulcanus-toestand, zal hebben doorgemaakt. Dan is de mens op een andere trede van zijn ontwikkeling aangekomen.

Toen de aarde haar begin nam, was het fysieke lichaam doordrongen van een etherisch lichaam, astraallichaam en ik maar die behoorden aan hogere, goddelijke wezens; die woonden daarin. Aan het einde van de

Aarde-ontwikkeling zal de mens de mens geheel doordrongen zijn van zijn ik. Deze ik woont nu zelf in het astraallichaam, als het als Manas of Geestzelf het astraallichaam doordrongen heeft; dit ik, heeft dan ook het etherlichaam doorwerkt, zodat het Boeddhi of Levensgeest geworden is en het stoffelijklichaam is geheel doortrokken van Atman of de Geestmens, eveneens het werk van het ik.

Dit is een groot verschil tussen de mens aan het begin van zijn ontwikkeling en aan het eind van zijn ontwikkeling.Wanneer we dit verschil even vasthouden, krijgen we een verklaring voor de slaaptoestand; deze werd met opzet als tegenstrijdig voorgesteld. De Christelijke leer zal het ons duidelijk kunnen uitleggen: Hoe zal ons fysiek lichaam zijn? Als de aarde aan het eind van haar ontwikkeling aangekomen is? Ons fysiek lichaam zal zich zo tonen, door wat het ik van het stoffelijk lichaam gemaakt heeft, dåt ja! Ons stoffelijk lichaam zal geheel vergeestelijkt zijn; evenals het etherlichaam en het astraallichaam. Het menselijk fysiek lichaam was ook al van geest doortrokken, evenals het ether-, en astraallichaam, vóórdat de mens het met zijn ik van geest begon te doortrekken.

 

Blz 44 Nu kunnen we begrijpen, als de Christelijke esoterie zegt: “Ja, wat we als fysiek lichaam in onze tijd voor ons zien, kan de mens nog niet geheel beheersen; de mens is namelijk nog niet aan het eind van zijn ontwikkeling aangekomen; daar kan hij namelijk pas zijn gehele lichaam vanuit zijn ik doorwerken. Ook zijn etherlichaam heft hij nog niet in zijn macht; dat zal pas het geval kunnen zijn, als de aarde in haar Venusfase zal zijn aangekomen.

De mens kan vanuit zijn ik, zijn fysiek en etherlichaam nog niet beheersen; pas als hij Boeddhi en Atman, heeft bereikt, zal hij het kunnen. Zo’n fysiek en etherlichaam moet op spirituele wijze beheerst worden. Wat hij van zijn fysiek en etherlichaam maken kan, draagt hij al als mogelijkheid in de kiem bij zich. In de aanvang ten tijde van de “saturnusfase” en tijdens de “zonfase” was deze kiem er al in aanwezig en is nog steeds in de mens te vinden. In de Christelijke esoterie, zegt men dat: In het fysieke lichaam van de mens ligt nu al verborgen, wat er naderhand uit zal komen, als de mens op het hoogtepunt van zijn ontwikkeling zal staan; nu is het nog godelijk Atman, dus van goddelijk-geestelijke aard. Ook in het etherlichaam is het zo; daarin ligt ook Boeddhi verborgen, maar het is goddelijke Levensgeest.

Ook het astraallichaam van de mens bestaat uit twee delen: uit een deel dat hij al beheerst en een deel dat hij nog niet beheerst. In het deel dat hij nog niet beheerst is ook een Geestzelf werkzaam, maar deze is van goddelijke aard. Alleen in het deel van het astraallichaam, waarin het ik al werkzaam was tijdens de eerste incarnatie, vindt men het eigenlijke geestelijke deel des mensen.

 

Blz 45 Wanneer we de mens beschouwen in waak toestand dan zien we een stoffelijk lichaam, en zien we alleen de buitenkan voor ons. Van binnen is hij van Atmische aard, dus doortrokken van goddelijke-geestelijke aard. Precies zo is het met het etherlichaam. Van buitenaf is het dat wezensdeel, dat het stoffelijk lichaam bijeen houdt, maar van binnen is het goddelijke Levensgeest. En zelfs het astraallichaam is doordrenkt in goddelijk Geestzelf. Alleen het omgewerkt deel van het astraallichaam is datgene, wat het ik zich uit deze samenhang al veroverd heeft.

 

Bij de slapende mens verdwijnt deze tegenstelling onmiddellijk. Wanneer we de slapende mens beschouwen, zien we dat hij met zijn astraallichaam en ik buiten zijn fysiek en etherlichaam is. Iedere nacht verlaat hij zijn stoffelijk lichaam en etherlichaam. Als hij zijn stoffelijk lichaam zou verlaten, zonder dat daar van goddelijk-geestelijk zijde voor gezorgd werd, zou hij ’s morgens zijn lichaam niet in goede staat weervinden. Iets goddelijk-geestelijk-stoffelijks en iets goddelijk-geestelijk-etherisch bevindt zich er nu in en blijft er ook in, als fysiek en etherlichaam in bed liggen en astraallichaam en ik, zich elders bevinden. Het fysiek licham en etherlichaam zijn doortrokken van goddelijk-atmische en goddelijk-boeddhische wezens.

 

Blz 46 In het begin van de aarde-ontwikkeling, toen het ik nog niets in de menselijke wezensdelen had veroverd en de mens voor zijn eerste incarnatie stond, was het ik nog niet verbonden met het fysiek lichaam, etherlichaam en astraallichaam. Deze drie laatste wezensdelen kwamen van de maan op de aarde en pas hier op onze aarde kwam het ik erbij. In deze drie laagste wezensdelen was toen een goddelijk ik aanwezig; de andere wezensdelen zouden niet in leven hebben kunnen blijven, als er niet een goddelijk ik in leefde en hen doordrong. Het astraallichaam was doortrokken van een goddelijk Geestzelf, het etherlichaam van een goddelijke Levensgeest en het stoffelijk lichaam van een goddelijke Geestmens. 

 

Wanneer we nu verder terug gaan naar “maan”, “zon” en “saturnus”fasen; op “saturnus” dan was het zo dat de goddelijke levensgeest, nog aanwezig is in de slapende mens, het fysieke mensenlichaam als iets mineraals heeft geschapen; in de “zonne”-fase vormde hij het tot iets plantaardigs; tijdens de “maan”-fase kon hij er iets van scheppen, dat vreugde, en verdriet kon voelen, maar nog geen “IK”tot zichzelf kon zeggen. Deze lagere ntwikkelingstreden, heeft de mens doorgemaakt.

 

Wanneer we aankomen bij de “aarde+-ontwikkeling, moest het fysieke lichaam van de mens nog een verdere verandering ondergaan om nog volkomener, ontwikkelder te worden, dan het al was. Wat kon hij vroeger niet?, Wat was hem geheel vreemd? Wat had de Goddelijke Geest nog niet aan hem geschonken? Wat had hij het menselijk lichaam nog niet toevertrouwd? Dat was de mogelijkheid om vanuit zijn binnenste nar buiten te laten klinken, wat er in hem omging. Tijdens de “maan”-fase, was dit mensenlichaam, dat op de trede van een dier stond, stom. De mogelijkheid om zich te uiten, beruste nog bij God. De dieren in onze tijd, kunnen geluid geven, maar ze verkeren nog in andere toestanden. Ze geven wel geluid, maar dat geluid is afkomstig van het goddelijke in hen. De mogelijkheid om woorden te uiten, wat de ziel beweegt, werd pas later op aarde aan de mens geschonken; voordien was de mens stom. Daarmee is de gave van het woord pas op aarde aan de mens ten deel gevallen. 

 

Blz 47 De hele menselijke ontwikkeling is zo geleid, dat de gave van het spreken, het woord om zo te zeggen, oorspronkelijk bij God berustte en dat God eerst de voorwaarden geschapen heeft, waardoor in het fysieke lichaam de mogelijkheid tot spreken ontstond en het woord van binnen uit kon klinken.

Als we naar het menselijk lichaam kijken zoals het was tijdens de “saturnus”-fase zou je jezelf kunnen afvragen, “waar kwam dit menselijk lichaam vandaan”? Wat is zijn allerdiepste begin-wezen?  Wat was onontbeerlijk vor hem om de hele ontwikkeling te kunnen meemaken?

Hij is afkomstig van de Logos of het Woord. Want reeds tijdens de “saturnus”-fase werd dit menselijk lichaam in een dusdanige richting uitgestuurd, als het ware, dat het later tot spreken in staat zou zijn, een bewijs van het bestaan van de Logos zou worden. Dat dit menselijk lichaam zo gevormd is, als we het nu voor ons zien, is het gevolg van het feit, dat aan het plan voor onze schepping het “WOORD” ten grondslag lag. Het hele menselijk lichaam is van aanvang aan, zo gevormd, dat er tenslotte het woord uit zou klinken. Als dus de esoterisch denkende Christen naar dit lichaam kijkt en vraagt:”Wat is hiervan het oerbeeld en wat is hiervan de afspiegeling”? dan zegt hij: “Dit mensenlichaam is afkomstig van het “Woord” of de “Logos”. En deze werkt van het af in het mensenlichaam en doet dat nu nog.

 

Blz 48 Wanneer het fysieke lichaam in bed ligt en door het IK verlaten is, dan is de goddelijke Logos werkzaam in de wezensdelen, die door de mens verlaten zijn. Als we dus naar de eerste oorsprong van het fysieke lichaam vragen, luidt het antwoord:”Het eerste was er de Logos” of het “Woord”.

Verder in de ontwikkeling wanneer de “saturnus”-fase overgaat naar de toestand in die van de “zonne”-fase; kreeg het menselijk lichaam er het levenslichaam bij. Maar wat gebeurde er voor dat het zover kwam? Terwijl op “saturnus” het fysieke lichaam een soort automatisch lichaam was, geheel en al doordrongen en in stand gehouden door de “Logos”, kwam er op de “zon” een levenslichaam bij en daarin werkte de goddelijke Levensgeest. Op “saturnus”is het menselijk lichaam de volledige uitdrukking van de “Logos”, tijdens de “zonne”-fase incarneert dit lichaam opnieuw en krijgt op dat moment het menselijke lichaam het Levenslichaam toegevoegd, dat doortrokken is met Levensgeest. Tijdens de “zonne”-fase wordt de “Logos” leven, doordat hij de mens op een hogere trede van ontwikkeling had gebracht. De “Logos”, was het leven op de “zon”. Gaan we verder dan zien we dat tijdens de “maan”-fase komt het astraallichaam erbij. Wat is het astraallichaam? Voor een helderziende aanschouwing is het de aura die de mens omgeeft. Het is een lichtlichaam, dat niet zichtbaar is voor ons tegenwoordig bewustzijn. Maar wordt door helderziende waargenomen als een geestelijk licht. Anders van vorm dan ons stoffelijk licht, dat de mens toestroomt via het gewone zonlicht. Dat overigens een incarnatie is van het goddelijk-geestelijk wereldlicht. Het goddelijk-geestelijk wereldlicht is daarmee dus de afkomst de bron van ons huidige geïncarneerde zonlicht.

 

Blz 49 Maar er is nog een ander licht, dat vanuit de mensen innerlijk naar buiten stroomt. Tijdens de “maan”-fase was het astrale lichaam van de mens lichtend zichtbaar, voor de wezens om hem heen.  Tijdens deze “maan”-fase voegde zich dus het astraallichaam bij het stoffelijke en etherlichaam van de mens. Zo bezien we dus de hele gang der ontwikkeling van de mens. Tijdens de “saturnus”-fase, vinden we het fysieke lichaam als uitdrukking van de Logos; tijdens de “zonne”-fase komt daar het etherlichaam bij als uitdrukking van de Levensgeest. De Logos werd het leven. tijdens de “maan”-fase komt het lichtlichaam “astraallichaam” erbij. Het leven werd licht! Dit is de gehele ontwikkelingsgang van het menselijk lichaam. Op het moment dat de mens voor het eerst op de aarde kwam, was hij geschapen door goddelijke-gest4elijke wezens. Hij bestond toen, doordat in zijn stoffelijk lichaam etherlichaam en astraallichaam  de Logos leefde, die het Leven was, en die Licht werd. Ten tijde van de “aarde”fase, kreeg nu de mens zijn IK en daardoor werd hij in staat gesteld niet alleen om in dit Licht en dit Leven te bestaan, maar ook om de Logos ( dit Leven, dit Licht ) van buitenaf gade te slaan en er zijn standpunt over te bepalen. Daardoor werd alles stoffelijk.

 

We begrijpen nu, dat bij het zien van de tegenwoordige mens een oorspronkelijke goddelijke mens vooraf is gegaan. Wat de mens zich door zijn Ik veroverd heeft, ontneemt hij elke nacht aan zijn stoffelijk lichaam en etherlichaam; datgene, wat er al altijd was, blijft erin en verzorgt deze beide wezensdelen als de mens ze trouweloos tijdens zijn slaap verlaat. Dit goddelijk-geestelijke wezen zit daar dus in.

 

Blz 50 Alles wat er nu over de Christelijke esoterie is uiteengezet, over de geheimen van het bestaan en wat de “Dienaren van het Woord” ook wisten, dat staat met machtige woorden duidelijk aan het begin van het Johannes Evangelie. Men moet ze slechts op de juiste wijze vertalen en dan geven ze de feiten weer, zoals deze nu behandeld zijn. Laten we deze nog even herhalen, zodat we het nog beter begrijpen kunnen.

In den beginne was het Woord, de Logos, en het vormde het oerbeeld van het menselijke, fysieke lichaam; alle dingen waren er uit ontstaan; tijdens de  “saturnus”-fase bestond alleen nog maar de mens. Tijdens de “zonne”-fase kwam het dierenrijk erbij, tijdens de “maan”-fase het plantenrijk en tijdens de “aarde”-fase kwamen pas de mineralen.

Tijdens de “zonne”-fase werd de Logos” tot leven, tijdens de “maan”-fase tot licht. Dit Licht verscheen nu voor de mens, toen hij een IK kreeg. 

De mens moest moest leren te begrijpen, wat de Logos was en in welke gedaante Hij ten laatste te voorschijn zou komen.  

Eerst was er de Logos; die werd “Leven”, daarna “Licht” en dit “Licht” zit in het astraallichaam. In het menselijk innerlijk, in de duisternis, in het

niet- weten scheen Licht naar binnen. Het aarde-bestaan van de mens is nodig, opdat hij die duisternis, in zichzelf leert overwinnen, zodat hij het Licht van de Logos kan herkennen.

 

Machtige en moeilijk begrijpende woorden zijn het, die aan het begin van het Johannes Evangelie tot ons komen. Maar is het dan de bedoeling, dat tot de diepste geheimen van de wereld behoort, met gewone woorden zouden worden kunnen gezegd? Alleen degene die de vaste wil heeft om zich te verdiepen in de grote wereldsamenhangen, kan doordringen tot de betekenis van woorden, zoals die aan het begin van het diepzinnigste document staan, in het Johannes Evangelie. Aldus:

In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en een God (of het Goddelijke) was het Woord. Dit was in den beginne bij God. Alles, wat geworde is, is door hetzelfde gewordn en niets van het gewordene is anders dan door het Woord ontstaan. In Hetzelfe was het Leven en het Leven werd het Licht der mensen. En het Licht scheen in de duisternis, maar de duisternis heeft het niet begrepen. Hoe de duisternis tot begrip komt vertelt het Johannes Evangelie verder.         

 

De zending der aarde

 

Blz 52  de zending der aarde

Het Johannes evangelie wijst terug naar de wording van de mens in  een zeer ver verleden, dat we vinden in de Christelijke esoterie  als het “Woord” of de “Logos”. Deze “Logos” was reeds scheppend werkzaam in de “Saturnus” –tijd; die is dan tot Leven geworden en daarna tot Licht – tot Leven in de “Zonne” –fase van onze aarde – tot Licht tijdens de “Maan” –fase. Wat dus onder invloed van de goddelijke-geestelijke krachten en wezens van de mens geworden is gedurende deze drie fasen van onze planeet, werd in de “aarde” toestand doordrongen van een menselijk IK. Men kan dus zeggen: “Als een soort zaad kwam van de “Oude Maan”naar de aarde een wezen, dat bestond uit: fysieklichaam – dat voortgekomen was uit het Goddelijke Woord, uit het etherlichaam of levenslichaam – voortgekomen uit het Goddelijk Leven, uit het astraallichaam – voortgekomen uit het Goddelijk Licht. In het innerlijk van dit wezen werd tijdens het bestaan van de aarde het licht van het IK ontstoken. Deze drievoudige lichamelijkheid van het stoffelijke lichaam, etherlichaam en astraallichaam werd in staat gesteld tot het uiten van het “Ik ben”; in zekere zin kunnen we daarom de aardeontwikkeling ook de fase van het “Ik ben”, van het zelfbewustzijn van de mens noemen.

 

Blz 53 Deze mogelijkheid om tot zelfbewustzijn te komen, ontwikkelde zich zeer geleidelijk tijdens de ontwikkelingsgang van de mensheid.

In onze aardeontwikkeling is er een tijd geweest, die we de oude Lemurische periode noemen; het is de verst afgelegen tijd, waarin op aarde de mens voorkwam in de vorm, waarin hij nu in het algemeen nog bestaat. In de oude Lemurische tijd kwam het voor het eerst voor, dat het IK zich verbond met de drie overige lichamen. Daarna kwam de Atlantische tijd, waarin de mens voor het grootste deel woonde op het oude continent, dat tegenwoordig op de bodem van de Atlantische Oceaan ligt; het is ondergegaan tijdens de grote zondvloed, waarvan in bijna alle sagen van diverse volkeren sprake is. In de na Atlantische tijd incarneerde de mens met zijn wezensdelen telkens weer tot in onze tijd toe. Onze zielen waren werkelijk in hun driedelige vorm van stoffelijklichaam, etherlichaam, en astraallichaam voor het eerst geïncarneerd in de Lemurische tijd.

 

blz 53 ons huidige bestaan noemen we de bewustzijnstoestand, zoals de mens die tegenwoordig bezit van ’s morgens bij het ontwaken tot ’s avonds bij het inslapen. De mens zag in die tijd door zijn uiterlijke zintuigen de dingen om zich heen van ’s avonds na zijn inslapen tot ’s morgens bij het ontwaken niet. Dat is omdat bij de huidige ontwikkelingstoestand de werkelijke innerlijke mens – dus IK, astraallichaam, etherlichaam en stoffelijklichaam – in de stoffelijke wereld verwijlen. Astraallichaam en IK kunnen zich van de stoffelijke waarnemingsorganen bedienen, en luisteren en zien en de stoffelijke dingen waarnemen. Van ’s avonds na het inslapen tot ’s morgens bij het ontwaken zijn IK en astraallichaam in de astrale wereld. In de Lemurische tijd hadden ze niet de beschikking over stoffelijke ogen en oren; daar kunnen ze niet waarnemen, wat om hen heen is. Deze wisseling van slapen en waken is zeer geleidelijk ontstaan. In de oude Lemurische tijd, toen de mens voor het eerst langzaam met een stoffelijk lichaam omkleed werd, was dat nog niet het geval. Toen was de mens maar een korte tijd van de dag met zijn astraallichaam en IK in zijn stoffelijk lichaam.

 

blz 54 Doordat de mens toentertijd veel langer buiten dan in zijn stoffelijk lichaam leefde, was het leven in die Lemurische tijd ook geheel anders. Dat de mens gedurende de nacht geheel zonder bewustzijn is ( als hij tenminste niet droomt) is pas heel langzaam zo geworden; het bewustzijn bij dag en bij nacht was geheel anders verdeeld. De mensen waren allen op een doffe, onduidelijke manier helderziend. Als ze ’s nachts buiten hun fysieke lichaam traden en in de geestelijke wereld kwamen, namen ze die waar, al was dat niet zo duidelijk als de mens nu de stoffelijke wereld om zich heen ziet. We mogen dat soort waarnemen niet vergelijken met het tegenwoordige dromen. De huidige droom is een laatste verkommerde rest van dat vroegere helderzien. In elk geval zag de toenmalige mens wel zulke beelden, zoals wij die ook nog in de droom zien; maar deze hadden een zeer duidelijke bedoeling.

 

Blz 55 De  oude mens zag de stoffelijke dingen zo om zich heen opduiken en als hij in slaap viel, was hij niet zonder bewustzijn, maar dan zag hij beelden om zich heen verschijnen van bepaalde kleuren en vormen. Om de mens heen verscheen dan een wereld, waarbij vergeleken de levendigste droom van tegenwoordig maar een zwaknevelachtig overblijfsel is. Deze beelden duidden op geestelijke zaken in de omgeving.

Als de mens dus in de eerste tijden van zijn ontwikkeling op aarde in de nacht een voor hem gevaarlijk wezen op zich af zag komen, nam hij dat niet zo waar zoals wij dat tegenwoordig bij gevaar zouden doen, maar hij zag een beeld van bepaalde vorm en kleur en dat toonde hem instinctief: daar staat iets, dat schadelijk is, en dat moet je ontwijken. Dat waren dus geestelijke beelden van wat om de mens heen voorviel. Al het geestelijke werd in de nacht gezien en de ontwikkeling liep zo, dat de mens pas zeer langzaam en geleidelijk aan zich in die zin ontwikkelde, dat hij steeds dieper in zijn fysieke lichaam neerdaalde; de nacht werd steeds korter en de dag langer.

 

Blz 55 Hoe meer de mens gewend raakte aan het zijn in zijn fysieklichaam, des te meer verdwenen die heldere droombeelden van de nacht en des te meer dook het huidige dagbewustzijn op. We mogen niet vergeten, dat een werkelijk zelfbewustzijn, zoals de mens zich dat gedurende zijn bestaan op aarde moet verwerven, slechts verkregen kan worden door onder te duiken in zijn stoffelijk lichaam. Vroeger voelde de mens zich niet als zelfstandig wezen, maar als lid van goddelijk-geestlijke wezens, van wie hij afstamde. Zoals een hand zich deel voelt van ons lichaam, zo voelde de mens zich onderdeel van een goddelijk-geestelijk bewustzijn, van het goddelijke IK, dit vooral, toen hij het helderzien nog bezat. De mens zou toen niet gezegd hebben: “Ik ben”, maar: “God bestaat en ik besta in Hem”. 

 

Blz 56 De aarde had door haar ontwikkelingsgang zijnde: de “saturnus- fase”, “zon-fase”, en maan-fase een bijzondere opgave. Iedere fase van een planeet heeft een bepaalde opgave. Onze aarde heeft de opdracht, dat alle wezens, die op haar hun ontwikkeling doormaken, het element van liefde tot de hoogste graad moeten opvoeren. Liefde moet de aarde geheel doordringen, als ze har ontwikkeling voltooid hebben. Wat betekent dit: de “aarde” –toestand is de planetaire toestand voor de volledige ontplooiing der liefde.

In de geestwetenschap wordt gezegd dat aan de aarde de “oude maan” vooraf ging. Deze oude “maan” had als planeet ook een zending. Zij had niet de opgave de liefde tot ontplooiing te brengen, maar ze moest de kosmos der “wijsheid” zijn. Aan onze “aarde”-toestand ging dus voor onze planeet een toestand van grote wijsheid vooraf. De wijsheid, waarvan hier sprake is, moet men zien als een soort geestelijke substantie, die aan alles ten grondslag ligt. Deze herkennen we in alle dingen in de natuur.

 

Blz 57 Deze wijsheid zal de mens pas later bezitten. Goddelijke wijsheid doordringt de hele natuur, menselijke wijsheid zal pas later tot ons komen. Dan zal de menselijke wijsheid innerlijk ook bereiken, wat goddelijke wijsheid op geheimzinnige wijze aan de aarde heeft geschonken. Op dezelfde wijze, waarop deze wijsheid op de “maan” haar voorbereiding heeft gevonden, zoals ze nu overal op aarde te vinden is, zal op aarde de liefde voorbereid worden. Pas gedurende de hele maan- ontwikkeling kon de wijsheid zo in alle dingen uitgedrukt worden. Toen de maan-ontwikkeling voltooid was, as alles zo van wijsheid doordrenkt, dat men die overal vond.

De innerlijke wijsheid deelde zich op aarde pas door het Hoger Zelf het IK aan de mensen mee. Deze innerlijke wijsheid moet de mens eerst geleidelijk aan tot ontplooiing brengen. Zoals op de “maan” de wijsheid tot volle ontplooiing kwam, zodat ze nu in alle dingen te vinden is, zo moet nu de liefde ontwikkeld worden.

 

Blz 58 In het eerste stadium trad zij op als zinnelijke liefde en wel in de Lemurische tijd; in de loop van de aarde zal ze zich steeds verder vergeestelijken, zodat op het laatst de aarde aan het eind van haar ontwikkeling geheel vervuld zal zijn van liefde, zoals ze dat nu van wijsheid is. Dit zal moeten geschieden door de mensen, als deze hun opdracht tenminste vervullen. Deze aarde zal overgaan in een andere planetaire toestand, die dan “Jupiter” zal heten.  De wezens echter, die op die planeet zullen leven, zoals nu op de aarde deze mensen, zullen in alle andere wezens de liefde als uitstraling ondervinden. Die hebben ze er als mens op aarde zelf ingelegd; het zal dan net zo gaan als nu met de wijsheid. De dan levende wezens zullen in zichzelf de liefde net zo tot ontwikkeling brengen als wij nu de wijsheid. De omvangrijke, kosmische liefde zal dan alle dingen doordringen; dat neemt nu op aarde al een aanvang.

 

Blz 59 Maar vragen we ons af, wat is er dan nodig voor liefde? Waardoor kan een wezen een ander liefhebben? Daartoe is nodig, dat dit wezen volledig zelfbewustzijn bezit, geheel zelfstandig is. Geen enkel wezen kan een ander wezen ten volle liefhebben, als deze liefde niet een vrije gave is tegenover de ander. Alleen een wezen, dat los staat van een ander wezen, kan dit laatste liefhebben. Daarom moest de mens tot een Ik-dragend wezen worden; het Ik moest in de drievoudige lichamelijkheid van de mens ingebouwd worden, opdat de aarde haar zending van liefde-door-de-mens vervullen kan. Hij moest heel langzaam voorbereid worden op zijn aardse zending, zonder dat hij zijn volle zelfbewustzijn al bezat, voordat hij al zover was, dat hij bij helder dagbewustzijn alle dingen om zich heen kon zien, werd hem in zijn nevelachtig bewustzijn het eerste onderricht in de liefde gegeven. We weten nu dus, dat gedurende al de tijd, dat de mens nog een droomachtig helderzien bezat en de ziel dus gewoonlijk meer buiten dan in het lichaam was, hem op schemerachtige wijze de liefde is ingeprent.

 

Blz 62 Toen de mensen een dagbewustzijn kregen, konden ze niets waarnemen van het licht, dat tevens de liefde deed ontvlammen. Het licht scheen in de duisternis, maar de duisternis kon nog niets van het licht grijpen. En zou nu dit licht, dat tevens de liefde van de Logos is aan de mens niet anders geopenbaard zijn dan gedurende die korte tijden per dag, dat hij wakker was, dan zou hij van dit Licht, der Liefde niets begrepen hebben. In het doffe, helderziende droombewustzijn van die vroegere tijden stroomde de liefde zo in de mens binnen. Gedurende een bepaald tijdsverloop stroomde op een onbewuste manier de liefde in de mens binnen, met de bedoeling om hem innerlijk voor de opname van de liefde bij vol waakbewustzijn voor te bereiden.

 

Blz 63 Er waren zeven hoge wezens, toen de maan haar ontwikkeling beëindigd had; zij waren zo ver, dat ze liefde van zich konden doen uitgaan. Hiermee raken we aan een diep geheim, dat de geesteswetenschap onthult. Bij de aanvang van de aarde-ontwikkeling is er de kinderlijke mens, die de liefde in zich op moet nemen en bereid is tot opname van het IK. Aan de andere kant is daar de zon, die zich van de aarde losmaakt en een hoger ontwikkelt bestaan gaat voeren. Op deze zon konden 7 Hoofdlichtgeesten tot ontwikkeling komen, die tegelijkertijd de schenkers der liefde waren. Slechts 6 namen hun intrek op de zon; wat ons in het licht van de zon nu toestroomt, bevat de geestelijke liefdekrachten van deze 6 Lichtgeeste- of de 6 Elohim, zoals de bijbel hen noemt. Een van hen scheidde zich af en ging tot heil van de mensheid een andere weg; hij koos zich dus niet de zon, maar de maan tot woonplaats. Deze ene Lichtgeest, die vrijwillig afstand heeft gedaan van een bestaan op de zon, is geen ander dan Jehova of Jahve uit het Oude Testament. Deze Ene, die op de maan Zijn standplaats koos, is ook degene, Die van de maan af de rijpe wijsheid op de aarde deed stromen en daardoor de liefde voorbereide.

 

Blz 64 In de oude mensheid behoorde de nacht aan de maan. De mens kon in veraf gelegen tijden uit de zon geen direct zonlicht, geen krachten der liefde opnemen. Hij kreeg toen in de nacht, door het gereflecteerde zonlicht, het maanlicht, de rijpe wijsheid toebedeelt. Men noemt Jahve daarom de koning van de nacht, die de mensen voorbereidde op de liefde, die naderhand bij vol dagbewustzijn zou rijpen. 

 

Gedurende de nacht zendt de maan ons de gereflecteerde zonnekracht op bepaalde tijden toe; het is hetzelfde licht, dat ons ook rechtstreeks van de zon bereikt. Zo reflecteerde in vroeger tijden Jahve of Jehova de kracht der rijpe wijsheid, de kracht der 6 Elohim en deze kracht stroomde gedurende de nacht tijdens het slapen in de mens en bereidde hem voor om in staat te worden later ook de kracht der liefde gedurende het waakbewustzijn te verkrijgen.

 

Blz 65 We zien bij de wakende mens dat het Ik en astraallichaam op het stoffelijke plan in fysiek en etherlichaam verwijlen; van buitenaf door de zon wordt beschenen. We weten ook dat de nacht toentertijd veel langer en veel werkzamer was voor de mens van die tijd. Hier zijn astraallichaam en Ik uit het fysiek lichaam en etherlichaam uitgetild; het Ik verblijft geheel in de astrale wereld en het astraallichaam wordt van buitenaf in het fysieke lichaam neergelaten, maar zo, dat het toch nog voldoende verbinding met het goddelijk-geestelijke behoudt. In dat geval kan de zon niet direct op het astraallichaam schijnen en er de kracht der liefde in doen ontstaan. Dan werkt de maan, die het zonlicht weerkaatst, door Jahve of Jehova op de mens. De maan is het symbool voor de Logos, die de som van de andere 6 Elohim is.

 

Blz 66 Gedurende lange tijd is door Jahve gedurende de nacht aan de mens de kracht der liefde op onbewuste wijze meegedeeld. Hierdoor werd de mens erop voorbereid om langzamerhand de kracht der liefde, de Logos, in zich te ontvangen.

De mens op aarde is geroepen tot zelfbewuste liefde. Hij moet dus een leider hebben gedurende de dag en hij moest deze kunnen zien. Slechts bij nacht kon hem de liefde worden ingedruppeld. Maar langzaamaan moest wat anders gaan optreden, nl. dat de mens zelf buiten zich, in stoffelijke vorm, het wezen der liefde zou kunnen zien. Dit kon alleen als het wezen der goddelijke liefde de Logos, een wezen van de aarde werd,- een wezen van vlees en bloed, zodat de mens het met zijn zintuigen, kon waarnemen. Omdat de mens zich ontwikkelde in de richting van de waarneming door de zintuigen, moest de God, de Logos, zelf ook een zintuiglijk waarneembaar wezen worden; hij moest verschijnen in een lichaam. Dit gebeurde met Christus Jezus en het historische optreden van Christus Jezus betekende niets anders, dan dat de krachten van de 6 Elohim of de Logos zich geïncarneerd hebben in Jezus van Nazareth aan het begin van onze jaartelling.  Wat als innerlijke kracht in de zon leeft, de kracht der Logos-liefde, verscheen in een stoffelijk lichaam in de gestalte van Jezus van Nazareth.

 

De schrijver van het Johannes Evangelie, heeft er met krachtige woorden op gewezen: “Neen, de Christus zult ge niet beschouwen als een bovenzinnelijk, onzichtbaar blijvend wezen, dat aan al het stoffelijke ten grondslag ligt, maar gij moet er vooral op letten, dat het Woord vlees geworden is en dat het onder ons gewoond heeft.” Degene, die in de zichtbare wereld bestond, is een werkelijke incarnatie van de 6 Elohim of de Logos! Daarmee is de bestemming van de aarde, datgene, wat de aarde worden zou, door het gebeurde in Palestina pas duidelijk met de aarde verbonden geraakt. Al het voorgaande was voorbereiding. Hoe moest de Christus, die woonde in het lichaam van Jezus van Nazareth noemen?

 

Blz 68 Wanneer we deze Christus-leer in korte zinnen samenvatten, dan moeten we zeggen “De aarde is er om de mens zijn volle zelfbewustzijn, dit Ik-ben”; de Christus was degene, die de impuls gaf tot het zich bewust-worden van het Ik-ben. Pas op dat moment is de machtige impuls gegeven, die de mensen op aarde met een geweldige ruk voorwaarts brengt. In de leer van het Oude Testament voelde de mens nog niet ten volle het Ik-ben in zichzelf. Hij bezat nog een rest van het dromerige bewustzijn, toen de mens zich nog niet voelde als een afzonderlijk wezen, maar als een deel van een goddelijk wezen.  De mensen zijn uitgegaan van de groepsziel en voortgeschreden naar een individueel bestaan, waarbij ieder mens zich en “Ik” voelde. Christus is de kracht, die de mens tot dit vrije “Ik ben” gevoel gebracht heeft.

 

Blz 69 degene, die geloofde in het Oude Testament, voelde zich nog niet zo afgesloten in zichzelf als persoonlijkheid als de aanhanger van het Nieuwe Testament. De aanhanger van het Oude testament zei nog niet tot zichzelf:”Ik ben een Ik”. Hij voelde zich een deel van het hele, oude Joodse volk en voelde he “groeps-volks-Ik”. Hij voelde zich een deel van zijn volk en zag op naar de groepsziel en als hij het had kunnen uitspreken, zou hij gezegd hebben:”Mijn bewustzijn gaat terug tot aan de Vader van het hele volk, tot Abraham; wij- Abraham en Ik- zijn één. In mijn aderen vloeit hetzelfde bloed als in die van Abraham”.  Hij voelde Vader Abraham als en wortel, waaraan ieder lid van de stam Abraham ontsproot. Toen kwam Christus en zeide tot zijn naaste jongeren ingewijden:”Tot nu toe oordeelden de mensen steeds naar de bloedverwantschap; die gaf hun het gevoel, dat ze thuishoorden in een hogere, inzichtbare samenhang. Gij zult echter aan een veel geestelijke Vader geloven, waaruit het Ik ontspruit, het Ik, dat veel spiritueler is dan hetgeen het Joodse volk als groepsziel verbindt; gij zult geloven aan datgene, wat in Mij en in elk mens rust; dit nu is niet alleen verbonden met Vader Abraham, maar ook met het begin van de wereld.” Het Johannes Evangelie legt de nadruk op, op de zin: “Voordat Vader Abraham bestond, bestond reeds het “Ik-ben”. Mijn eigenlijke Ik gaat niet terug tot Vader-principe, dat reikt tot Abraham, maar tot wat de hele kosmos doorstroomt; daarmee is mijn Ik één, tot zover gaat mijn spiritualiteit.

 

Blz 71 Jezus sprak: “Als men op Mijn wijze over het “Ik” spreekt, dan is de getuigenis waar; want ik wet, dat dit “Ik” afkomstig is van de Vader, het gemeenschappelijk begin van de wereld; daar gaat het ook weer heen.” Hoofdstuk 8 vers 15, “Ge beoordeelt alles naar het vlees; Ik beoordeel echter niet naar het onbeduidende, dat in vlees is. Als Ik echter een oordeel vel, dan is dat het juiste. Dan bestaat het Ik niet voor zich alleen, maar is verenigd met de Vader, waar het van afstamt.” Jezus verwijst hier ook weer naar een gemeenschappelijke Vader. 

 

De opwekking van Lazarus

 

Blz 73 Bij dit religieus document komt het er werkelijk op aan de werkelijke, echte betekenis van het woord te begrijpen want het Johannes-Evangelie is van en zeer diepe betekenis. De oude schrijvers hebben veel meer zorg gedragen voor de innerlijke samenstelling, de architectonische bouw van hun werk, dan men gewoon is te geloven. Bij de belangrijke, religieuze documenten mogen we deze ‘architectuur’ nooit uit het oog verliezen; want onder bepaalde omstandigheden heeft die veel te betekenen, maar men moet die bedoeling eerst vinden. Aan het eind van het 10e hoofdstuk van het Johannes-Evangelie staat een zin, die we in herinnering willen houden. En velen kwamen tot Hem en zeiden: “Johannes deed geen teken, maar alles, wat Johannes van Dezen gezegd heeft, is waar” Dit wilt zeggen; in dit vers in het 10e hoofdstuk vinden we een verwijzing naar een verklaring, die door Johannes over Christus-Jezus wordt afgelegd en die waar is; dat wordt door een bijzonder woord uitgedrukt.

 

Blz 74 Nu komen we aan het eind van het Johannes-Evangelie en vinden daar een overeenkomstig vers. In het 24e vers van het 21e hoofdstuk staat: “Dit is de jongere, die van deze dingen getuigt en dit geschreven heeft; en wij weten, dat zijn getuigenis waar is.”

 

Aan het eind van het gehele document vinden we dus een verklaring, dat de getuigenis van de schrijver waar is. Zulke congruenties en overeenstemmingen van een woord hier en een woord dat betekenen altijd, dat er wat bijzonders mee bedoeld wordt in die oude geschriften; en juist achter deze congruentie schuilt iets belangrijks. Onze beschouwingen komen in het rechte lid te staan, als we de reden daarvan aanwijzen.

In het midden van het Johannes Evangelie, staat iets vermeld, zonder hetgeen dit Evangelie totaal niet begrepen kan worden. Onmiddellijk na de plek, waar de zo-even genoemde bekrachtiging van de verklaring omtrent de waarheid van het teken van Johannes staat, komt het hoofdstuk over de opwekking van Lazarus. Door dit hoofdstuk wordt het Johannes Evangelie in tweeën gesplitst. Aan het eind van het eerste deel wordt er duidelijk op gewezen, dat hetgeen met kracht over Christus-Jezus wordt verklaard, afkomstig is van Johannes de Doper, en dat geldigheid heeft. Aan het eind van het Evangelie wordt er de nadruk opgelegd, dat alles, wat komt na het verhaal over de opwekking van Lazarus, toe te schrijven is aan Johannes, de Apostel, een der jongeren om Christus-Jezus.

 

Blz 75 Over hem horen we vaak de woorden; “degene, dien de Heer lief had.” Wat betekent dan “de opwekking van Lazarus?” In het Johannes Evangelie, na het verhaal over de opwekking van Lazarus, staat een schijnbaar raadselachtige zin. Stelt u een voor: Christus-Jezus voltrekt een wonder, zoals men het gewoonlijk noemt ( in het Evangelie wordt het een “teken” genoemd) namelijk de opwekking van Lazarus. Daarna volgen meerdere zinnen, zoals: “Deze  mens verricht vele tekenen” wat erop volgt wijst erop, dat de aanklagers zich niet meer met hem willen inlaten, juist om die “tekens”. Als u deze woorden leest, onverschillig hoe ze vertaald zijn, dan komt toch de vraag op: “Wat is daarvan eigenlijk de reden?” Juist de opwekking van Lazarus doet de tegenstanders besluiten, tegen Christus-Jezus op te treden. Waarom worden die tegenstanders zo opgewonden door die “opwekking van Lazarus”? Waarom zet dan juist dan de vervolging in? Ieder die lezen kan, moet inzien, dat er in dit hoofdstuk een geheim verborgen ligt. Het geheim, dat zich daarin verbergt is niets anders dan de mededeling, wie eigenlijk het Johannes-Evangelie geschreven heeft. Om dat te begrijpen moeten we ons bezighouden met wat we de “inwijding in de oude mysteriën” noemen.  Hoe voltrok zich en inwijding in de oude mysteriën?

 

Blz 76 Een mens, die een  inwijding had ondergaan, kon zelf belevenissen, ervaringen in de geestelijke wereld opdoen, zodat hij over deze geestelijke wereld getuigen kon. Degenen, die geschikt werden bevonden om ingewijd te worden, werden in deze mysterieplaatsen opgenomen. Overal in Griekenland, Egypte, Chaldea, India, waren zulke mysterie-plaatsen. Daar werden de kandidaten gedurende lange tijd onderwezen in zaken, die ongeveer overeenstemmen met wat wij nu geesteswetenschap noemen; als ze voldoende onderwezen waren, volgde datgene, wat hun de weg opende naar het “zelf zien”. In de oude tijden kon dat echter niet anders dan doordat de mens voor wat betreft zijn vier wezensdelen, nl. stoffelijk lichaam, ether en astraallichaam en Ik, in een zeer bijzondere toestand werd gebracht. Degene, die ingewijd moest worden, werd door de inwijder, in een toestand van schijnbaar dood gebracht, die 3 ½ dag duurde. Dat gebeurde om de volgende reden. Als de mens in de huidige staat van ontwikkeling slaapt, dan liggen fysiek en etherlichaam in bed, Ik en astraallichaam zijn er uitgeheven. De mens kan dan geen enkel geestelijk gebeuren om zich heen waarnemen, omdat zijn astraallichaam nog niet die organen bezit om in de wereld, waar het dan is, iets waar te nemen. Pas als zijn astraallichaam en Ik weer terug keren in zijn stoffelijk lichaam en etherlichaam en zich weer bedienen kunnen van ogen, oren, etc. neemt de mens de stoffelijke wereld om zich heen waar. Hij is zich dan alleen bewust van die wereld om zich heen. 

Door wat de degenen, die ingewijd moesten worden, geleerd hadden, werden ze in staat, de geestelijke waarnemingsorganen van hun astraallichaam tot ontwikkeling te brengen. Als ze nu zover waren, dat in hun astraallichaam deze organen tot ontwikkeling waren gekomen, moest ervoor gezorgd worden, dat alles, wat het astraallichaam had opgenomen, op het etherlichaam werd afgedrukt, zoals de woorden van een stempel in het zegellak worden afgedrukt. Alle voorbereidingen voor de inwijding berustten erop, dat de mens zich bezighield met innerlijke oefeningen, die zijn astraallichaam veranderden. Vroeger had de mens in zijn stoffelijke lichaam ook geen ogen en oren, zoals nu; en op die plek had hij willekeurige organen. Het licht vormt de ogen, de toon doet het oor ontstaan. Wat de mens aan oefeningen doet door meditatie, concentratie, etc. en wat hij daarbij innerlijk beleeft, werkt zo als het licht op het oog. Het astraallichaam wordt erdoor gevormd en daardoor komen de organen te voorschijn, waarmee waargenomen kan worden in de astrale, hogere wereld.

 

Blz 77 Op het moment zijn ze echter nog niet vast genoeg verbonden met het etherlichaam; ze worden krachtig, doordat hetgeen zich vormt in het astraallichaam, ook afgedrukt kan worden in het etherlichaam. Zolang echter het etherlichaam verbonden is met het stoffelijk lichaam is het niet mogelijk, datgene, wat met de oefeningen bereikt wordt, ook werkelijk te doen afdrukken in het etherlichaam. Daarom moest vroeger het etherlichaam uit het stoffelijk lichaam getild worden. Als dus in die op de dood gelijkende slaap, die 3 ½ dag duurde, het etherlichaam uit het stoffelijk lichaam geheven was, drukte zich daarin af, wat in het astraallichaam voorbereid was. De mens beleefde dan de geestelijke wereld. Als hij dan door de priester-ingewijde weer in zijn stoffelijk lichaam werd teruggeroepen, dan was hij iemand, die door eigen aanschouwing getuigen kon van wat in de geestelijke wereld voorvalt.

 

Deze procedure nu is door het verschijnen van Christus-Jezus overbodig geworden. Deze 3 ½ dag durende slaap, die op de dood lijkt, kan zonder meer vervangen worden door de kracht, die van Christus-Jezus uitgaat. We zullen namelijk zo dadelijk zien, dat in de Johannes Evangelie de sterke krachten liggen, waardoor het astraallichaam ook als het etherlichaam in het stoffelijk lichaam blijft, der macht heeft, toch af te drukken, wat tevoren erin voorbereid is. Daartoe moest echter eerst Christus-Jezus er zijn.

 

Blz 78 Tevoren waren de mensen nog niet zo ver, dat zonder de geschetste procedure datgene, wat zich door meditatie en concentratie in hun astraallichaam had voorbereid, in het etherlichaam kon worden afgedrukt. Deze inwijdingen gebeurde steeds in het diepste geheim en de buitenwereld wist niets af van wat zich in de oude mysterie plaatsen voltrok. Door Christus-Jezus moest er nu in plaats van de oude, en nieuwe wijze van inwijding komen: deze inwijding zou dan tot stand gebracht moeten worden met krachten, waarover we nog zullen spreken. Er moest een overgang gemaakt worden van de oude naar een nieuwe vorm. Daartoe moest er nog eenmaal iemand op de oude wijze worden ingewijd, maar dan op Christelijk-esoterische wijze. Dat kon Christus-Jezus alleen maar doen en degene, die ingewijd werd, moest Lazarus zijn. “Deze ziekte leidt niet tot de dood” heet het op die plek; het is de 3 ½ dag durende slaap, die op de dood lijkt. Daarop wordt duidelijk gewezen. U zult zien, dat het op een versluierde wijze geschied, maar voor degene, die zulk een verhulde zegswijze kan ontcijferen, is het wel degelijk duidelijk dat het een inwijding betreft.

Lazarus moest ingewijd worden, dat hij een getuigenis zou kunnen afleggen van zijn belevenissen in de geestelijke werelden. Er wordt ons een woord genoemd, dat in de taal der mysteriën zeer belangrijk is; er wordt op gewezen, “dat de Heer Lazarus liefhad”. Wat betekent “liefhebben” in de mysterietaal?

 

Blz 79 Dat drukt de verhouding uit tussen leerling en leraar. Degene, “die de Heer liefhad”, is de intiemste, meest ingewijde leerling. De Heer heeft Lazarus zelf ingewijd en Lazarus verrees als een ingewijde uit het graf, d.w.z. uit de plaats van zijn inwijding. Dit zelfde woord: “die de Heer liefhad” wordt steeds naderhand voor Johannes gebruikt, of, liever gezegd voor degene, die het Johannes-Evangelie geschreven heeft, want de naam Johannes wordt niet genoemd. Het is namelijk degene, die de lievelingsapostel is en op wie het Johannes-Evangelie terug te voeren is. Dat is de ingewijde Lazarus; de schrijver van het Johannes-Evangelie, wilde daarmee zeggen “Wat ik te zeggen heb, zeg ik uit hoofde van mijn inwijding, die ik van de Heer zelf ontvangen heb.” Daarom maakt de schrijver van het Johannes-Evangelie duidelijk onderscheid tussen wat vóór en wat na “de op wekking van Lazarus” geschiedt.

 

Vóór de opwekking van Lazarus wordt een op oude wijze ingewijde beschreven, iemand, die dus op die manier zijn kennis van de geestelijke wereld verwierf en er wordt van hem gezegd, “dat zijn getuigenis waar is.” “Maar wat over de diepste dingen te zeggen valt, over het mysterie van Palestina, daarover spreek ik zelf als ingewijde; daarover kan ik pas spreken na de “opwekking”. ( daarover hebben we in het eerste deel van het Johannes-Evangelie te maken met de getuigenis van de oude Johannes) in het tweede deel met de getuigenis van de nieuwe Johannes, die de Heer zelf heeft ingewijd.   

Want dit is de “opgewekte” Lazarus. Op deze manier begrijpen we dit hoofdstuk pas op de juiste wijze. Johannes wilde zeggen “Ik beroep me op mijn bovenzinnelijke waarnemingskrachten. Wat ik nu mededeel, heb ik niet waargenomen in de gewone fysieke wereld, maar in de geestelijke, waarin ik verkeerde, doordat de Heer mij heeft ingewijd”.

 

Blz 80 We moeten dus de karakteristiek van Christus-Jezus, zoals die ons gegeven wordt in de eerste hoofdstukken van het Johannes-Evangelie tot aan het tiende hoofdstuk terugvoeren op kennis, die om zo te zeggen, ook het deel kon zijn van iemand, die niet door Christus-Jezus zelf was ingewijd.

U zult nu zeggen: “Ja, we hebben toch in deze voordrachten de diepzinnige woorden over Christus-Jezus gehoord, als zijnde de vleesgeworden Logos, het Licht der wereld, enz.” Het is zo verwonderlijk niet, dat deze diepzinnige woorden over Christus-Jezus reeds in de eerste hoofdstukken worden uitgesproken. In de oude mysteriën was nl. Christus-Jezus, d.w.z. de Christus, die in de toekomst op aarde zou verschijnen, geen onbekende. Alle mysteriën wijzen op de Ene, die komen zal. Daarom noemde men de vroegere ingewijden “profeten”, omdat ze het komende moesten profeteren. En de ingewijden hadden juist tot doel, duidelijk te maken, dat in de toekomst de Christus zich aan de mensheid zou vertonen. Daarom was het voor Johannes de Doper met de kennis, die hij al bezat, zonder meer duidelijk, dat hij de waarheid profeteerde en dat degene, waarover in de mysteriën gesproken werd, vóór hem stond in de figuur van Christus-Jezus.

Hoe alles nu met elkaar samenhangt, hoe de verhouding is tussen Johannes de Doper en Christus-Jezus, dat zal duidelijk worden, als we twee vragen beantwoorden. De ene is: hoe past Johannes de Doper in zijn tijd? En de andere gaat terug op de verklaring van verschillende dingen aan het begin van het Johannes-Evangelie. Wie is Johannes de Doper eigenlijk? –hij is dergenen- die gewezen is op de komende Christus; hij wordt echter als enige aan ons getoond, die het geheim doorgrondt van de Christus, als hij Hem voor zich ziet. De Farizeeërs en degenen, die soortgelijke principes aanhingen, zagen in Christus-Jezus iemand, die zich verzette tegen hun oude inwijdingsprincipes; hij deed dingen, die in hun ogen niet toelaatbaar waren.

 

Blz 81 Omdat ze conservatief waren, zeiden ze: “ De inwijdingsprincipes moeten gehandhaafd blijven!” Deze tegenspraak nu: steeds van een komende Christus spreken, maar nooit het tijdstip te laten aanbreken, waarop Hij er werkelijk zou zijn, dat ligt aan hun conservatisme ten grondslag. Daarom moeten ze de inwijding van Lazarus door Christus-Jezus beschouwen als en breuk met de tradities van de oude mysteriën. “Deze mens verricht vele wonderen, met deze kunnen we geen gemeenschap hebben.” Naar hun opvatting heeft Hij de mysteriën verraden, nl. datgene aan de openbaarheid prijsgegeven, wat verborgen zou moeten blijven in de schoot der mysteriegeheimen. We kunnen nu ook begrijpen, dat dit hun als verraad voorkwam en dat ze daarin aanleiding vonden om tegen Hem op te treden. Daarom begint op dat moment de vervolging van Christus-Jezus.

Wie blijkt Johannes de Doper nu te zijn, zoals hij beschreven staat in de eerste hoofdstukken van het Johannes-Evangelie?

Ten eerste iemand, die de mysteriewaarheid omtrent de komende Christus goed kent, zo goed zelfs, dat de schrijver van het Johannes-Evangelie alles herhalen kan, wat Johannes de Doper ook al had kunnen weten en waarvan hij zich overtuigd had door iets, dat we nog zullen leren kennen.

We hebben gezien, wat de eerste worden van het Johannes-Evangelie betekenen. We zullen eens stilstaan bij wat over Johannes de Doper zelf gezegd wordt. Laten we het dan eens in en zuivere vertaling voor ons nemen. Tot nu toe hoorden we slechts de eerste woorden.

“In den beginne was het Woord en het Woord was bij God, het Woord was God”. Dit was in den beginne bij God. Alles is door het Woord geworden en buiten Het zelve is niets geworden, wat geworden is. In het Woord was het Leven en het Leven was het Licht der mensen. En het Licht scheen in de duisternis, maar de duisternis heeft het niet begrepen.

 

Blz 82 Er was een mens, van God gezonden, genaamd Johannes. Deze kwam tot een getuigenis, om te getuigen van het Licht, opdat zij allen door hem geloven zouden. Hij was het Licht niet, maar een getuige van het Licht. Want het waarachtige Licht, dat alle mensen verlicht, zou in de wereld komen.

Hij was in de wereld en de wereld is door Hem geworden en de wereld heeft Hem niet herkend. Het Licht kwam in enkele mensen (de Ik-mensen) namen hem niet aan. Die het echter opnamen, die konden zich als Gods kinderen openbaren. Die in Zijn Naam geloofden, waren niet uit het bloed, niet uit de wil des vlees en niet uit de wil van een man, maar uit God geboren.

En het Woord werd vlees en heeft onder ons gewoond; en wij hebben zijn Leer gehoord, de leer van de Enige Zoon des Vaders, vervuld van genade en waarheid. Johannes getuigde van Hem en verkondigde duidelijk: Deze was het, van Wien ik zeide: “Na mij zal komen, die vóór mij geweest is, want Hij was eerder dan ik”

En uit de volheid hebben wij allen genomen genade voor genade. Want de Wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Christus-Jezus geworden.

Niemand heeft ooit God gezien. De eengeboren Zoon, die in des Vaders schoot is, die heeft Hem ons verkondigd (is in dit schouwen voorgegaan).

Dat zijn de woorden, die ongeveer de betekenis van deze eerste zinnen van het Johannes-Evangelie weergeven.

 

Blz 83   We moeten, alvorens tot de verklaring ervan over te gaan, nog iets toevoegen. Wat noemt Johannes de Doper zichzelf? U herinnert zich, dat men overal moeite doet er achter te komen, wie Johannes de Doper is. Er komen priesters en Levieten bij hem om te vragen, wie hij is. Waarom hij het voorgaande antwoord geeft, zullen we nog zien. We willen eerst notitie nemen van wat hijzelf zegt nl.: “Hij sprak: Ik ben de stem van een roepende in de eenzaamheid.” “In de eenzaamheid staat er – volkomen woordelijk:

en tèj erèmooi. In het Grieks betekent het woord “heremiet”: de eenzame. Nu zult u begrijpen, dat het zuiverder is om te zeggen: Ik ben de stem van en roepende in de eenzaamheid-“ dan: “Ik ben de stem van een prediker in de woestijn.” Alles, wat er in de beginwoorden van het Johannes-Evangelie staat, zullen we beter begrijpen, als we de karakteristiek, die Johannes van zichzelf geeft, bezien. Waarom noemt hij zich “de stem van een roepende in de eenzaamheid”?

We hebben gezien, dat in de ontwikkelingsgang der mensheid de eigenlijke opdracht voor de aarde is: de ontwikkeling van de liefde; dat die liefde slechts denkbaar is, als ze als vrijwillige gave door zelfbewuste mensen geschonken wordt en dat de mens zich geleidelijk aan zijn IK verovert. Dat IK dringt langzaam en geleidelijk in de mens. We weten, dat de dieren ziet zo’n IK bezitten. Als een aperte leeuw “IK” kon zeggen, zou hij ziet zichzelf, maar het groeps-IK in de astrale wereld bedoelen; alle leeuwen zouden daar “IK” tegen zeggen. Zo zeggen hele groepen gelijkvormige dieren tot het normaal-niet-waarneembare IK in de astrale wereld: “IK”. Het is de grote voorsprong van de mens op het dier, dat de eerste een individueel IK heeft, maar dit komt slechts langzaam tot ontwikkeling. De mens is ook met een groeps-IK begonnen, een IK dus, dat hij met een hele groep andere mensen gemeen had.

 

Blz 84 Als u in de tijd terug gaat tot heel oud volken, oude rassen, zult u overal vinden, dat de mensen oorspronkelijk kleine groepen vormden. Bij de Germanen hoeft men niet eens zo ver terug te gaan. In de geschriften van Tacitus is het duidelijk beschreven, dat elke Germaan zich meer met de stam verbonden voelt dan dat hij zich als individu van zichzelf bewust is. Elke Cherusker en Sigamber voelt zich meer lid van zijn stam dan als aparte persoonlijkheid; daarom staat ieder apart op de bres voor zijn hele stam. Het doet er ook niet toe wie een belediging wreekt, als en lid van de stam of de stam als geheel beledigd is; in de loop van de tijd treden dan enkele leden van de stam uit het stamverband, zodat de samenhang doorbroken wordt en de stammen niet meer bijeen blijven. De mens heeft zich dus in zijn ontwikkeling uit de groepsziel zo opgewerkt tot een op zichzelf staande persoonlijkheid, die zich als een IK kan voelen.

Bepaalde dingen uit de religieuze documenten kunnen we alleen begrijpen als we dit geheim van de groepzielen, de groeps-Ikken weten. Bij volkeren, waarbij het reeds gekomen was tot een zekere waarneming van het eigen Ik, was er toch altijd nog een Ik, dat zich niet alleen ruimtelijk over gelijktijdig levende groepen uitstrekte, maar datzelfde ook in de tijd deed. Het herinneringsvermogen van de huidige mens is zo, dat ieder zich alleen nog maar zijn eigen jeugd herinnerd. Er was echter een tijd, waarin nog een ander soort herinnering bestond; de mens herinnerde zich niet alleen zijn eigen daden, maar ook die van zijn vader en grootvader. De herinnering reikte over geboorte en dood, zo ver men de bloedverwantschap in het voorgeslacht maar kon volgen, tot aan de stamvader. Een familielid, wiens bloed om zo te zeggen, door geslachten heen stroomde, behield gedurende eeuwen de herinnering levendig in zijn geslacht met gelijk bloed; een kleinkind of een lid van de stam voelde de daden en gedachten van zijn voorvaderen als zijn eigene. Men voelde zich niet beperkt tot eigen geboorte en dood, maar men voelde zich een lid van een heel geslacht, waarvan een bepaald familielid het middelpunt was. Want dat is de samenhang van het Ik, nl., dat men zich de daden van vader, grootvader, etc. herinnert.

 

Blz 85 In oude tijden werd dat uitgedrukt in de naamgeving. De zoon herinnerde zich niet alleen zijn eigen daden, maar ook die van zijn vader en grootvader, etc. Dit herinneringsvermogen strekte zich over vele generaties uit. Alles, wat in zo’n herinneringsvermogen besloten lag, heette in vroeger tijden bijvoorbeeld Noach of Adam. Hiermee zijn geen aparte mensen bedoeld, maar Ikken, die herinneringen van eeuwen konden vasthouden. Dit is ook het geheim van de namen der Patriarchen. Waarom leefden ze zo lang? Het zou in die vroege tijden niemand ingevallen zijn, een enkel mens, die dus tussen geboorte en dood leefde, een aparte naam te geven. Adam kan men beschouwen als een groot complex van herinneringen, zich uitstrekkende over eeuwen, omdat ruimtelijke en tijdelijke begrenzing er niet toe deden.

Het aparte Ik maakte zich echter gaandeweg langzaam los uit het groepsverband; de mens kwam tot het bewustzijn van zijn eigen Ik. Tevoren voelde hij zijn Ik als behorende tot zijn stam, tot de groep van mensen waarmee hij door bloedsbanden verbonden was, hetzij in de ruimte, hetzij in de tijd; vandaar de uitspraak:”Ik en Vader Abraham zijn een.” D.w.z. dat is één Ik.

De eenling voelde zich geborgen in een geheel; omdat hetzelfde bloed door de aderen van alle leden van hetzelfde volk stroomde. Maar de ontwikkeling ging voort. De tijd werd er rijp voor, dat binnen deze volksgroepen de mensen hun eigen Ik begonnen te bespeuren.

Om de mensen zich zeker en vast in hun Ik te doen voelen, daarvoor kwam de Christus.

 

Blz 86  Zo moeten we ook de woorden opvatten die zo gemakkelijk misverstaan kunnen worden, nl.: “Wie niet vrouw, kind, vader en moeder, broeder en zuster verloochent, kan niet mijn leerling zijn.” We moeten dit niet zo triviaal opvatten, dat iemand de opdracht krijgt om bij zijn familie weg te lopen, maar er wordt bedoeld: “Gij moet nu gaan beseffen, dat ieder van U een eigen Ik bezit en dat dit aparte Ik één is met de geestelijke vader. Die de hele wereld doorstroomt.” Vroeger zei een aanhanger van het Oude Testament: “Ik en Vader Abraham zijn één, om dat het Ik zich voelde rusten in de bloedverwantschap. Nu moest het gevoel ontstaan van één-zijn, met de geestelijke Vader oorsprong. De bloedverwantschap moest niet meer de zekerheid geven, dat een mens bij een geheel hoort, maar hij moest weten van een volstrekt geestelijk Vader-principe, waarmee allen één zijn.

Zo moet het Johannes-Evangelie ons duidelijk maken, dat Christus degene is, die aan de mens die belangrijke impuls geeft, die hij nodig heeft om zich voor eeuwig in zijn eigen Ik gegrondvest te voelen. Dat is de overgang van het oude verbond naar het nieuwe; het oude verbond had nog iets van groepsziel-karakter, waarbij elk Ik zich verbonden voelde met alle andere Ikken; men voelde zich noch in zijn eigen IK, noch in dat anderen verankert, maar het Volks- of stam-IK voelde men wel.

Hoe moest nu een Ik zich voelen, dat zo ver gerijpt was, dat het zich niet meer verbonden voelde met andere persoonlijkheden, die bij de groepsziel hoorden? Hoe moest dat apartstaande Ik zich voelen in een tijd, waarin men kon zeggen:”De tijd is voorbij, waarin men als levenswaardigheid de saamhorigheid met andere mensen aanvoelde, met alle Ikken, die tot een groepsziel behoren; degene, die aan de ziel het geestelijk levensbrood geeft, moet eert komen: daardoor ontvangt ieder Ik zijn voedsel.” Een Ik-alleen zou zich eenzaam voelen en wie vóór Christus leefde, zou moeten zeggen:” Ik ben een Ik, dat zich losgemaakt heeft en zich eenzaam voelt. En juist omdat ik geleerd heb me eenzaam te voelen, voel ik me als een profeet, die door zijn eenzaamheid het juiste geestesvoedsel ontvangt.”

Daarom moest de verkondiger van het zelfstandige IK zich voelen als een roepende in de eenzaamheid, d.w.z. hij voelde zich als een vereenzaamd, door de groepsziel verlaten Ik, dat roept om datgene, waardoor het aparte Ik gevoed kan worden. “Ik ben de stem van een roepende in de eenzaamheid.” We horen daaruit weer de diepe waarheid: Ieder menselijk Ik staat op zichzelf; ik ben de stem van een IK, dat zich losgemaakt heeft en dat een ondergrond zoekt, waarop het als aleenstaand Ik kan staan.” Nu kunnen we de zin begrijpoen:”Ik ben de stem van een roepende in de eenzaamheid.”

Om de woorden van het Johannes-Evangelie precies te begrijpen, moeten we een weinig gewend raken aan de manier, waarop toentertijd namen en aanduidingen werden gegeven. Zo abstract en nietszweggend als de naamgeving nu is, was ze vroeger niet. Als nu de bijbel-verklaarders maar een klein beetje wilden bedenken, hoe belangrijk dat is, dan zou menige triviale uitlegging niet gepubliceerd worden. Ik ben er al op gewezen, dat als Christus zegt:” Ik ben het licht der wereld”, daarmee in feite bedoeld wordt, dat hij de eerste was, die de stoot tot het Ik-ben” gegeven heeft. Daarom moet steeds daar, waar in de eerste hoofdstukken het “Ik-ben” staat, hierop een bijzondere nadruk vallen. Alle namen en aanduidingen uit de oude tijd zijn in zekere zin volkomen waar – en tegelijkertijd diep symbolisch. Hierbij worden naar twee kanten vaak fouten gemaakt. Na oppervlakkige beschouwing zou menigeen kunnen zeggen: “Ja volgens zo’n opvatting is er zeer veel symbolisch bedoeld en met een uitlegging,waarbij alles symbolisch bedoeld is, laten we ons niet in, want dan vervluchtigen alle historische feiten en gebeurtenissen!” En allen, die niets begrijpoen van de historische gebeurtenissen, zouden kunnen zeggen:”Dat is allemaal maar symboliek.

 

Blz 88 degenen echter, die zo spreken, begrijpen juist niets van het Evangelie. De historische realiteit wordt niet geloochend door een symbolische verklaring; maar er moet de nadruk op gelegd worden, dat de esoterische verklaring beide omvat; de feiten, historisch opgevat – en terwijl ze historische opgevat worden, betekenen ze tegelijkertijd datgene, wat we er als uitleg bij geven. Werkelijk, wie alleen de grove uiterlijke feiten ziet, -nl. een mens, die ergens op een bepaalde tijd geboren is, - die zal niet begrijpen, dat deze mens nog wat anders is dan een persoon met een bepaalde naam, waarvan men de biografie kan neerschrijven. Wie echter de geestelijke samenhang kent, die zal leren begrijpen, dat een levend mens, die op een bepaalde plaats geboren is, bovendien nog symbolisch voor zijn tijd kan zijn en dat men in zijn naam tot uitdrukking brengt, wat voor betekenis hij heeft voor de hele menselijke ontwikkeling.

Symbolisch en historisch tegelijk, daarom gaat het bij een juiste verklaring van de Evangelien. Bij alle gebeurtenissen en aanwijzingen zullen we zien, dat Johannes of de schrijver van het Johannes-Evangelie – die eigenlijk alles bovenzinnelijk waarneemt – tegelijkertijd de gebeurtenissen ziet én de openbaring van diepe geestelijke waarheden. Hij ziet de historische gestalte van Johannes de Doper; hij ziet hem als mens, maar tegelijkertijd is deze historische gestalte voor hem het symbool van alle mensen, die in de oude tijden reeds zover waren, dat ze hun persoonlijk Ik ontwikkeld hadden, maar pas op weg waren naar het Licht der wereld, dat elk Ik apart kon verlichten – maar niet voor degenen, die nog niet zover waren, dat ze het Licht der wereld in hun duisternis konden begrijpen en opnemen. Wat als Leven, Licht en logos in Christus Jezus verschenen is, heeft altijd al in de wereld bestaan; alleen degenen, die nog niet zover waren, hebben het niet waargenomen. Het Licht was er steeds al. Was het Licht er niet geweest, dan zou het Ik niet hebben kunnen ontstaan. Nog op de “maan” was er van de mens slechts te vinden: fysiek lichaam, ether- en astraallichaam; er was nog geen IK. Alleen doordat het Licht zich veranderd heeft tot de vorm, waarin het nu op aarde schijnt, kon het aparte Ikken doen ontstaan en langzaam tot rijping brengen; “Het Licht scheen in de duisternis, maar de duisternis kon het nog niet begrijpen.”

Het ontstond in enkele mensen – in de Ik-mensen; de Ik-mensen zouden niet hebben kunnen ontstaan, als dat Ik niet door de Logos in hen gegoten was. “De Ik-mensen namen het echter niet allen op. Slechts enkelen deden het, nl. de ingewijden; die droegen steeds de naam “kinderen Gods”, omdat ze kennis droegen van de Logos, van het Licht en het Leven en daar ten allen tijde van  getuigen konden. Er waren er enigen, die al lang door de oude mysteriën wisten van de geestelijke werelden. Wat leefde er dan in hen? Wat eeuwig is in de mens leefde er dan in hen, zeer bewust. Ze doorvoelden reeds de woorden:”Ik en de Vader zijn één. Het diepste, wat ze in zich droegen, hun eigen Ik, hadden ze niet van hun vader of moeder, maar door hun inwijding in de geestelijke wereld. “Niet door het bloed, niet uit het vlees, niet door de wil van vader of moeder hadden ze hun Ik, maar “uit God”, d.w.z. vanuit de geestelijke wereld. Hier hebt u de verklaring voor de woorden, dat het grootste aantal mensen het Licht niet in zich opnamen, hoewel ze de aanleg tot ik-mensen wel hadden; het Licht scheen in het groeps-Ik, maar individueel werd het nog niet opgenomen. Degenen – en dat waren er maar weinigen – die het in zich opnamen, konden hierdoor “kinderen Gods” worden; wie er echter op vertrouwden, zijn het door de inwijding uit God geworden. Dat geeft ons een duidelijke voorstelling ervan.

 

Blz 90  Opdat echter alle mensen met aardse zintuigen deze bestaande God zouden kunnen leren kennen, moest Hij zodanig op aarde verschijnen, dat men met aardse ogen moest kunnen zien, hij moest een vleselijke gestalte aannemen, omdat die alleen met aardse ogen kan worden gezien. Vroeger konden de ingewijden in de mysteriën hem alleen maar zien, nu had hij een menselijke (vleselijke) gestalte aangenomen: “Het Woord of de Logos was vlees geworden”. Zo verbindt de schrijver van het Johannes Evangelie de historische verschijning van Christus Jezus met de hele evolutie. Wij hebben Zijn Leer gehoord – de leer van de eengeboren Zoon des Vaders” Wat is dat voor een Leer? Wat zijn de andere mensen dan voor soort geborenen?

In de oude tijden, waarin de Evangeliën geschreven zijn, noemde men de “tweegeborenen” diegenen, die en vleselijke geboorte hadden gehad. Men noemde ze zo, door de vermenging van het bloed van vader en moeder, zou men kunnen zeggen. Wat niet uit het vlees geboren is, niet door toedoen van mensen en niet door bloedmenging, dat is “uit God geboren”, dat is “eengeboren”. Wie vroeger “Gods kinderen” genoemd werden, waren eigenlijk “eengeborenen”, de leer van “Gods Zoon” is de leer van de “eengeborenen”. De fysieke mens is “tweegeboren”, de geest-mens is, “eengeboren”. Men mag dat niet opvatten of er stond “ingeboren” – neen, “eengeboren” is het tegendeel van “tweegeboren”. Het woord wijst er nl. op, dat de mens, behalve een fysieke geboorte ook een geestelijke geboorte kan doormaken, d.i. de vereniging met de Geest, een geboorte, waardoor hij “ eengeboren”, de Zoon, het kind Gods is geworden. Zulk een leer kon pas verkondigd worden aan degene, die het vlees-geworden Woord was.  Door Hem werd de “leer van de eengeboren Zoon des Vaders, vervuld van overgave en waarheid” algemeen bekend.

 

Blz 91  “Overgave” kan hier beter als vertaling gebruikt worden, omdat men te doen heeft met iemand die uit God geboren is, maar met een tezamen blijven, met de opheffing van elke illusie, die het gevolg is van het “tweegeboren” zijn; deze omgeeft de mens met dwalingen op zintuiglijk gebied. In tegenstelling hiermee is het een leer die in Christus Jezus de waarheid brengt in de wijze, waarop hij leefde en woonde onder de mensen als belichaamde Logos. Johannes de Doper noemde zichzelf – en dat is de letterlijke betekenis: de voorloper, voorganger, dergene, die vooraangaat bij de verkondiging van het IK. Johannes beschreef zichzelf als degene, die wist dat het Ik in iedere mens zelfstandig moest worden, maar die slechts te getuigen had over Degene, die zou komen om dit te bewerkstelligen. Hij zei duidelijk: “Hij, die zal komen, is het “Ik-ben”, dat eeuwig is, dat werkelijk van zichzelf kan zeggen: “Voor dat Abraham er was, was het “Ik-ben” er. “Johannes kon zeggen:”Het IK, waarvan hier sprake is, bestond al vóór mij: het is, hoewel ik er de voorganger van ben, toch mijn voorganger: ik getuig van datgene, wat tevoren al in elk mens aanwezig was: na mij zal Diegene komen, die er vóór al was.”

 

En dan komen er belangrijke woorden:”Want uit Zijn volheid hebben wij alln genomen en wel genade op genade.” Veel mensen noemen zich Christen en lezen over het woord “volheis” heen; ze denken zich hierbij niets bijzonders. “Pleroma” betekent “volheid” in het Grieks. Dat staat ook in het Johannes-Evangelie:”Want uit het pleroma hebben we genomen genade op genade”. Ik zei, dat men elk woord uit het Johannes-Evangelie op een gouden schaaltje moet leggen om het te begrijpen.

Wat is nu “pleroma” de volheid? Alleen degenen, die weet, dat men in de oude mysterien van het pleroma odf de volheid sprak als over iets zeer bepaalds, kan het begrijpen.

 

Blz 92 Men hing toen reeds de leer aan, dat, toen de geestelijke wezens, die een goddelijke staat bereikt hadden gedurende de maanfase, nl. de Elohim, zich voor het eerst openbaarden, zich één van hen afzijdig hield, deze ene bleef op de maan en straalde de kracht van liefde terug op aarde, totdat de mensen rijp genoeg waren voor het Licht der overige 6 Elohim. Men maakt op die wijze onderscheid tussen Jahve, de enige God, de terugstraler en de uit 6 bestaande Volheid der Goden, het “pleroma”. Daar echter met het algemeen bewustzijn van de Zonnelogos de Christus bedoeld is, moet men spreken van de “pleroma der Goden”, als men Hem bvedoelde. Deze diepe waarheid ligt daarachter verborgen. “Want wij hebben uit het pleroma genade op genade genomen.”

We gaan nu verder en verplaatsen ons in de tijd der groepsziel, toen ieder apart zijn IK voelde als een deel van het groeps-IK. Laten we eens zien, welke sociale ordening er in zo’n groep heerste. Voor zover ze zichtbaar zijn, leven de mensen als op zichzelf staande individuen. Ze voelen wel het groeps-Ik, maar voor de zintuigen waren ze als aparte mensen te zien. Daar ze zich nog niet voelden als zelfstandige wezens, konden ze ook de liefde nog niet ten volle in zichzelf voelen. De een houdt van de ander, omdat ze bloedverwanten zijn. Bloedverwantschap is de grondslag van alle liefde. De bloedverwanten hielden eerst van elkaar en uit die bloedverwantschap komt de liefde voort, voor zover ze geen geslachtelijke liefde is. De mensen moeten zich nu steeds meer vrij maken van die groepsliefde en de liefde als vrije gave van het IK kunnen schenken. Aan het eind van de aard-ontwikkeling zullen de mensen zover zijn, dat het zelfstandig geworden IK in zijn binnenste met volle overgave de impuls zal hebben, het juiste en het goede te doen. Omdat het IK deze aandrang geeft, dóet het, het juiste, dóet het, het goede.

 

Blz 93 Als de liefde zo vergeestelijkt is, dat niemand iets anders zal wensen dan deze drang te volgen, dan is vervuld wat Christus Jezus in de wereld wilde brengen. Want dat is één van de geheimen van het Christendom, dat het leert: “Ziet naar Christus, vervult Uzelf met de kracht van Zijn Wezen, tracht te worden als Hij, volgt Hem na, dan wordt Uw bevrijde Ik zo, dat het geen voorschrift meer nodig heeft, dat het als een geheel vrij wezen het goede, het juiste doet.” Christus is dus degene, die de impuls brengt van vrijheid van dwang en regel. Het goede wordt dan niet meer vervuld omwille van de voorschriften, maar door de innerlijk levende liefde.

Deze impuls zal nog de gehele resterende aardeontwikkeling voor volledige ontplooiing nodig hebben. Het begin ertoe is door Christus Jezus gemaakt en de gestalte van Christus zal ook steeds de kracht zijn, die de mensen tot deze taak opvoedt. Zolang de mensen niet rijp waren voor het ontvangen van een zelfstandig IK, zo lang ze delen van een groep vormden, moesten ze door regels van buitenaf opgevoed worden. En ook nu zijn de mensen nog niet op alle gebieden boven de groeps-IK uitgekomen. In hoeveel dingen is de mens niet individueel, maar massa-mens! De geheel vrije mens (die men de “Daklozen” noemt op een bepaalde trap van esoterische scholing) is nog een ideaal. Wie zich als individu in de wereld stelt, staat niet onder de wet. In het Christusprincipe ligt besloten de overwinning op de wetgeving; “De wet is door Mozes gegeven: de genade echter schenkt Christus!” Als genade bedoelde men in Christelijke zin de kracht der ziel om van binnenuit het goede te doen. De genade en de in de in het hart onderkende waarheid is door Christus ontstaan. U ziet, hoe diep ingrijpend deze gedachte is voor de hele mensheidsontwikkeling. Vroeger werden degenen, die ingewijd moesten worden ertoe gebracht hogere waarnemingsorganen te ontwikkelen.

 

Blz 94 Met gewone ogen heeft voordien niemand ooit een God gezien. De “eengeboren Zoon, die rust in het binnenste van de Vader, is de eerste, die ons ertoe gebracht heeft God te aanschouwen, zoals mensen met aardse zintuigen hun omgeving zien. Voordien was God onzichtbaar. Hij openbaarde zich in het bovenzinnelijke door de droom of door wat anders en dan alleen in mysterieplaatsen. Nu was God een historisch bestaand feit geworden, een vleselijke gestalte. Dat ligt besloten in de woorden: “Niemand heeft tot nu toe God gezien. De eengeboren (ofwel: eniggeboren Zoon) Zoon, die geborgen was in het binnenste van de Wereld-Vader, is nu de aanvoerder in dit waarnemen geworden.” Hij heeft de mensen ertoe gebracht met aardse zintuigen een God te zien.In elk geval zien we, hoe duidelijk en met nadruk in het Johannes-Evangelie op historische feiten te Palestina wordt gewezen en met wat voor duidelijke, vastomlijnde woorden dat gebeurt, we moeten ze wel op een goeden schaaltje leggen, als we ze willen gebruiken tot beter begrip van het esoterische Christendom. In de volgende voordrachten zullen we zien, hoe dit themaverder uitgewerkt wordt en tegelijk erop gewezen wordt dat Christus niet alleen de leider is van degenen, die nog samenhangen met de groepsziel, maar hoe Hij ook in elk mens afzonderlek zijn intrek neemt en juist het individuele IK Zijn impuls wil meegeven. De bloedverwantschap blijft weliswaar bestaan, maar de spirituele waarde der liefde komt erbij. Deze liefde nu, die van vrij IK naar vrij Ik gaat, geeft Hij aansporing. Voor degene, die voor een inwijding staat, onthult zich  dag voor dag een nieuwe waarheid. Een belangrijke waarheid komt altijd op de derde dag tot uitdrukking, dat is die waarheid, waardoor men ten volle leert begrijpen, dat er in de aardontwikkeling een moment komt, waarop de aan de bloedverwantschap verbonden liefde zich begint te vergeestelijken.

 

Blz 95 Dat is een gebeurtenis, die moet veraanschouwelijken de overgang van aan het bloed gebonden liefde tot de geestelijke liefde. Christus Jezus wijst op dat punt met woorden van groot belang, hij zegt: “Er zal een tijd komen – dat zal dan Mijn tijd zijn – waarin de belangrijkste dingen tot stand worden gebracht door mensen, die geen bloedverwanten zijn, maar zelfstandige zielen. Maar deze tijd moet nog aanbreken.” Christus zelf, die de eerste stoot daartoe geeft, zegt op een belangrijk moment, dat dit ideaal eens werkelijkheid zal worden, maar dat die tijd nog niet is aangebroken. Hij wijst er profetisch op, als Zijn moeder Hem verzoekt, iets voor de mensheid te doen, ze zegt eigenlijk, dat ze het recht heeft hem in staat te stellen voor de mensen iets belangrijks te doen. Hij antwoordt dan: “Ja, wat we nu op dit ogenblik kunnen doen, houdt nog verband met de bloedverwantschap, met de verhouding ik en gij, mijn tijd is nog niet gekomen. Daarom staan daar de woorden, “tussen mij en jou” en “mijn tijd is nog niet gekomen.” Wat daar in de tekst staat, slaat op dit geheim. Zoals zovele andere, is ook deze passage slordig vertaald. Er zou niet moeten staan, “Vrouw, wat heb ik met u te maken”, maar “Dit in verband met het “ik en gij”, met mijn en uw bloedsbanden.” Zo zuiver en subtiel moet men de tekst opvatten en ze ook alleen begrijpelijk voor wie haar wil vatten. Als echter steeds maar weer deze religieuze documenten door allerlei mensen uitgelegd worden, zou men wel eens willen vragen: “Hebben zij, die zich Christenen noemen, dan niet een of ander gevoel, als ze Christus – volgens de verkeerde vertaling – laten zeggen: Vrouw, wat heb ik met u te maken”. In veel gevallen, waarin men van Christendom spreekt, en zich beroept op het Evangelie, zou men willen vragen: “Vertaan ze het zo, hebben ze er wat aan?” Want het gaat er toch om, dat men wat aan het Johannes-Evangelie heeft. Bij zo’n diepzinnig document als het Johannes-Evangelie gaat het er werkelijk om, dat men eerst elk woord op een gouden schaaltje legt om het in zijn ware betekenis te kunnen begrijpen.  

 

 

De zeven graden van inwijding

 

Blz 97 Bij de beschouwingen over het johannes-Evangelie mogen we nergens de geheel principiële uiteenzetting veronachtzamen dat we bij de oorspronkelijke schrijver van het Johannes Evangelie te maken hebben met de lievelingsleerling vn Christus-Jezus, die door Hem zelf werd ingewijd. Als u het Johannes-Evangelie zorgvuldig leest, zult u één ding opmerken, nl. dat nergens in dit Evangelie gesproken wordt over de “jongere, dien de Heer liefhad”, vóór het hoofdstuk, dat de opwekking van Lazarus behandelt. De schrijver wil dus zeggen: “Wat daaraan voorafgaat, heft nog niets te maken met de kennis, die ik door de inwijding verkregen heb, in die hoofdstukken is er van mij nog geen sprake”. Pas daarna – na de opwekking van Lazarus – vermeldt hij pas de jongere “dien de Heer liefhad”. Daardoor valt dus het Johannes-Evangelie in twee belangrijke delen uiteen, in een eerste deel, waar nog niet gesproken wordt over de jongere, “dien de Heer liefhad”, omdat hij nog geen inwijding had ontvangen – en pas na de opwekking van Lazarus wordt deze jongere genoemd. U zult nergens in dit document iets vinden, dat in tegenspraak is met wat hier in deze voordrachten naar voren is gebracht.

 

Blz 98 Natuurlijk leest de mens, die het Evangelie oppervlakkig in zich opneemt hier overheen en schenkt er geen aandacht aan, men moet tegenwoordig, nu alles populair gemaakt wordt en allerlei wijsheid de mensen wordt voorgezet, beleven, dat vaak zeer veel twijfelachtigs onder deze “wijsheid” verkondigd wordt.

Wie zou het niet een zegen vinden, dat door zulke goedkope boekjes, zoals ze in de “reclame Universal-Bibliotheek”onder de mensen worden gebracht, allerlei wijsheid verspreid wordt. Nu is er onder de laatste boekjes ook een verschenen over het “ontstaan van de Bijbel”. Op het titelblad staat, dat de schrijver Dr. In de theologie is, hij is dus theoloog. Hij meent, dat door het hele Johannes-Evangelie heen, van het 35e vers in het 1e hoofdstuk af, op Johannes wordt gedoeld. Toen ik dit boekje in handen kreeg, vertrouwde ik mijn ogen niet, ik zei tegen mijzelf: Er moet toch iets vreemds aan de hand zijn, dat indruist tegen alle occulte inzichten. Nl. dat de jongere “dien de Heer liéfhad” niet wordt vermeld voor de opwekking van Lazarus. Maar een theoloog moet het toch weten! Nu, om niet te snel te kritiseren, laten we het Johannes-Evangelie er een bij nemen, maar kijk, daar staat het: “Den anderen dag stond Johannes wederom en twee van zijn jongeren”. Johannes de Doper wordt hier bedoeld en er wordt over twee jongeren gesproken. Het gunstigste, wat men ten aanzien van deze theoloog kan aannemen, is, dat zijn bewustzijn geheel in beslag is genomen door en oude exoterische traditie, die als volgt luidt: van die twee jongeren is de ene Johannes. Deze traditie stoelt op Mattheus 4,21. Maar men mag het Johannes-Evangelie niet verklaren met behulp van de andere Evangeliën. Dus: een theoloog heeft het klaargespeeld een schadelijk boek toe te voegen aan de populaire literatuur, als men nu weet, hoe dat doorvreet, wat door zulke goedkope boeken onder het volk komt, dan kan men wel de schade afmeten, die erdoor ontstaat. 

 

Blz 99 Dit is als tussenopmerking bedoeld om een soort bolwerk op te richten tegen allerlei bezwaren, die naar voren gebracht kunnen worden tegen wat hier gezegd wordt.

Nu zullen we de aandacht richten op hetgeen voorafgaat aan de “opwekking van Lazarus” en dat zijn geweldige dingen, waarover het daar gaat, de schrijver heeft echter het allerdiepste mededelingen bewaard voor de hoofdstukken na de opwekking van Lazarus. Hij wilde echter overal op wijzen, dat de inhoud van zijn Evangeliën alleen beoordeeld kan worden door degenen, die tot een zekere graad ingewijd zijn. Daarom vestigt hij er op verschillende plaatsen de aandacht op, dat er in de eerste hoofdstukken zaken aan de orde worden gesteld, die te maken hebben met een inwijding tot een bepaalde graad. Er bestaan verschillende graden van inwijding. Men maakte bv. In de oosterse vorm van inwijdingen een onderscheid in 7 graden en deze 7 graden gaf men allerlei symbolische namen. De eerste graad was die van de “raaf”, de tweede die van de “occulte”. De derde die van de “strijder”, de vierde de “leeuw”. De vijfde graad werd bij verschillende volkeren, die nog een soort bloedverwantschapgevoel bezaten, genoemd naar hun groepsziel, met de naam van hun volk, bij de Perzen bv. Werd iemand, die ingewijd was in de 5e graad een “Pers” genoemd. Als we inzicht hebben in de bedoeling van die namen, kunnen we ook begrijpen, waarom ze met recht gegeven werden.

Wie in de 1e graad ingewijd is, treed op als bemiddelaar tussen het occulte en het gewone leven, hij wordt heen en weer gezonden.

Op de eerste trap van inwijding moet de mens zich nog volop aan het uiterlijke leven wijden, maar wat hij daarbuiten opmerkt, moet hij komen mededelen in de mysterieplaats. Men spreekt dus van “raven” als er van buitenaf naar binnen met woorden iets moet worden medegedeeld. Denk u maar eens aan de raven van Elias of die van Wodan, zelfs nog aan de raven van Barbarossa, die moeten aangeven of het al tijd is om naar buiten te komen.

 

Blz 100  Wie op de tweede trap van inwijding stond, leefde geheel in het occulte leven. Wie in de 3e graad ingewijd was, mocht voor het occulte getuigen, de graad van “strijder” geeft niet aan, dat dit een vechter is, maar dat dit iemand is, die voor de occulte leer mag opkomen, voor dat, wat het occulte leven vermag te geven, op de bres mag staan. Wie een “leeuw” is, heeft het occulte leven in zichzelf verwerkelijkt, zodat hij niet alleen het occulte vermag te verdedigen met het woord, maar ook met de daad, d.w.z. met magische daden. De zesde graad is die van de “zonneheld” en de zevende die van de “vader”. Voor ons is de vijfde graad van belang.

Vooral in vroeger tijden leefde de mens in zijn levensgemeenschap en voelde zich, ook als hij zich al bewust was van zijn Ik, toch nog meer als en deel van de groepsziel. Wie echter ingewijde van de 5e graad was, had een bepaald offer gebracht, nl. zijn persoonlijkheid zover ondergeschikt gemaakt, dat hij het wezen van zijn volk in zich kon opnemen. Zoals de andere mensen hun ziel opgenomen voelden in de volksziel, zo voelde zulk een ingewijde de volksziel in zichzelf, omdat alles, wat met een eigen persoonlijkheid te maken had, voor hem van geen belang meer was, alleen de algemene geest van zijn volk. Daarom gaf men zulk een ingewijde de naam van het volk, waartoe hij behoorde. We weten, dat één van de eerste jongeren van Christus Jezus volgens het Johannes-Evangelie Nathaniël was. Hij wordt tot Christus gebracht. Hij was nog niet zover, dat hij in staat was Christus te doorzien. Christus is natuurlijk de alomvattende geest vol wijsheid, die door een ingewijde van de 5e graad niet beoordeeld kan worden. Maar Christus doorziet Nathaniël wél. Dat blijkt uit twee feiten.

 

Blz 101 Hoe noemt Hij hem zelf?

“Dat is een echte Israëliet!” Daar hebt u de naam van het volk. Zoals men bij de Perzen een ingewijde van de 5e graad een “Pers” noemde, zo noemde men er zo een bij de Israëlieten een “Israëliet”. Daarom noemt Christus hem een “Israëliet” en zegt dan tegen hem: “Voordat Philippus u riep, toen ge onder de vijgenboom zat, zag ik u reeds.”

Dat is een symbolische betiteling voor een ingewijde, evenals het zitten van Boeddha onder de Boddhiboom. De vijgenboom is het symbool voor de Egyptisch-Chal-deeuwse inwijding. Hij wil hem daarmee zeggen:”o, ik weet wel, dat ge een ingewijde zijt en bepaalde dingen kunt doorzien, want ik zag u”. En nu geeft Nathaniël  dat toe. Nathaniël spreekt en zegt tot Hem: “Meester, Gij zijt Gods Zoon en een Koning in Israël.” Het woord Koning betekent in dit verband: Gij zijt hoger dan ik, anders Ge niet kunnen zeggen:”toen ge onder de vijgenboom zat, zag ik u.” Christus antwoord daarop: “Gij gelooft in Mij, omdat Ik u gezegd heb, dat Ik u onder de vijgenboom gezien heb, ge zult nog grotere dingen zien.”

De woorden:”Voorwaar, voorwaar”zullen we nog bespreken. Dan zegt hij: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u lieden, van nu aan zult  ge de engelen des hemels op de Mensenzoon zien neerdalen en opklimmen.”

Nog grotere dingen zullen diegenen zien, die in staat zijn Christus te kennen. Wat is dat weer voor een belangrijk woord? Om het te verklaren, moeten we ons weer te binnen brengen, wat de mens eigenlijk is. We hebben gezegd, dat er een verschil is tussen de mens bij dag en die bij nacht. Bij dag zijn er vier wezensdelen van de mens – fysiek, ether, astraallichaam en Ik – vast met elkaar verbonden

 

Blz 102. Ze werken wederkerig op elkaar in.  We mogen wel zeggen, dat als de mens bij dag wakker is, op een bepaalde manier zijn stoffelijk lichaam en etherlichaam door het astraallichaam en Ik worden verzorgd en ervan doordrongen. We hebben er echter ook op gewezen, dat in dat ether- en fysiek lichaam nog wat anders ook werkzaam moet zijn, opdat de mens kan blijven bestaan in zijn huidige ontwikkelingsstadium. We hebben er nl. bij stilgestaan, dat de mens elke nacht zijn astraallichaam en Ik, die altijd overdag zijn etherlichaam en fysieklichaam verzorgen, terugtrekt en dus dat etherlichaam en fysieklichaam gedurende de hele nacht aan hun lot overlaat. Trouweloos verlaten we elke nacht ons fysiek en etherlichaam. Daaruit kunt u opmaken, dat de geesteswetenschap er met een zeker recht op wijst, dat goddelijk-geestelijke wezens en krachten in de nacht dit fysiek en etherlichaam doorstromen, zodat dus ons stoffelijk en etherlichaam ingeschakeld worden in deze krachten. We hebben erop gewezen, dat, als in vroeger tijden – die we de jahve- of Jehova-tijd noemen – astraallichaam en Ik buiten stoffelijk en etherlichaam waren, Jehova daarin inspirerend werkte.  Het ware licht echter de volle goddelijkheid of de Elohim of Pleroma, dat is, wat ook steeds het fysiek en etherlichaam doorstraalt. De mens kan het alleen niet waarnemen, omdat hij nog niet door het Christus-principe de nodige impulsen ontvangen heeft, daar dit principe nog niet op aarde verscheen was. Deze principes, die in het stoffelijk lichaam tot uitdrukking moeten komen, zijn afkomstig van het Devachan. De geestelijke wezens en krachten, die werken op het stoffelijk lichaam, hebben hun woonplaats in hogere, hemelse sferen, in het hogere Devachan, de machten, die op het etherlichaaam werken, horen thuis in de lagere, hemelse sferen. We kunnen dus zeggen, in dit stofffelijk lichaam zijn voortdurend wezens werkzaam uit de hoogste regionen van het Devachan en op het etherlichaam werken voortdurend wezens uit de lagere regionen van het Devachan.

 

Blz 103 De mens kan echter pas deze krachten kennen, als hij de impulsen van Christus in zich opneemt: “Leert ge de Zoon des mensen werkelijk doorgronden, dan zult ge weten, hoe de geestelijke krachten naar de mens neerdalen en van hem weer opstijgen naar hemelse sferen. Dat zal u duidelijk worden door de impuls, die Christus aan de aarde geeft.”

Eerder gaf ik aandat de bruiloft in Kanan in Galilea, men noemt het ook wel “het eerste wonder” – beter gezegd “het eerste teken” – dat Christus Jezus verrichtte. Om nu te begrijpen, wat voor geweldigs daarin besloten ligt, moeten we veel van wat we in de laatste voordrachten hoorden, samenvatten.

Voorlopig is hier sprake van een bruiloft – maar waar om een bruiloft in Galilea? We zullen kunnen begrijpen, waarom het een bruiloft in Galilea is, als we ons nog eens de hele zending van Christus voor de geest roepen. Zijn opdracht is, aan de mensheid de volle kracht van het Ik, de innerlijke zelfstandigheid in de ziel, te schenken. Het afzonderlijke Ik moest leren voelen als volkomen zelfstandig, als geheel op zichzelf-staand, door de liefde als vrije gave zou dan de mens tot de andere mens moeten kunnen komen.  Door het Christus principe moet dus in de aarde-zending liefde worden opgenomen, liefde, die steeds meer boven het stoffelijke uitstijgt en zich vergeestelijkt. De liefde is begonnen op haar laagste trap als zinnelijke liefde. In de vroegste tijden der oorspronkelijke mensheid hielden alleen diegenen van elkaar, die door banden des bloeds aan elkaar verbonden waren en men hechtte er zeer veel gewicht aan, dat deze liefde een materiele basis van bloedverwantschap had. De Christus was gekomen om deze liefde te vergeestelijken – nl. om liefde aan de ene kant los te maken van de banden, waarin ze doorbloedverwantschap verstrikt was geraakt en aan de andere kant de stoot, de kracht tot de geestelijke liefde te geven.

 

Blz 104 onder de aanhangers van het Oude Testament verstaan we nog ten volle diegenen, die zich voelen als behorende bij de groepsziel met hun Ik. We kennen de uitspraak: “Ik en Vader Abraham zijn één” en dat zegt wat voor de aanhangers van het Oude Testament, het betekent, zich geborgen voelen in het bewustzijn, dat het bloed, dat ook door Vader Abraham’s aderen vloeide., eveneens in zijn aderen stroomde. Hij voelde zich opgenomen en geborgen in een groot geheel, men beschouwde ook diegenen als bij elkaar behorend, die uit een dusdanige menselijke voortplanting waren voortgekomen, die door zulk een bloedverwantschap bleef bestaan. In het allereerste begin van de mensheidontwikkeling werd er alleen maar getrouwd in kleine kring, onder familieleden. De “familie-bruiloft” was datgene waar aan men in de eerste tijden vasthield. De kringen van bloedverwantschap werden echter wijder. Men trouwde buiten zijn stam, maar nog niet buiten zijn volk. Het volk van het Oude Testament hield er streng aan vast, dat de bloedverwantschap behouden bleef. Alleen hij is een “Jood”, die het ook naar den bloede is. Tot dit principe richt Christus Jezus zich niet, hij wendt zich tot degenen, die dit principe der bloedverwantschap doorbreken en dit belangrijke toont Hij niet binnen Judea, maar daarbuiten in Galilea. Galilea was het gebied, waar volkeren van allerlei stammen dooreen gemengd leefden “Galileër” betekent “van gemengd bloed”. Christus Jezus gaat naar de Galileërs, naar degenen, die het sterkst gemengd bloed hebben. Wat nu ten grondslag ligt aan de voortplanting met gemengd bloed, daaruit moet nu iets ontstaan, dat niet meer gebonden is aan de materiele grondslag der liefde. Daarom wordt hetgeen Hij te zeggen heeft, op een bruiloft gezegd. Waarom juist op een bruiloft? Omdat daardoor gewezen kan worden op de voortplanting van de mens.

 

Blz 105  Wat hij te tonen heeft toont Hij niet daar,, waar inteelt gewoonte is, maar daar, war men buiten bloedverwantschap treed en huwt. Daarom wordt het op een bruiloft gezegd en dan bij een bruiloft in Galilea. Als we dat goed begrijpen willen, moeten we weer een blik werpen op de hele ontwikkeling van de mensheid. Er is vaak de nadruk op gelegd, dat er voor de occultist niet zoiets bestaat als het uiterlijke, alleen maar materiele. Al het stoffelijke is voor hem uitdrukking van iets geestelijks, zo is het licht van de zon de uitdrukking van een spiritueel licht. Alles, wat schijnbaar alleen maar op het materiele vlak gebeurt, is tevens de uitdrukking van zeer spirituele werkingen. Het occultisme loochent de stofffelijkheid niet, zelfs hetgeen het grofst is in de stoffelijkewereld, is uitdrukking van iets geestelijks. Zo komen bepaalde geestelijke ontwikkelingen overeen met parallel lopende stoffelijke gebeurtenissen.

Als we in de geest terugzien op de ontwikkelingen der mensheid, toen ze nog leefden op het oude vasteland tussen Europa en Amerika – Atlantis – en dan ontdekken, dat ze verder leefde in de na-Atlantische tijd en langs vele geslachten tot nu toe zich verder ontwikkeld heft, dan kunnen we die hele ontwikkeling van het 4e en 5e ras – van rassenstandpunt gezien – zo beschouwen, dar vanuit het volk van Atlantis, dat nog geheel in het groepsziel-element leefde, de mensheid zich geleidelijk ontwikkelde naar het stadium van het persoonlijke Ik in de na-Atlantische tijd. Wat Christus op geestelijk gebied te brengen had door zijn machtige geestelijke impuls, moest langzaam ingeleid worden door andere impulsen. Wat Jahve gedaan had, was, dat Hij in het astraallichaam het groeps-Ik gelegd had en dat op die wijze had voorbereid tot het opnemen na langzame rijping van het geheel zelfstandige “Ik-ben”. De mens kon echter dat Ik niet bevatten, als ook niet  zijn stoffelijk lichaam  een geëigend werktuig voor het in zich dragen van dit Ik werd. U kunt zich gemakkelijk voorstellen, dat het astraallichaam nog zo goed in staat kan zijn een Ik op te nemen – als het stoffelijk lichaam niet het juiste werktuig is om het Ik in het waakbewustzijn vast te houden, dan is het niet mogelijk, een Ik op te nemen – Het fysieke lichaam moet ook steeds het geëigende werktuig zijn voor wat zich hier op aarde wil kenbaar maken. Dus moet het stoffelijk lichaam voorbereid worden om een werktuig voor het Ik te worden, toen het astraallichaam rijp genoeg voor dat Ik geworden was. Dat nu gebeurde ook gedurende de menselijke ontwikkeling.

We kunnen de processen vervolgen, waardoor het fysiek lichaam ertoe rijp gemaakt werd om een drager van het Ik te worden. Dat wordt ons zelfs in de Bijbel aangeduid, nl. dat degene, die in zekere zin in de na-Atlantische tijd de stamvader van de mensheid wordt – nl. Noach – de eerste is, die wijn drinkt, die dus de invloed van alcohol ondervindt. Nu komen we op een onderwerp, dat vele kan schokken. Wat als bijzondere cultus in de na-Atlantische tijd verschijnt, is de Dionysus-dienst in samenhang wordt gebracht met de wijn. Deze merkwaardige stof kwam pas in de na-Atlantische tijd in handen van mensen en werkte op hen in. U weet, dat elke stof op een bepaalde manier op de mens inwerkt en de alcohol heeft en zeer speciale werking op het menselijk organisme. Ze had nl. een zending te vervullen, ze had – hoe vreemd het schijnt – de opgave, het menselijk lichaam zo te prepareren, dat het werd afgesneden van de verbinding met het goddelijke, zodat het “Ik ben”kon ontstaan. De alcohol werkt nl. zo, dat ze de mens losmaakt, afsnijd van de samenhang met de geestelijke wereld, die werking heft ze ook nu nog. De alcohol was er niet voor niets. In de toekomst zullen de mensen met het volste recht kunnen zeggen, dat de alcohol de opgave had, de mens zo diep in de materie omlaag te trekken, dat hij egoïst werd. De alcohol bracht hem ertoe, het Ik voor zich op te eisen en niet meer in dienst te stellen van het hele volk.

 

Blz 107 De alcohol heeft de mensheid dus en tegengestelde dienst bewezen als de groepsziel. Hij heeft de mens de mogelijkheid ontnomen, zich in hoger werelden met een groot geheel  één te voelen. Vandaar de Dionysys-cultus, die het samenleven aanmoedigt in een soort uiterlijke roes, een opgaan in een geheel zonder het geheel te zien. De ontwikkeling in de na-Atlantische tijd is met de Dionysus-cultus verbonden, omdat deze cultus een symbool moest zijn voor de werking en de bedoeling van de alcohol. Nu de mensheid in onze tijd er weer naar streeft – daar het Ik zover ontwikkeld is – om verbinding te krijgen met goddelijk-geestelijke machten, nu is het ogenblik gekomen, waarop eerst onbewust, een zekere reactie tegen de alcohol begint te komen. Deze reactie ontstaat, doordat vele mensen nu al voelen, dat hetgeen vroeger gerechtvaardigd was, niet altijd gerechtvaardigd kan blijven. Niemand hoeft het zo-even gezegde zo op te vatten, dat het in het voordeel van de alcohol bedoeld was, het werd alleen gezegd om uit te leggen, dat de zending van de alcohol is volbracht en dat voor verschillende tijden ook verschillende dingen passend zijn., In hetzelfde tijdsgewricht, waarin de mens door de alcohol het allerdiepst omlaag getrokken was in het egoïsme, trad ook de sterkste kracht op, die de mens een zeer grote stoot kan geven tot het vinden van de weg naar spiritualiteit. Aan de ene kant moest de mens tot de grootste diepte neerdalen om zelfstandig te worden en aan de andere kant moest r een tegenkracht ontstaan, die hem weer de weg moest wijzen om tot het geheel terug te keren. Dit moest Christus met het eerste “teken” aanduiden om zijn zending aan te geven.

 

Blz 108   hij moest in de eerste plaats duidelijk maken, dat het Ik zelfstandig moest worden en daarbij moest hj zich wenden tot degenen, die zich reeds losgemaakt hadden van hun bloedverwantschap. Hij moest dit “teken” geven op een bruiloft, waarop de lichamen onder invloed van de alcohol verkeerden, want bij deze bruiloft wordt wijn gedronken. Christus geeft ook duidelijk aan, wat hij denkt over zijn zending in verband met de verschillende aarde-tijdperken. Hoe vaak wordt het op eigenaardige manier uitgelegd, wat de bedoeling is van de verandering van water in wijn. Ook van de kansel kan men horen beweren, dat het niet anders bedoeld is dan dat het oude water van het Oude Testament moet worden vervangen door de krachtige wijn van het Nieuwe Testament. Het waren waarschijnlijk liefhebbers van wijn, die deze uitleg altijd zo graag gaven. Maar zo eenvoudig zijn deze symbolen niet uit te leggen. Men moet eraan vasthouden, dat Christus zegt: “Mijn zending is bedoeld als te zullen werken tot in de verste toekomst, de mensen moeten weer als zelfstandige wezens in verbinding met God gebracht worden – de liefde tot God als een vrije gave van het zelfstandige Ik>” deze liefde moet de mens in de volle vrijheid met God verbinden, zoals hij vroeger door een innerlijke dwang van de groepsziel met deze God verbonden was.

Laten we ons de stemming voor de geest roepen van de toenmalige mensheid en dan vooral ook hun gedachten. Men zei:”De mens was vroeger met de groepsziel verbonden en voelde zo zijn verbinding met de Godheid. Daarna heeft hij zich steeds verder ontwikkeld.” Dat beschouwde men als een verstrikt raken in de materie, dus als een degeneratie, een soort afvalligheid van het goddelijke – men vroeg zich af:”waar is datgene vandaan gekomen, wat de mens nu heeft? Waar is hij van losgemaakt?” Hoe verder we in de aardeontwikkeling teruggaan hoe meer we vinden, dat de vaste stoffen onder invloed van warmtetoestanden in vloeibare vorm overgaan.

 

Blz 109  we weten echter, dat in die tijd de aarde nog een vloeibare vorm had en dat de mens er toen ook al was, maar hij was minder los van het goddelijk dan later. Naarmate de aarde verhardde, verstoffelijkte ook de mens. Hij was reeds opgenomen in het water, toen de aarde nog vloeibaar was, maar hij kon alleen maar rondlopen op een aarde, die al gedeeltelijk vast was. Daardoor voelde men dat zich-verharden van de mens zo, dat men zei:”Uit de aarde, die nog uit vloeistof bestond, ontstond de mens, maar hij is dan nog geheel met de godheid verbonden. Alles, wat hem in het stoffelijke heeft doen komen, heeft hem verontreinigd. “Diegenen”, die zich deze samenhang met het goddelijke moesten herinneren, werden met water gedoopt. Deze doop moest als symbool dienen voor het volgende: wordt u bewust van uw vroegere samenhang met God en weet, dat ge verontreinigd zijt, achteruitgegaan, totdat ge uw huidige staat bereikte. Zo doopte ook de Doper om op die manier de mensen hun samenhang met God bewust te maken, dat was de zin van iedere doop in de oudheid. Het is kras uitgedrukt, maar het doet ons goed begrijpen, wat de bedoeling was.

Christus Jezus zou nu op andere wijze dopen. Hij moest de mensen niet wijzen op het verleden, maar door het tot ontwikkeling brengen van het spirituele in hun binnenste, op de toekomst. Door de “heilige”, onbedorven Geest moest het geestelijk deel der mensen weer met de Godheid verbonden worden. De doop met water was een “herinneringsdoop”, de doop met de “heilige Geest” is en profetische doop, die wijst naar de toekomst. Die samenhang, waaraan de doop met water moest herinneren, was ook verloren gegaan door wat werd uitgedrukt in het symbool van de wijn, de offerwijn: Dionysus is de in stukken gevallen God, die in elke ziel apart is binnengetrokken, zodat die aparte zielen niets meer van elkander wisten.

 

Blz 110 In vele stukken gevallen, in de stof ondergedoken is de mens door hetgeen de alcohol – het symbool van Dionysus – gebracht heeft. Maar in d bruiloft van Kana is nog een belangrijk principe behouden gebleven, dat is het pedagogisch evolutieprincipe. Er zijn weliswaar absolute waarheden, maar die kunnen niet op elk moment zonder meer aan de mensen bekend gemaakt worden. Iedere tijd moet zijn eigen waarheden ontvangen.

Waarom mogen we in onze tijd over “reïncarnatie” spreken? Waarom mogen we hier zo bijeen zijn en ons met geesteswetenschap bezighouden? Dat mogen we, omdat alle zielen, die hier aanwezig zijn, in zo en zoveel lichamen zo en zoveel maal op aarde zij geweest. Zelfs veel zielen onder u hebben in vroeger tijden geleefd in Germaanse landen, waar de Druïdenpriesters optraden en de spirituele wijsheid in de vorm van mythen en sagen hebben overgebracht. Omdat die zielen dat toentertijd in die vorm hebben opgenomen, zijn ze tegenwoordig in staat datzelfde in een andere vorm, de antroposofische, in zich op te nemen. Toentertijd in beelden – nu in de vorm van Antroposofie. De waarheid zou toen niet in de huidige vorm hebben kunnen worden voorgedragen. U moet niet geloven, dat de Druïdenpriesters de waarheid in de huidige vorm hebben kunnen verkondigen. Antroposofie is echter de vorm, die de juiste is voor de huidige en komende mensheid. In latere incarnaties zal de waarheid weer in heel andere vorm verkondigd worden, wat men nu Antroposofie noemt, zal herinneringsgewijs verteld worden, zoals men dat nu met sprookjes en sagen doet. De antroposoof mag niet zo dwaas doen met te zeggen , dat er in vroegere tijdenalleen maar domheid heerste en men van alles kinderachtige voorstellingen had en dat wij nu “zo verrukkelijk ver gebracht hebben.”

 

Blz 111 Dat zeggen bv. De Monisten. Wij werken echter in de geesteswetenschap om de eerstvolgende tijd voor te bereiden, want als de huidige tijd er niet was, zou de volgende ook niet kunnen aanbreken. Niemand mag echter de tegenwoordige met de komende tijd verontschuldigen. Ook met de leer van reïncarnatie wordt veel kwaad bedreven. Er zijn mij mensen onder ogen gekomen, die zeiden, dat ze in deze incarnatie nog niet fatsoenlijk hoefden te zijn, daarvoor hadden ze later nog wel tijd om het te worden. Als men daar nu echter niet mee begint, zullen de gevolgen juist in de volgende incarnatie optreden.

We moeten dus goed voor ogen houden, dat de waarheid niet iets absoluuts is, maar dat er telkens in een bepaald tijdperk een bepaald facet van naar voren treedt, dat passend is voor die tijd. Om zo te zeggen, moest de hoogste impuls neerdalen tot in de levensgewoonten en alledaagsheden van de toenmalige mensheid, want die moest – als hoogste waarheid – in woorden en daden uitgedrukt worden, die pasten bij wat men in die tijd begrijpen kon. Daarom moest Christus door een soort Dionysus- of wijnoffer uitdrukken, hoe de mensheid zich tot het goddelijke kon verheffen. Men mag niet fanatiek vragen: “Waarom verandert Christus het water in wijn?” Men moet rekening houden met de tijd, waarin het plaatsvond. Door een soort Dionysus-offer moest Christus het komende voorbereiden. Christus gaat naar de Galileers, die bestaan uit een mengeling van allerlei volkeren, die niet door bloedsbanden met elkaar verbonden zijn, hij verricht daar het eerste teken van zijn zending. Hij vereenzelvigt zich zodanig met hun gewoonten, dat hij water in wijn verandert voor hen.

Laten we goed horen, wat Christus daar in feite zeggen wil. “Ik wil ook die mensen tot de samenhang met het geestelijke voeren, die al tot materialisme vervallen zijn, dit blijkt uit het feit, dat ze wijn drinken.”Hij is er volgens zichzelf niet alleen voor hen, die door de doop zich tot het geestelijke kunnen verheffen.

 

Blz 112 het is ook zeer belangrijk, dat we er hier juist op gewezen worden, dat er 6 reinigingskruiken staan. Op het aantal komen we nog wel terug. Reiniging is, hetgeen door de doop geschiedt. In de tijd, van waaruit het Evangelie afkomstig is, sprak men over de “doop” als over een reiniging. Men sprak het woord “doop” eigenlijk nooit uit: maar men zei “dopen”: wat door de doop bewerkt werd, noemde men “reiniging.” In de Johannes Evangelie zult u nergens het betreffende woord anders vinden dan als werkwoord (baptisein) Als het echter als zelfstandig naamwoord gebruikt wordt, bedoelt men steeds de reiniging, de werking, opdat de mens steeds herinnerd worde aan zijn gereinigde toestand, aan zijn verbinding met het goddelijke. Dus zelfs met de symbolische kruiken voor het reinigingsoffer begint Christus Jezus het teken, waardoor hij – in overeenstemming met de tijd, waarin hij werkt – op zijn zending wijst. Op deze wijze wordt ons juist door de bruiloft te Kana in Galilea reeds iets van de diepte van de zending van Christus aangestipt. Daar moest Hij ook zeggen:”In de toekomst ligt mijn tijd, die is nu nog niet aangebroken. Wat ik hier moet tonen, hangt nog voor een deel samen met datgene, wat juist door Mijn zending overwonnen moet worden.” Hij werkt in de tegenwoordige tijd en wijst tegelijkertijd naar de toekomst. Daarom zegt Zijn moeder, aanmoedigend tot Hem:”Ze hebben geen wijn”. Hij zegt echter: “Wat Ik nu te volbrengen heb, hangt nog samen met voorbije tijden, met “ik en gij”: de tijd, waarvoor Ik werk, waarin wijn weer in water veranderd wordt, is nog niet aangebroken.” Hoe zou het ook zin hebben te zeggen:”Vrouw, wat heb Ik met jou te maken?” als Hij dan toch doet, wat Zijn moeder gezegd heeft?

 

Blz 113 Het heeft alleen dan zin, als we erop gewezen worden, dat door de bloedverwantschap de bestaande toestand van de mensheid ontstaan is en dat een teken gegeven wordt, dat aansluit op oude gebruiken, die alleen nog de werking van de alcohol nodig hebben om dan te kunnen wijzen op de tijden, waarin het Ik zich loswikkelt uit de bloedsbanden, d.w.z. dat men wel rekening moet houden met het oude, het symbolisch dat in de wijn tot uitdrukking komt, maar er toch ook op bedacht moet zijn, dat er nog een komende tijd is, die dan de “Zijne” zal zijn.

Hoofdstuk na hoofdstuk worden we nu in het Johannes Evangelie op twee dingen gewezen: ten eerste, dat wat er vermeld wordt, bestemd is voor degenen, die in zekere zin occulte waarheden begrijpen kunnen. Tegenwoordig wordt op exoterische wijze geesteswetenschap voorgedragen: toentertijd konden alleen diegenen geesteswetenschappelijke waarheden begrijpen, die werkelijk tot een of andere graad van inwijding waren gekomen. Wie kon wat begrijpen van wat Christus Jezus aan diepere waarheden verkondigde? Dat kon degene, die buiten zijn lichaam vermocht te verwijlen en zo waar kon nemen in de geestelijke wereld (eigen inzet: de “Raven”) Wilde Christus Jezus spreken tot de mensen, die Hem begrijpen konden, dan moesten dat mensen zijn, die op een bepaalde manier ingewijd waren en al geestelijk konden waarnemen. Als Hij bv. Spreekt over wedergeboorte der ziel in het hoofdstuk over het gesprek met Nicodemus, dan wordt ons daar getoond, dat Hij deze waarheid mededeelt aan iemand, die met geestelijke zinnen zien kan.

U behoeft maar te lezen: “Er was een mens onder de Farizeeërs, genaamd Nicodemus, een overste der Joden, die tot Jezus in de nacht….

Laten wij ons aanwennen de woorden op een gouden schaaltje te leggen! Er wordt ons medegedeeld, dat Nicodemus “bij nacht” komt – dwz., dat hij buiten zijn fysiek lichaam dat opneemt, wat Christus Jezus hem mee te delen heeft. “Bij nacht”, d.w.z. als hij zich van zijn geestelijke organen bedient, komt hij tot Christus Jezus.

 

Blz 114 Zoals Nathaniel en Jezus elkaar begrijpen door te spreken over de vijgenboom, zo wordt hier ook een manier aangeduid, waarop beiden elkaar verstaan.

Het andere, waarop gewezen wordt, is, dat Christus steeds de zending vervullen wil, die buiten de bloedverwantschap om gaat. Dat wordt ons ook nog eens zeer duidelijk gemaakt, doordat Hij naar de Samaritaanse vrouw gaat bij de bron. Hij geeft haar de les, die Hij aan al degenen wil verstrekken, wier Ik reeds vrij is van de banden des bloeds.

“Toen kwam Hij in een stad van Samaria, genaamd Sichar, nabij een stuk land, hetwelk Jacob zijn zoon Jozef gaf, en aldaar was de bron Jacobs. Toen n Jezus moede was van de reis, zette Hij zich alzo neder bij de bron, en het was omtrent de zesde ure.

Toen kwam er een vrouw van Samaria om water te putten. Jezus zeide tot haar:”Geef mij te drinken.” Want Zijn jongeren waren in de stad gegaan om spijs te kopen. De Samaritaanse vrouw, zeide tot Hem:”Hoe begeert gij van mij te drinken, daar gij immers een jood zijt en ik een Samaritanse vrouw?” (De Joden hadden geen omgang met de Samaritanen).

Hiermee wordt er de aandacht op gevestigd, dat het wat bijzonders is, dat Christus naar een volk toegaat, waarin Ikken reeds los van de groepsziel, ontworteld zijn. Dat is het belangrijke, waar het op aan komt. Uit het verhaal over de koninklijke hoveling blijkt verder, nier alleen datgene, wat door bloedsbanden verbonden is in de huwelijken in één volk, maar ook dat wat volgens afstamming in rangen en standen zich verdeelt, wordt door Christus doorbroken. Hij komt tot degenen, wier Ik ontworteld is, hij geneest de koninklijke hoveling, die Hem eigenlijk naar de opvatting der Joden, vreemd is.

 

Blz 115 Overal wordt erop gewezen, dat Christus de grote “zendeling van het zelfstandige Ik “ is, dat zich in ieder mens bevindt. Daarom mag Hij ook zeggen:”Als ik over mijzelf spreek, spreek Ik in hogere zin niet van het Ik, dat in Mij zit, maar als Ik over het “Ik-ben” spreek, dan spreek Ik over een wezen, over iets, dat iedereen in zichzelf kan vinden. Mijn Ik is één met de Vader.” Dat is ook de diepere zin van de lering, die Christus aan de Samariataanse vrouw bij de bron geeft.

Vóór alles zou ik u willen herinneren aan een woord, dat u een goed begrip kan geven als u het op de juiste wijze leest, nl. de plek van het 31e tot het 34e vers in het 3e hoofdstuk, die natuurlijk zo gelezen moet worden, dat men zich tegelijk ervan bewust is, dat Johannes de Doper deze woorden spreekt.

“Die van boven komt, is boven alles. Wie van de aarde is, die is van de aarde en spreekt van de aarde. Die uit de hemel komt, is boven allen en getuigt wat hij gezien en gehoord heeft en zijn getuigenis neemt niemand aan. Maar wie haar aanneem, die bezegelt, dat God waarachtig is. Want Hij, dien God gezonden heeft, Die spreekt Gods woorden, want God geeft de geest niet met mate.”

Ik zou degene wel eens willen zien, die deze woorden in deze vertaling werkelijk begrijpt. Wat is dat voor een tegenstelling: die van God komt, spreekt Gods woorden, want God geeft de geest niet met mate? Wat is de betekenis van deze zinnen?

Bij zijn talloze toespraken wil Christus steeds weer zeggen:”Als ik over het Ik spreek, dan spreek Ik over het eeuwige Ik in de mens, dat één is met de geestelijke oergrond der wereld. Als Ik over dat Ik spreek, zeg Ik iets over hetgeen in het diepste binnenste van de mens woont. Als iemand naar mij luistert ( en nu spreekt Hij over het lagere Ik, dat niets voelt van dat eeuwige Ik), dan neemt Hij mijn getuigenis niet aan, die begrijpt mij niet eens. Want Ik kan niet spreken over iets, dat van mij naar hem uitgaat, dan zou hij niet zelfstandig zijn. Ieder moet de God, waarover Ik verkondig, in zichzelf als zijn eeuwige oorsprong, vinden.”Een paar verzen terug vinden we:

 

Blz 116 “En Johannes doopte ook nog te Enon, nabij Salim, omdat daar vel water was, en zij kwamen daarheen en lieten zich dopen…Toen ontstond er een twistvraag onder de jongeren van Johannes met de jood over de reiniging (d.w.z. over de wijze van dopen).

Als men in deze kringen zo’n vraag stelde, sprak men steeds over de samenhang met het goddelijke en over het onderduiken van de mens in de materie en hoe men volgens de oude godsidee met het goddelijke samenhing door de groepsziel. Toen kwamen de jongeren naar Johannes toe zeggende:”Maar Jezus doopt ook!” Toen moest Johannes hun eerst uitleggen, dat hetgeen door Jezus in de wereld gebracht werd, iets zeer bijzonders was. Hij legt hun dat aldus uit:”Jezus spreekt niet over de samenhang, die door de oude vorm van dopen gesymboliseerd wordt, maar Hij makt juist duidelijk, hoe de mens door de vrije gave van het zelfstandig geworden Ik zichzelf kan besturen. Ieder moet in zichzelf het “Ik ben”, het goddelijke ontdekken, daardoor vindt hij dan ook het goddelijke in zichzelf.” Als die woorden nu op die manier opgevat worden, dan begrijpt de toehoorder, dat Hij-zelf, het “Ik-ben” door God gezonden is. Iemand, die door God gezonden is, die op deze wijze het Goddelijke moet doen ontvlammen, die spreekt ook over God in de ware zin en niet meer in verband met de bloedverwantschap.

En nu zullen we deze regels vertalen, zoals het werkelijk hoort. De gegevens daarvoor kunnen we verkrijgen, als we begrijpen, hoe de ouden deze leer opvatten, in velerlei boeken was dat kundig beschreven.

 

Blz 117 We behoeven slechts te denken aan de psalmen, waarin in het Oude Testament – in schone zinnen – het goddelijke wordt verkondigd. Daarin wordt over de oude bloedverwantschap gesproken alsof ze met een God samenhing. Men kon dat allemaal lezen, maar men werd er toch nooit meer door gewaar dan dat men met deze vroegere God verbonden was. Wilde men echter Christus begrijpen, dan waren al die oude wetten en kunstmatigheden niet van node. Wat Christus verkondigde, kon men volgen tot zover men het geestelijk Ik in zichzelf kon begrijpen. Dan kon men weliswaar de Godheid niet ten volle begrijpen, maar wat men van Christus hoorde, kon men bevatten. Dan was men voorbereid en ook geschikt om tot begrip te komen. Men had dan alle psalmen niet nodig, alle kunstig onder woorden gebrachte leerstellingen niet, alleen maar het allereenvoudigste en dat werd dan stamelend voortgebracht. Men kan ook op onduidelijke wijze van God getuigen, dat kon met eenvoudige woorden, die helemaal geen “omvang” hadden. Wie slechts wartaal sprak, maar in in zijn Ik voelde, dat Hij door God gezonden was, die kon begrijpen, wat Christus zeide. Wie alleen maar de aardse samenhang met God kent, spreekt in versmaten, zoals in de psalmen, maar al die versmaten brengen hem niet verder dan tot de oude Goden. Degen echter, die zich verbonden weet en voelt met de geestelijke werelden, die weet er meer van dan alle anderen en die kan getuigen van wat hij gezien en gehoord heeft in de geestelijke werelden. Maar degenen, die nog op de oude manier denken, aanvaarden zo’n getuigenis niet. Als er zijn, die zulk een getuigenis wél aanvaarden, dan tonen ze daardoor dat ze zich “door God gezonden” voelen. Ze geloven niet alleen, ze begrijpen ook, wat de ander zegt en ze bezegelen door hun begrip hun eigen woorden. “Wie het Ik voelt, openbaart zelfs, zij het lallend, Gods woord”. Dat wordt ermee bedoeld.

 

Blz 118 want de Geest, die hier bedoeld wordt, hoeft niet in versmaat of metrum uitgedrukt te worden, op de eenvoudigste, onhandigste manier kan ervan getuigd en over gesproken worden. Zulke woorden worden heel gemakkelijk gebruikt als vrijbrief voor véél on-wijsheid. Wie echter de wijsheid afwijst,dat naar zijn mening, de hoogste wijsheid op de allereenvoudigste manier moet kunnen worden uitgedrukt, die doet dat – in elk geval vaak onbewust – alleen maar uit behoefte aan geestelijke luiheid. Als er gezegd wordt:”God geeft de Geest niet met mate”, dan is daar alleen maar mee bedoeld, dat de “maat” niet helpt om de geest te verkrijgen, waar men de geest verstaat, ontstaat ook vanzelf de “maat”. Niet ieder, die de “maat” heeft, heeft ook de geest, maar wie de “geest” heeft, verkrijgt ook stellig de “maat”. Bepaalde dingen mag men natuurlijk niet omkeren, als men geen “maat “ heeft, wil dat niet zeggen, dat men de “geest bezit, hoewel omgekeerd het “maat bezitten” geen teken van het bezitten van de geest betekent. Wetenschap is geen teken van wijsheid, maar onwetendheid ook niet.

Er word ons dus getoond, dat Christus appelleert aan het zelfstandig geworden IK in alle mensenzielen. “Maat” moet men hier opvatten als “vermaat”, als kunstzinnig gevormde tal. De voorgaande zin luidt woordelijk: “Hij, die het goddelijke in het Ik aanvoelt, getuigt zelfs met onduidelijke woorden het goddelijke en vindt zijn weg tot God.” 

 

Het ik-ben

 

Blz 119 Er is in deze voordrachten al op gewezen, dat we in het gesprek van Christus Jezus met Nicodemus het onderhoud moeten zien van Christus met een persoonlijkheid, die in staat is datgene waar te nemen, wat men buiten het stoffelijk lichaam kan schouwen door waarnemingsorganen, die tot een bepaalde graad ontwikkelds zijn. Voor degene, die van deze dingen op de hoogte is, is dat helder en duidelijk in het Johannes Evangelie aangeduid, waar staat:”Nicodemus kwam tot Jezus bij nacht”, d.w.z. in een bewustzijnstoestand, waarbij de mens zich niet van zijn stoffelijke zintuigen bedient.Nu weet u, dat er bij dit gesprek van gedachten gewisseld wordt over de wedergeboorte van de mensen – “uit water en geest”. Dat zijn belangrijke woorden, die Christus tot Nicodemus spreekt in het 4e vers van het 3e Hoofdstuk. Nicodemus zegt tot Hem: “Hoe kan een mens wedergeboren worden, als hij oud is? (etc.) – Jezus antwoord:”Voorwaar, voorwaar, ik zeg u, zo iemand niet geboren wordt uit Water en Geest, kan hij in het rijk Gods niet komen.”

 

Blz 120 Als we terug gaan naar de oude Atlantische tijd leefden onze vóórvaderen in het Westen op een continent, dat bestond vóór de grote veranderingen op aarde, waar alle sagen over de zondvloed over verhalen; dat land bestaat niet meer, maar vormt de bodem van de Atlantische Oceaan. Op dit land, dat we het oude Atlantis noemen, leefden onze voorvaderen. Als we nu de laatste periode van het bestaan van Atlantis onderzoeken, vinden we dat de mens in die zeer ver terug liggende tijden niet eens zo veel van uiterlijk verschilde van ons nu. Maar als we terug gaan tot de eerste tijd van het bestaan van dit land, dan zouden we grote verschillen opmerken. Vóór de Atlantische tijd heeft de mens geleefd in een land, dat men tegenwoordig Lemurië noemt. In elk geval is het te gronde gegaan door ontzaglijke veranderingen in het aardoppervlak. Het lag ongeveer op de plaats van het huidige Zuid Azië, Afrika en Australië.

 

Blz 121 Als we het uiterlijk van de mensen onderzoeken, die in Lemurië leefden, voor zover dat helderziend mogelijk is, dan blijken ze zeer te verschillen van ons nu. Neemt u eens aan dat u met uw tegenwoordige zintuigen in de laatste Lemurische en eerste Atlantische tijd zou kunnen waarnemen, u zou dan dus de aarde bezien op verschillende plaatsen. Als u nu zoudt verwachten, dat u met uw stoffelijke zintuigen op aarde mensen zou zien, dan vergist u zich. De mens bestond toen nog niet in een vorm, die voor ons zintuigen waarneembaar zou zijn. U zoudt wel zien, dat er op aarde gebieden

waren, die ongeveer als eilanden uitstaken boven de door zeewater of nevel bedekte aarde. De eilanden gebieden waren echter nog niet zo hard als onze huidige continenten, maar van weke substantie, waar tussendoor allerlei vuurverschijnselen zich voordeden; zulke eilandengroepen werden door vulkaanuitbarstingen gevormd, maar er ook vaak weer door vernietigd.

 

 Blz 122 Kortom, er is nog een vuurelement werkzaam in de aarde en alles is nog in beweging en veranderlijk. U zou zien, dat er reeds bestaande gebieden, die wat meer afgekoeld zijn, voorlopers van onze dierwereld voorkomen. Groteske vormen zou u vinden, voorlopers van onze reptielen en amfibieën. Van de mens zou u niets kunnen zien, omdat de mens toen nog niet zo’n stevig, vastomlijnd lichaam bezat. U zou de mens moeten zoeken in het water… en de nevel, zoals men nu bij het zwemmen in zee bepaalde lagere dieren haast niet kunnen onderscheiden door hun weke, slijmerige vorm. In de gebieden van de waterdampen zou u de mens hebben kunnen waarnemen als zijnde daarin opgenomen. Hoe verder men in de tijd terug gaat, hoe dunner de mens wordt, gelijk met de hem omgevende nevelachtige waterwereld. Pas tijdens de Atlantische tijd verdicht hij zich verder; als men de gehele wording met het huidige gezichtsvermogen zou kunnen volgen, zou blijken, hoe deze mens zich vanuit het water heeft verdicht en steeds meer op de harde aardbodem omlaag zinkt. Het is dus werkelijk zo, dat de mens naar verhouding pas laat op de grond der aarde neerkwam. Hij daalde uit de waternevel omlaag, kristalliseerde er om zo te zeggen uit. De mens onderscheidde zich niet van zijn omgeving en bestond uit dezelfde stof als waarin hij leefde.

En wanneer we steeds verder terug gaan wordt het mensenlichaam steeds dunner en dunner.

 

Blz 128 Steeds meer vormden zich in het stoffelijke lichaam de huidige stoffelijke organen. Daarmee leerde de mens geleidelijk aan te zien. Het dagbewustzijn werd helderder en daardoor snoerde hij zich steeds meer af van zijn Goddelijke oorsprong. Pas tegen het midden van de Atlantische tijd is de mens zo ver verhard, dat hij vlees en been wordt, nadat het kraakbeen verhard is en de botten geleidelijk aan ontstaan. Tegelijkertijd wordt de aarde ook steeds harder en nu daalt de mens op aarde neer. Tevens verdwijnt ook het bewustzijn, dat hij gehad heeft van goddelijk-geestelijke werelden; hij gaat hoe langer hoe meer de wereld om zich heen waarnemen en bereidt zich erop voor aard-bewoner te worden. In het laatste deel van de Atlantische periode gaat de menselijke gestalte dan steeds meer op de huidige mens lijken. Zo daalt de mens letterlijk uit de waterdamp sferen omlaag. Zolang hij in de water-lucht-sfeer vertoefde, had hij zeer duidelijk astraal waarnemingsvermogen, omdat hij, zo vaak hij buiten zijn stoffelijk lichaam was, boven bij de goddelijk-geestelijke wezens vertoefd. Het was of er een schaal om iets komt, zo snoerde de mens zich af uit de vroeger samenhang; dat gebeurde, toen hij ophield water- en luchtvormig te zijn. Zolang hij water en luchtvormig was behoorde hij bij de goden; hij heeft weliswaar zijn IK niet kunnen ontwikkelen, maar hij had zich nog niet losgemaakt uit het goddelijk bewustzijn. Doordat hij in het stoffelijke neerdaalde, werd zijn astraal bewustzijn steeds meer verduisterd.

 

Blz 130 Als we in de zin van deze ontwikkeling zouden willen karakteriseren, zouden we kunnen zeggen; Vroeger, toen de mens nog bij de goden verwijlde, was stoffelijk en etherlichaam nog waterig en luchtvormig; Langzamerhand heeft het zich, tezamen met de verharding van de aarde, verdicht tot de huidige stoffelijkheid. Dat is de afdaling. Zoals de mens is neergedaald, zal hij ook weer opstijgen.  Dit wil zeggen dat de mens oorspronkelijk niet geboren is uit vlees en aarde, maar uit lucht en water. Naderhand moet hij in de geest werkelijk wedergeboren worden uit lucht en water. In de tijd van het ontstaan van de evangeliën was het zo dat men “water” ook water noemde, maar “pneuma’, dat men tegenwoordig als “geest” vertaalt, was toen “lucht”; dat woord had toen algemeen die betekenis. Men moet het woord “Pneuma” vertalen als “lucht” of “damp”; anders ontstaat er een misverstand.

 

Blz 131 Zo zien we het zelfstandige menselijk innerlijk ontstaan, dat de drager is van het Ik. Als u de slapende mens beschouwt, ziet u in het fysieke lichaam en etherlichaam, die in het bed liggen, datgene, wat in de loop der tijden is ontstaan door verdichting. Wat zich vroeger losgemaakt heeft uit de algemene astraliteit, keert daarheen elke nacht terug om zich weer te herstellen en te versterken in de algemene goddelijke astraliteit. Deze zelfstandige individualiteit is in de loop der aarde ontwikkeling ontstaan.

De mogelijkheid dat wij als individueel innerlijk mens hebben is om ’s nachts buiten ons fysiek en etherlichaam herstel en sterking zoeken, wij te danken hebben aan ons menselijk fysiek en etherlichaam die zich in de loop der aarde ontwikkeling gevormd hebben; daar is uit ontstaan, wat bij dag onderduikt in de fysieke zintuigen en daarmee de stoffelijke wereld waarneemt en wat bij nacht terug zinkt in een staat van bewusteloosheid, omdat het zich losgemaakt heeft uit de toestand, waarin het  vroeger verkeerde.

 

Blz 132 In het occulte spraak gebruik noemt men het deel dat in bed blijft liggen, de eigenlijke aarde-mens. Dat was “de mens” en datgene, waarin het IK dag en nacht gebonden zit en dat ontstaan is uit fysiek en etherlichaam, noemde men “mensenkind” of “ mensenzoon”. Mensenzoon is IK en astraallichaam, zoals ze in de loop der aarde-ontwikkeling ontstaan zijn.

Waarom is Christus op aarde gekomen? Wat moest door zijn impuls aan de aarde worden medegedeeld? Deze “mensenzoon”, die zich losgemaakt heeft uit de schoot der godheid, die zich afgesnoerd heeft van de samenhang, waarin Hij vroeger bestond, heeft zich daarvoor in de plaats zich een stoffelijk bewustzijn veroverd, moest door de kracht van Christus, die op aarde verschenen is, wederom tot bewustzijn van de spiritualiteit teruggevoerd worden. Hij moet niet alleen met stoffelijk zintuigen zijn fysiek omgeving waarnemen, maar door de kracht van Zijn eigen diepste wezen waarvan hij zich nog niet bewust is, moet hij tot het bewustzijn van het bestaan van het goddelijke komen. Door Christus kracht, die op aarde gekomen is, moet de “mensenzoon” weer tot het goddelijke opgeheven worden.

 

Blz 133 Vroeger konden slechts enkele uitverkoren mensen door de oude mysterie inwijding leren waarnemen in de goddelijk-geestelijke wereld. Deze die hiervan konden getuigen werden “slangen” genoemd. “slangen” heetten in vroegere tijden diegene, die op deze wijze in de mysteriën werden ingewijd.

Deze “slangen” waren de voorlopers van hetgeen Christus Jezus later zou volbrengen. Mozes toonde voor zijn volk het symbool der verhoging, de verhoging dergenen, die waar konden nemen in de geestelijke werelden; hij verhoogde de slang. Zoals die enkelingen waren, moest iedere “mensenzoon” verhoogd worden door de kracht van Christus Jezus op aarde.

Dit “IK ben” wordt de mensen geleidelijk nader gebracht. Alles wat in de loop der tijden moet geschieden moest langzaam en geleidelijk worden voorbereid. Wat door Christus op aarde moest worden gebracht moest zoals het kind in de moederschoot langzaam rijpen in de oude mysteriën en in de aanhangers van het Oude Testament.

 

het mysterie van Golgotha

 

de ontwikkeling van de mens in samenhang met het christus- principe

blz 154 Hoe onze Atlantische voorouders eruit zagen weten we nu. We weten dat ons fysieke lichaam zoals wij dit nu kunnen waarnemen geleidelijk tot deze stoffelijke dichtheid is gekomen. In het laatste 3e deel van de Atlantische tijd was de mens in wezen nog anders, hoewel het uiterlijk nog niet zo veel scheelde met dat van het huidige lichaam. De vroegere Atlantiërs hadden een etherhoofd, dat machtig uitstak buiten het stoffelijke hoofd. Later groeide dat alles naar elkaar toe en in het laatste 3e deel van de Atlantische tijd dekten ze elkaar. In de hersenen bevindt zich een punt, vlak bij de ogen, dat tegenwoordig overeenkomt met een bepaald punt in het etherhoofd. Deze twee punten lagen vroeger uiteen; het punt in het etherhoofd lag buiten de hersenen. Deze belangrijke punten zijn naar elkaar toe geschoven en toen deze punten samengevallen waren, leerde de mens pas “IK” tot zichzelf zeggen. Toen begon de tijd van de bewustzijnsziel.

 

Blz 157 Als we willen weten hoe dat in zich voorging moeten we terug naar het oude Atlantis en we zouden ons in een verdeling van regen, nevel, lucht en zonneschijn zoals wij die kennen niet aantreffen. 

Met namen de Noordelijke gedeelten, ten Westen van Scandinavië, ( op de plaats van Ierland en westelijk daarvan) waren bedekt met nevels.

Ze leefden steeds in nevels en pas na de Atlantische zondvloed brak de tijd aan dat de nevels zich oplosten in de lucht en als regen neerkwamen. Er was nergens in heel Atlantis een natuurverschijnsel te zien als de regenboog. Pas geleidelijk aan na de Atlantische zondvloed, begon ze te ontstaan omdat de gesteldheid van de atmosfeer veranderde.

 

Blz 157 De Atlantische zondvloed wordt in verscheidene sagen en mythen de “zondvloed” genoemd, dat Noach daarna verschijnt en na de zondvloed voor het eerst een regenboog ziet, dan zult u begrijpen, hoe woordelijk waar de religieuze documenten alles beschrijven. Want het is de waarheid dat de mensen na de Atlantische watervloed voor het eerst een regenboog zagen.

De uiterlijke en innerlijke verhoudingen voor de mens waren het gunstigs op een bepaald gebied van de aarde. Namelijk in de nabijheid van het huidige Ierland. (Tegenwoordig ligt het gebied onder water) Daar ontstond binnen het Atlantische volk een groep zeer beschaafde mensen, die het best de aanleg bezaten tot het ontwikkelen van een vrij menselijk bewustzijn. De leider van dit kleine volk, dat in de theosofische literatuur als de “Oersemieten” bekend is, was een groot ingewijde, die de verst gevorderden uit zijn volk uitkoos en met hen naar het Oosten trok. Ze gingen door Europa heen naar Azië, in de buurt van Tibet; daarheen trok en betrekkelijk klein, maar spiritueel zeer ver ontwikkelt deel van de Atlantische bevolking.

 

Blz 158 Gedurende de laatste tijd van het bestaan van Atlantis was het zover gekomen, dat de westelijke stukken geleidelijk onder water kwamen te liggen. Europa kreeg hoe langer hoe meer haar huidige vorm; in Azië was het nog zo, dat de uitgestrekte Siberische gebieden bijna geheel onder water lagen; het zuidelijk deel van Azië echter was er al wel, zij het in iets andere vorm. De minder hoog ontwikkelde delen van het Atlantische volk sloten zich ook wel aan bij deze voornoemde kern, die van West naar Oost trok; vele trokken verder naar Tibet, anderen gingen niet zo ver mee. De bevolking van het oude Europa ontstond voor een deel uit de voorbij trekkende en gedeeltelijk achterblijvende Atlantische bevolkingsgroepen. Ze vestigden zich in Europa en bevolkten het. Vroeger reeds hierheen getrokken groepen, deels uit andere delen van Atlantis afkomstig, deels ook uit het oude Lemurië naar Azië overgetrokken, ontmoetten elkaar hier in Europa. In Europa en Azië vestigden zich dus groepen mensen van zeer uiteenlopende mogelijkheden en geestelijke kwaliteiten. Het kleine groepje, dat geleid werd door bedoelde grote ingewijde, vestigde zich in het verre Azië om zich te wijden aan de grootst mogelijke spiritualiteit. Vanuit dit gebied straalden de verschillende culturen uit naar allerlei delen van de aarde en naar allerlei volkeren.

 

Blz 159 De eerste van deze stromingen ging naar India, en daar ontstond onder de geestelijke uitstraling van deze machtige individualiteit de oud-Indische cultuur. Hiermee wordt niet bedoeld de Indische cultuur, waarvan ons resten zijn bewaard gebleven in de schone boeken der veda’s en ook niet datgene, wat later bij overlevering is blijven bestaan. Aan alles, wat er over deze cultuur bekend is, ging nog en veel mooiere, oude cultuur vooraf, nl. die van de heilige Rischi’s. Dit waren grote leraren, die in ver terug liggende tijden de mensheid de eerste na-Atlantische cultuur geschonken hebben.

Laten we ons eens trachten te verplaatsen in deze eerste cultuurstroming na Atlantis; dit was nl. de eerste eigenlijke religieuze cultuur der mensheid. De voorafgaande Atlantische culturen waren in de ware zin van het woord niet religieus. “Religie” is een eigenaardigheid van de na-Atlantische tijd. Waarom?    

 

Blz 159 Nu, hoe leefden de Atlantiërs? Doordat het etherhoofd nog buiten het stoffelijke hoofd uitstak, bezaten ze nog de oude helderziendheid. Als men ’s nachts buiten zijn stoffelijk lichaam was, “zag” hij volkomen helder in de geestelijke wereld. Als hij bij dag in zijn stoffelijk lichaam ondergedoken was, zag hij de stoffelijke wereld, maar ’s nachts “zag” hij nog duidelijk in de geestelijke wereld. Denkt u zich eens in, in het midden of het eerste 3e deel van de Atlantische tijd. Hoe stond het toen met de mens? Hij werd ’s ochtends wakker.  Zijn astraallichaam trok zijn stoffelijk lichaam en etherlichaam binnen. De hem omringende dingen waren nog niet zo duidelijk en scherp omlijnd als nu. Alles lag in een mist gehuld, vaag. Daarmee hing samen een onduidelijk verschil tussen dagbewustzijn en nachtelijke bewusteloosheid; in de na-Atlantische tijd was dat anders. Gedurende de nacht glipte het astraallichaam wel uit ether en stoffelijklichaam, maar omdat het etherlichaam nog gedeeltelijk vast zat aan het astraallichaam, waren er altijd weerspiegelingen van de geestelijke wereld in het etherlichaam. De mens kon daardoor een schemerachtige helderziendheid hebben, leefde zich in de geestelijke wereld in, zag geestelijke wezens en voorvallen voor zich.

 

Blz 160 Germaanse mythen en sagen worden door de geleerden afgedaan met: “Dat hebben mensen vroeger als volksfantasie bij elkaar verzonnen” Wodan en Thor waren volgens hen gewone natuurkrachten. Wie beter geïnformeerd is die weet dat deze Godensagen resten zijn van werkelijke gebeurtenissen, die mensen vroeger helderziend hebben waargenomen. Wodan! Bestond. ’s Nachts verkeerde de mens onder de goden in de geestelijke wereld en kende daar Wodan en Thor net zo goed als hij nu zijn gelijken van vlees en bloed kent. Wat primitieve naturen nog heel lang schemerachtig helderziend konden waarnemen, vormt de inhoud van mythen en sagen, met name van de Germaanse. De mensen, die toentertijd van West naar Oost trokken in de streken, die later Germanië werden genoemd, waren nog begiftigd met een zekere helderziendheid.  Terwijl nu de hoogste ingewijde met zijn leerlingen naar Tibet trok en vandaar uit de eerste cultuurkolonie stichtte in India, waren er overal bij de volkeren in Europa ingewijden van lager rang achter gebleven, die in de mysteriën hun werk deden. Bij deze volkeren bestonden bv. De Druïden mysteriën, waarover de huidige mens niets meer weet te melden want wat ze beweert is fantastische onzin. Het is echter van belang, dat,  als men onder de Druïden over hogere werelden sprak, ook bij mensen van West-Rusland en Scandinavië met hun Trotten-mysteriën er altijd mensen waren, die afwisten van de geestelijke werelden.

 

Blz 161 Waarheen u zich ook begeven had in Europa, overal zou u nog herinneringen horen aan het oude Atlantis. Wat was daar dan? Iets, wat men zou kunnen noemen; wen natuurlijk samenleven van de mensen met die geestelijke wereld, wat wij nu de hemel zouden noemen. De mens trad telkens weer de geestelijke wereld binnen en leefde daar. M.a.w. hij behoefde niet door een bepaalde religie gewezen te worden op het bestaan van een geestelijke wereld. Wat wil “Religie” zeggen? Religie betekent : verbinding, verbinding van het stoffelijke met de geestelijke wereld. Er was geen behoefte aan een geestelijke belering, zij was voor hem een dagelijkse ervaring. Zo was de Atlantiër vast overtuigd van het bestaan van goden en geesten, niet door godsdienst, maar doordat hij ze meemaakte.

 

In de na-Atlantische tijd kreeg de Atlantiër, een helder dag bewustzijn ten koste van het oude helderzien. (In de toekomst zal dit helderzien weer optreden naast het heldere dagbewustzijn) De meest vooraanstaanden, die door de grote ingewijde naar het Oosten tot in Tibet geleid werden, hadden het meest dat oude dromerige helderzien verloren. Men moest het oudere helderzien verliezen, en een helder dagbewustzijn krijgen. De grote ingewijde en leider, voerde zijn groep weg, opdat ze niet hoefden te leven temidden van degenen, die nog op de trede van het oude Atlantische volk stonden. Uit deze groep konden slechts diegene weer in de hogere werelden helderziend  worden, die zich onderwierpen aan een occulte scholing.

 

Blz 162 Wat was er bij de mensen van de eerste na-Atlantische tijd nog over van het samenleven met de goddelijke-geestelijke wereld?  Het verlangen ernaar! Bij de mensen van de eerste na-Atlantische tijd was nog het verlangen naar deze goddelijk-geestelijke wereld gebleven. Het kwam hun voor alsof de poort naar de geestelijke wereld was dichtgevallen. Ze zweemden, want hun voorvaderen konden de geestelijke wereld waarnemen, waarin ze samenleefden met goden en geesten, waarin ze verbonden waren met de geestelijke werkelijkheid. Uit dit verlangen ontstond de oud-Indische manier van inwijding; hieruit beruste dit; dat de mens het heldere dagbewustzijn voor een tijd verlaat om weer terug te keren in de bewustzijnstoestand van vroeger.

 

Blz 163 Yoga is de methode der oud-Indische inwijding, die door haar praktijk en techniek mogelijk maakte op kunstmatige wijze tot stand te brengen, wat in het gewone leven de mens ontvallen was. In de oude inwijding moest men trachten, het etherlichaam kunstmatig uit het fysieke lichaam tos te maken, d.w.z. men moest de betrokkene in een soort lethargie-toestand, een soort doodsslaap brengen, die 3½ dag duurde, gedurende welke tijd het etherlichaam losgemaakt was, uitstak buiten het stoffelijklichaam, zodat hetgeen het astraallichaam beleefde, zich afdrukte in het etherlichaam. Als het etherlichaam dan weer in het stoffelijklichaam werd terug gebracht, wist de mens, wat hij in de geestelijke wereld beleefd had. Dat was de oude inwijdingsmethode, de Yoga-inwijding, waarbij de mens zich losmaakte van de stoffelijke wereld en zich weer verplaatste in de geestelijke. De cultuur die ontstond rond deze inwijdingen, was een zodanige, dat ze de latere Indische cultuur haar kleur en stemming gaf. Er was in die cultuur een stemming, die de mens deed zegen: “waarheid, werkelijkheid, realiteit is alleen in de geestelijke wereld te vinden, waarin men komt, als men zich losmaakt van de stoffelijke wereld.

 

Blz. 164 Nu leeft de mens in de fysieke wereld, omgeven door mineraal-, planten- en dierenrijk; in de schijnwereld. Men leeft nu in de wereld van de illusie, de Maja!. Voor de Indische cultuur werd de stoffelijke wereld Maja.

Als een oude Indiër heel heilig wil zijn, dan is hem deze wereld, die van Maja, waardeloos, een illusie. De ware wereld voor hem bestaat voor hem pas, als hij zich terug trekt en weer in die wereld leven mag, waarin zijn voorvaderen nog geleefd hebben tijdens Atlantis.

De zin van het verder ontwikkelen bestaat hierin dat de mens er zich aan leert wennen, dat de wereld die hem na Atlantisch werd toebedeeld, naar waarde behoort te worden geschat.

 

Een stap verder op deze weg, is de tweede cultuurperiode, die we noemen naar het gebied waarin de betrokken volkeren leefden. We noemen die de oud Perzische. We hebben weer een voor historische cultuur op het oog. Deze Perzische cultuur verschilt naar wezen en gevoelsinhoud van de oude Indische. Het werd steeds moeilijker om het etherlichaam los te maken, maar het was nog mogelijk en gedurende een bepaalde tijd werd dat ook nog gedaan, tot aan Christus Jezus toe. De mensen van die oud Perzische cultuur hadden één ding wel bereikt; ze waren begonnen, waarde te hechten aan Maja ofwel de illusie. De Indiërs waren pas gelukkig wanneer hij de illusie kon ontvluchten, voor de Pers was het zijn arbeidsveld geworden. Iets wat moest worden overmeesterd. Later ontstond daaruit de strijd tussen Ormus en Ahriman ( lees zarathustra ) waarbij de mens zich met het goede verbindt in strijd tegen de machten der slechte goden, die in de materie wonen. Hiermee hadden zij een stap gezet in de 2e cultuurperiode met de overwinning van de stoffelijke wereld.

 

Blz 165 Bij het aanbreken van de 3e cultuurperiode komen we al dichter  bij de historische tijden. In de geheimenwetenschap wordt deze periode aangeduid ald de Chaldeeuws-Baylonisch-Assyrisch-Egyptische cultuur. Al; deze culturen werden gegrondvest door kleine groepen, die werden uitgezonden onder leiding van grote leiders. De eerste groep stichtte de oud-Indische cultuur, de tweede de oud-Persische cultuur, de derde cultuurstroming ging nog verder naar het Westen en stichtte daar de bovengenoemde derde cultuur. Hiermee was een belangrijke stap gezet op de weg tot verovering van de stoffelijke wereld. De 3e cultuurperiode was het van groot belang de verhoudingen op de aarde te onderzoeken; daardoor deed hij de wiskunde ontstaan. Maja werd onderzocht en de wetenschap ontstond. De Chaldeeuwse-Egyptische cultuur, hadden persoonlijkheden die de staten beheerden, maar het waren ook wijzen die de wetmatigheden van de sterrenwereld kenden, en wisten dat alles in het heelal met elkaar in evenwicht moet zijn. Ze hadden de loop van de sterren bestudeerd en wisten, dat er evenwicht en overeenstemming moest zijn tussen wat er aan de hemel en wat er op aarde gebeurde. ( Chaldeeuwse astronomie) Naar wat er aan de hemel gebeurde, schreven ze voor, wat er in de loop der tijd op aarde moest worden verricht. Zelfs in de allereerste Romeinse tijd (het 4e cultuurtijdperk) had men er nog gevoel voor.

 

Blz 166 In de oude Mysteriën wist men aan het begin van een cultuurtijdperk al, wat er gedurende langere tijd daarna zou voorvallen. Aan het begin van de Romeinse tijd bv. Wist men in de Mysteriën al lang het volgende: “Na ons zal en tijd komen, waarin er van alles en nog wat zal gebeuren in de streek van Albalonga” Hiermee wordt een symbool aangeduid, dat de wijsheid der priesters de cultuur van Rome zou gaan bepalen. “Alba longa” is het lange priesterkleed. De toekomstige gebeurtenissen werden afgebakend. Men zei: er moeten 7 culturen op elkaar volgen; men verdeelde de toekomst in zevenen en stelde het grondplan voor de geschiedenis van tevoren vast. Hier zou u heel gemakkelijk kunnen zien dat de 7 Romeinse koningen, die aan het begin van de Romeinse tijd in de “Sibillijnse boeken”beschreven waren, als evenzoveel profetische geschiedkundige geheimen kunnen opvatten. In deze tijden wist men ook dat ze ten volle zouden moeten doormaken, wat er in beschreven was. Bij belangrijke gebeurtenissen las men ook in de heilige boeken, wat er daar over geschreven stond; vandaar, dat men deze boeken als heilig beschouwde en ze geheim hield.

 

Blz 167 De mens van de 3e cultuurperiode heeft de materie met geest doorwerkt, de uiterlijke wereld met geest doordrongen. Talloze historische bewijzen daarvan liggen besloten in de ontwikkelingsgang van het 3e Asyrisch- Babylonische-Chaldeeuwse-Egyptische cultuurperiode. Men begrijpt onze tijd pas goed, als men weet, welke belangrijke betrekkingen er bestaan tussen die tijd en die van ons. De geest is namelijk in onze tijd het allerdiepst in de materie ondergedoken. Ze is totaal egoïstisch en onidealistisch als nooit tevoren.  De mensheid heeft enorme geestkracht moeten opbrengen voor de grote uitvindingen van de 19e eeuw. Hoeveel geestkracht heeft zich gematerialiseerd? Gekristalliseerd? In de handelsbetrekkingen op aarde? Vraagt u zelf eens af: is deze geestkracht aangewend in dienst van de geestelijke vooruitgang?Maakt het voor u enig verschil wanneer  de mens het koren tussen en paar sten vermaalt of dat hij het zich door middel van telegrafie, schepen, etc. van verre laat vervoeren? De mensen zijn werkelijk tot in de diepste diepten van persoonlijke behoeften, materiele manier van denken ondergedoken. Maar deze egoïstische nuttigheidsprincipe moest komen, omdat daardoor en daarna des te beter de stijgende ontwikkelingsgang zou kunnen beginnen.

 

Blz 169 Hoe het komt dat de huidige mens zo op zijn eigen persoonlijkheid gesteld is geraakt, komt omdat dit inde 3e cultuurperiode is voorbereid. Toen men na de dood de vorm van het fysieke lichaam wilde behouden in de mummie. Men wilde dat het lichaam na de dood niet zou veranderen. Daardoor is het gevoel van vasthouden aan de persoonlijkheid zo sterk gemaakt. Dat dit gevoel van afgesloten persoonlijkheid zo sterk is, komt, doordat men in Egyptische tijd de lichamen na de dood balsemde. De Egyptenaren balsemden hun gestorvenen, zodat de mensen in de 5e cultuurperiode een zo groot mogelijk persoonlijkheidsgevoel zouden hebben. Daardoor kon de mens steeds dieper in de Maja onderduiken, en de materie doordringen met wat ze zich verwerven kunnen.

 

In de 4e cultuurperiode de Grieks-Romeinse, projecteert de mens zijn innerlijk op de buitenwereld. U ziet dan hoe in Griekenland de mens zichzelf in de materie, de vorm projecteert. De mens legt op geheimzinnige wijze zijn eigen gestalte vast in de Griekse godenbeelden. Bij Aeschylos klinkt het nog in dramatiek hoe de mens zijn eigenindividualiteit kunstzinnig realiseren wil. Hij treedt zelf op het fysieke plan en maakt een afbeelding van zich zelf. 
In de Romeinse cultuur is men al zo ver in de stoffelijke wereld ondergedoken, dat iedere persoonlijkheid apart ook juridisch als persoon beschouwd wordt. De mens was zover van zich zelf bewust geworden, dat hij zich als een burger van de staat voelde. Zo vordert alles trapsgewijs en het stoffelijke wordt steeds verder veroverd.

 

Blz 170 Onze cultuur is de eerst na de Griek-Romeinse, dus de 5e na Atlantische, dan volgt de 6e en de 7e De 4e cultuurperiode de Grieks_Romeinse is dus de middelste en in de tijd van deze middelste cultuur treedt Christus Jezus op aarde op. Deze gebeurtenis is voorbereid in de 3e cultuurperiode na Atlantis, omdat alles in de wereld voorbereid moet worden, wat het allerbelangrijkste gebeurtenis op aarde beschouwd moet worden en die valt in de 4e na-Atlantische cultuurperiode waarin de mensen zover tot persoonlijkheid geworden waren, dat ze zich objectiveerden en hun goden aan zich gelijk konden maken. In de Griekse tijd schept de mens zich een goden wereld in zijn kunst naar eigen spiegelbeeld. In de staatsvorm schept hij daarvan een herhaling.

 

De mens is zover gekomen dat hij de materie is gaan begrijpen en een verbinding heeft gevonden tussen materie en Maja.  Het is het tijdstip, waarop de mens gekomen is tot het begrijpen van de persoonlijkheid. Dit was het tijdstip dat de mens ook een god in mensengedaante kon accepteren. De bij de aarde behorende geest schreed toen voort tot persoonlijkheid. Hier zien we dus, hoe in het midden van de hele na-Atlantische cultuur God zelf als mens, als persoonlijkheid optreedt. Zo had de mens zich ontwikkeld vanaf de tijd, dat hij zich een deel van de goden voelde tot aan het gevoel voor eigen persoonlijkheid. Toen kon hij ook de godheid als persoonlijkheid begrijpen, toen deze was neergedaald, en onder de mensen verwijlde. Dit moeten we goed aanvoelen, Waarom Christus Jezus juist in deze tijd der mensheidsontwikkeling is opgetreden. Hoe dit mysterie zich verder ontwikkelde, hoe het in voorgaande tijden voorverkondigt werd en hoe het profetisch voor de toekomst tot in verre tijden al werkzaam is.

 

 Het ontstaan van het christendom

 

blz 172 We weten nu hoe in de tijd na Atlantis de mensheid zich verder ontwikkelde. Dat na de Atlantische watervloed een 1e cultuurperiode aanbrak, de Oud-Indische; deze cultuur karakteriseerde zich erin dat de zielen van de mensen beheerst werden door verlangen en herinneringen. Er waren in die tijd overleveringen bewaard gebleven van een tijd vóór de zondvloed van Atlantis, waarin de mens nog een oude helderziendheid bezat, waarmee hij de geestelijke werelden waarnam en door ervaring er mee bekend was.

Er was toen nog geen duidelijke scheiding tussen de bewustzijnstoestand gedurende de dag en gedurende de nacht. De dagelijkse belevenissen verdwenen en de beelden van de geestelijke wereld verschenen, en hij verkeerde er midden in. Morgens bij het ontwaken verdwenen de belevenissen van de geestelijke wereld, en waren de beelden van de tegenwoordige werkelijkheid weer om hem heen.

Die scherpe grens tussen nachtelijke bewusteloosheid en wakker-zijn overdag begon pas na de zondvloed in de na-Atlantische tijd en was de mens afgesneden van de geestelijke werkelijkheid en overgeleverd aan alleen een maar fysieke werkelijkheid.

 

Blz 174 De oude toestand was maar voor weinigen weggelegd: dat waren de ingewijden, die in de mysteriën leerden hun organen te oefenen, zodat ze in de geestelijke wereld zouden kunnen waarnemen. Zij konden verkondigen aan de anderen dat de geestelijke wereld echt bestaat.

Deze mensen werden de leiders van de mensheid. Dit was de eerste religieuze overtuiging in de na-Atlantische tijd en Yoga was de eerste vorm van inwijding.

 

Onder invloed van dit verlangen ontstond de oud-Indische, vóór Vedische cultuur. Hun eerste overtuiging was dat wat men met zijn ogen ziet onwerkelijk is Maja, illusie.  Men had een opvatting, men zei: “Als we in de geestelijke wereld willen binnengaan, ons verheffen boven “de illusie”, dan moeten we ons verliezen, ons “IK” uitdoven en in de Algeest – het Brahman – opgaan.”  Men was nog niet doordrongen van de eigenlijke bedoeling van die tijd. Het was niet de bedoeling om de werkelijkheid als Maja of illusie te beschouwen en haar te ontvluchten. Deze mensheid had een andere bestemming namelijk om de materiële wereld steeds meer te veroveren, en baas te worden over die wereld van stoffelijke verschijnselen.

Deze opvatting mocht echter niet blijvend zijn; men mocht niet blijven denken dat alles illusie was.

 

Blz 175 In de oer-Perzische cultuur, (wat historisch bekend is als Perzische of

Zarathustra-kultuur is de uitloper ervan) zien we de mensheid zich verbinden, met de stoffelijke werkelijkheid en zich losmaken van de oud-Indische opvattingen. Nog bestaat er niet een liefdevol zich verdiepen, in de stoffelijke werkelijkheid, ook niet het bestuderen ervan. Maar er is toch al iets meer gaande in die richting dan in de oud-Indische tijd. De wijsheid had in de oud-Indische cultuur geen enkel verband met de stoffelijke wereld, maar hield zich uitsluitend bezig met de geestelijke werelden. De stoffelijke werkelijkheid was iets onwaardigs. Daardoor kon de Indische manier van denken voor onze aardse wereld geen bruikbare wetenschap opleveren; de beheersing van de natuurwetten, zoals die nu aan onze cultuur ten grondslag ligt, zou daaruit niet hebben kunnen voortkomen. Want waarom zich bekend maken met de krachten van de wereld, die op dwaling berust?

De uiterlijke fysieke wereld is voor de oud-perzische cultuur een arbeidsveld. Het wordt nog wel als de uitdrukking van een vijandige god gezien, maar de hoop is toch geboren, dat men dit stuk fysieke werkelijkheid met hulp der lichtgoden kan veranderen in iets, dat geheel van geestelijke machten en goede goden is doortrokken. De Perzische cultuurmens bespeurt dus al een weinig de werkelijkheid van de fysieke wereld. Hij beschouwt haar weliswaar nog als het gebied van de god der duisternis, maar hij heeft toch hoop, dat hij haar doordringen kan met de krachten der goede goden.

 

Blz 176 De volgende cultuurperiode staat bekend als de Babylonische-Assyrisch-Chaldeeuwse-Egyptische. De sterren hemel was voor deze mensen geen Maja meer, maar iets dat men als letters kon lezen. In de glans van de sterren ziet de mens van de 3e cultuurperiode de uitdrukking van de raadsbesluiten en bedoelingen van goddelijk-geestelijke wezens. Men went eraan dat de uiterlijke werkelijkheid geen bedrog is, maar een openbaring, een manifestatie van goddelijke wezens. In de Egyptische cultuur begint men het uit de sterren gelezene op de indeling der aarde toe te passen. En werden de leermeesters van de geometrie, omdat ze geloofden, dat men door gedachten, waarmee men over de verdeling der aarde denkt, de stof ook kan bedwingen en dat de materie zich laat omvormen, voor zover de mens die begrijpen kan. Zo doordrong een latere mensheid deze stoffelijke wereld, die hij eerst voor Maja had gezien, met de geest, die ook steeds meer ook in het innerlijk van de mens opdook. Tot aan deze 3e cultuur periode ontwikkelde zich het bewustzijn van de mensen steeds meer. De mens werd zich in zijn innerlijk van zijn “IK” steeds meer bewust.

 

Blz 177 In de latere Atlantische tijd was de mens pas in staat het “IK” of “IK-ben” aan te voelen. Want zolang de mensen het geestelijke in beelden konden waarnemen, behoorden ze ook tot de geestelijke wereld. Maar nu begon het besef in hun innerlijk zich te ontplooien.

Zolang de mens zich tijdens het Atlantische tijdperk op en dromerige helderziende manier naar buiten gekeken had, had hij niet op zijn eigen innerlijk gelet. Deze innerlijke wereld van het “IK” of “IK-ben”, bestond nog niet vastomlijnd voor hem. Maar naarmate de geestelijke wereld onduidelijk werd, kwam de mens tot het besef van zijn eigen geestelijkheid.

In het oude Egypte was het zelfbewustzijn tot op zeker hoogte tot ontwikkeling gekomen, maar toch was er in dit persoonlijkheidsbewustzijn iets, wat dat werken in de materie als iets minderwaardigs deed voelen dat aan de buitenwereld bond en de mens er in weg gleed. Door deze situatie ontstaan er twee grondstemmingen van de mens tijdens zijn ontwikkeling.

 

Blz 178 Ten eerste wilden de mensen van de Atlantische tijd en de oud Indische tijd, zich van hun persoonlijkheid ontdoen. Voor de Atlantiërs was dit vanzelfsprekend, deze maakten zich iedere nacht los van hun persoonlijkheid en leefden in de geestelijke wereld. Voor de oud Indiërs geschiede dit via yoga inwijdingen, dat tot het onpersoonlijke voerde. Men wilde in het goddelijke rusten en geborgen zijn, en dat rusten in iets algemeen-onpersoonlijks was nog blijven bestaan in het bewustzijn van het behoren tot een bepaald geslacht, dat men eruit afkomstig was. Dat men als mens-apart met bloedbanden gebonden was aan zijn geslacht tot aan de stamvader toe dat was de stemming, die als laatste rest was gebleven van de veel vroegere geborgenheid in het goddelijk-geestelijke.

 

Zo kwam het dat de mens  met een normale ontwikkeling zich in de 3e cultuurperiode begonnen als mens-apart te voelen; tegelijkertijd wisten zich geborgen in een groot geheel, in iets goddelijks, waartoe ze voor hun gevoel behoorden door hun bloedverwantschap met hun hele geslacht. Voor hen leefde God in het bloed, dat door de generaties heen vloeide.

Bij het volk van het oude testament was deze stemming tot de hoogste graad opgevoerd. “IK en vader Abraham zijn één”. Ieder apart voelde zich geborgen in de samenhang van het geslacht, terug tot vader Abraham.

Zo was het ook in de grond stemming van alle volkeren van de 3e cultuurperiode, voor zover ze een normale ontwikkeling achter zich hadden ook. 

 

Blz 179 Echter was aan het volk van het oude testament profetisch voorverkondigd, dat er nog wat diepers bestond dan het Goddelijk vaderschap, dat zich verborg in het bloed der geslachten. Op het grootse moment, waarop dat profetisch wordt verkondigd, als Mozes hoort zeggen: “zeg, wanneer ge uit Mijn naam spreekt, dat het “IK ben” het u gezegd heeft,” dan weerklinkt voor de eerste keer de openbaring van de Logos, van Christus. Voor het eerst werd profetisch verkondigd, dat in God niet alleen leeft, wat in het bloed der geslachten verborgen vloeit, maar dat er ook nog iets zuiver geestelijk in hem is.

 

Blz 180 Wie was degene, die profetisch Zijn naam verkondigde en aan wie men de naam “IK ben” moet geven? In het 12e hoofdstuk vers 37 van het Johannes evangelie wijst Christus op de vervulling van een uitspraak van de profeet Jesaja, op de profetie, dat de Joden niet aan Christus zullen geloven. Jezus zelf duidt dan op Jesaja: “Hij heeft hunne ogen verblind en hun hart verstokt, opdat zij met de ogen niet zien, noch met het hart verstaan en zich bekeren en IK hen geneze.” Jesaja sprak met Hem!  Met wie sprak Jesaja? Er wordt gewezen op de plaats (Jesaja 6:1), die luidt: “IN het jaar, dat koning Uzia stierf, zag ik de Heer zitten op een hoge en verheven troon en de slippen zijns gewaads vervulden de tempel.”

 

Jesaja zag Christus! Op geestelijk gebied was Hij steeds waar te nemen. Daarom is het niet onbegrijpelijk als de geesteswetenschap erop wijst, dat degene, die voor mozes waarneembaar was, toen Hij deze het woord “IK ben” als Zijn naam noemde, hetzelfde hoge Wezen was, dat later als Christus op aarde verscheen. De eigenlijke “Geest Gods” uit vroegere tijden is geen andere dan de Christus. Dit zijn religieuze documenten die moeilijk te doorgronden zijn. Men moet dan daarom zo precies te werk gaan, omdat er met de woorden “Vader”, “Zoon”, en “Heilige Geest” de merkwaardigste verwisselingen zijn begaan. Deze woorden zijn op allerlei manieren gebruikt om de eigenlijke esoterische betekenis niet openlijk aan de dag te doen komen.

 

Als men vroeger bij de Joden sprak van de “Vader”, dan bedoelde men de vader, die stamvader was en wiens bloed door de generaties vloeide. Sprak men, zoals Jesaja dat doet, van de “Heer, dus van Degene, Die Zich geestelijk openbaarde, dan bedoelde men ook de Logos, zoals in het Johannes-evangelie. Het Johannes-evangelie zegt dan ook niets anders dan: “Degene, die in de geest altijd waarneembaar is geweest, is nu vlees geworden en heeft onder ons geleefd.”

 

Blz 181 Nu wordt het ons duidelijk dat ook in het oude testament in zekere zin over Christus gesproken wordt, en zien ook op welke wijze het Hebreeuwse volk in onze ontwikkeling thuis hoort. Uit het Egyptische groeit het oud-Hebreeuws principe, dat zich afscheid van het Egyptische.

De normale gang van de mensheidsontwikkeling verloopt als volgt: De 1e cultuur na Atlantis is de oud-Indische, de 2e de oud-Perzische, de 3e de Babylonisch-Assyrisch-Chaldeeuws-Egyptische cultuur en er volgt dan nog een 4e periode, de Grieks-Romeinse en de 5e is de onze.

Voordat de 4e periode begint, ontstaat als een geheimzinnige aftakking uit de 3e periode, het volk en zijn tradities, dat later de Christus uit zich zal doen voortkomen.   

 

Blz 182 In de 4e cultuur periode is de mens zover dat wat de mens in zijn geest heeft opgenomen, zonder meer in de materie overbrengt. We zien, hoe de mens de materie met zijn eigen geest, zijn Ik, doordringt. We zien de werken van de Griekse beeldhouwers, waarin de mens datgene, wat hij in zijn ziel beleefd, naar buiten projecteert. In de Romeinse wereld zien we verder, dat de mens zich van zichzelf bewust wordt en dat voor de buitenwereld vastlegt in het “ius”, het recht, hoewel een onjuiste, verdraaide rechtswetenschap dat niet duidelijk doet blijken. Voor degene, die beter op de hoogte is van de jurisprudentie is het vanzelfsprekend, dat de eigenlijke recht, dat de mens als rechtsobject beschouwt, pas in de 4e cultuurperiode is ontstaan. Bij de Grieken voelde ieder mens zich als een lid van de stadsstaat. In de 4e cultuurperiode is de mens zover dat hetgeen hij in zijn geest heeft opgenomen, zonder meer in de materie overbrengt.  Zoals u weet is de volmaakte architectuur van de Grieken de zuiverste uitdrukking van de wetmatigheden van de ruimte. De zuil is geheel gedacht als drager en wat op een zuil ligt, is zo gevoeld, dat het moet worden gedragen, dat het drukt.

 

Blz 183  Het architectonisch aanvoelen van ruimte gaat niet met het oog, maar was een “meevoelen” met het lijnenspel. Alles houdt elkaar in evenwicht. Zoals bij engelen die in de sixtijnse kapel geschilderd zijn, zou je kunnen denken dat ze naar beneden vallen, maar alles is in evenwicht zodat men zoniet onmogelijk zou kunnen denken. Dit “meevoelen” met het lijnenspel heet: “de levende geest meetkundig werkzaam voelen.”dat was wat Plato bedoelde, toen hij de veelzeggende uitdrukking gebruikte: “God is altijd meetkundig werkzaam.” De Grieken bouwden hun tempels volgens deze regels. De Griekse tempel was dus de woning van de Godheid. Geheel anders dan de kerk van tegenwoordig; onze kerken zijn plaatsen om te bidden en te preken. In de Griekse tempel was God zelf aanwezig!

Blz 184 Bij de Gothische kerken komt in de vormen iets tot uitdrukking, wat duidt op een godsvruchtige groep mensen. Als daar binnen niet een vrome menigte mensen bijeen is, die de handen in die voor de Gothische kerk karakteristieke boogvorm bijeen brengt, dan is de kerk niet volledig. 

Geesteswetenschappelijk moeten we de 4e cultuurperiode na Atlantis beschouwen als de tijd, waarin de mens geheel in harmonie is met de hem omringende wereld. In deze tijd is het begrijpelijk waarin de mens zo harmonisch samengegroeid is met zijn omgeving, dat het goddelijke in een mens geïncarneerd verschijnen kan. Daarom moest dus aan het volk, dat de goddelijke idee in zijn geestelijke vorm moest aanvaarden, gezegd worden: “Gij zult u geen beeld maken.” Dit volk ontwikkelde zich onder invloed van zulke opvattingen verder en uit het hart daarvan ontsproot de Christus-idee.Dit volk werd er toe uitverkoren; in deze 4e cultuurperiode dat hier de verschijning van de Christus zou plaats vinden in dit volk.

 

Blz 185 Voor het Christelijke gevoel valt de mensenontwikkeling in twee delen uiteen, uit een voor-Christelijke en een na-Christelijke. De God-mens kon alleen maar gedurende een bepaalde tijdspanne door de mens begrepen worden. We zien dan ook, hoe het Johannes Evangelie aanknoopt aan wat bij die tijd paste, in het bewustzijn, dat het in die vorm begrepen kan worden; Daardoor kreeg het omdat het verwant was een Griekse vorm van uitdrukking. Het gehele Christelijke gevoelsleven nam geleidelijk deze vorm over. Later zien we wel dat er iets als Gothiek moest ontstaan, omdat het de opdracht van het Christendom was, weer uit het stoffelijke naar het geestelijke te voeren. Men kon ze toen nog spiritualiseren en met geest doordringen, men was er nog niet in ondergedoken zoals in onze tijd.

 

Blz 186 Het Christendom was noodzakelijk in de ontwikkeling van de mensheid. Voorral wanneer we verder gaan kijken naar welke vorm het Christendom langzamerhand moest krijgen. Eerder is er op gewezen dat men alles letterlijk moet nemen in dit evangelie, maar dat men de letters eerst moet leren. Het is niet zonder betekenis dat nergens de naam “Johannes” genoemd wordt, maar dat er steeds gesproken wordt over de “jongere, dien de Heer liefhad.” Een ander voorbeeld, doet zich voor in een volgende ontwikkelingsfase van het Christendom.  Er wordt in het Johannes-Evangelie over het hoofd gezien hoe over de “moeder van Jezus” gesproken wordt. Men zegt vaak dat is Maria, de moeder van Jezus is Maria. Er staat nergens in het Johannes-Evangelie dat de moeder van Jezus “Maria” heet. Overal waar er sprake van is staat er “moeder van Jezus”. In het hoofdstuk van de bruiloft in Kana staat: “zijn moeder zeide tot de dienaren”… Ook wanneer de verlosser aan het Kruis hangt wordt er in het Johannes evangelie gezegd:” en bij het Kruis van Jezus stonden zijn moeder en Zijn moeders zuster, Maria de vrouw van Kleophas en Maria Magdalena.”Merkwaardig is dat beide zusters Maria heten. Wie is de moeder van Jezus? En nu beroeren we één van de belangrijkste vraagstukken van het Johannes evangelie, nl. “Wie is eigenlijk de werkelijke vader van Jezus? En wie is zijn moeder? Ook in het Lukas-Evangelie kan men deze vraag stellen. (1:35) dit getuigd van een bijzondere onnadenkendheid, om niet te zien wat wat er bij de verkondiging gezegd wordt in het Lukas-Evangelie: “De Heilige Geest zal over u komen en de kracht des Allerhoogsten zal u overschaduwen; daarom zal ook het Heilige, dat van u geboren worden, Gods Zoon genaamd worden.”

 

Blz 188 Zelfs in het Lukas-Evangelie wordt erop gewezen, dat de vader van Jezus de Heilige Geest is. Dat moet woordelijk opgevat worden en de theologen, die dat niet toegeven, zijn niet in staat dat Evangelie op de juiste wijze te lezen. We moeten dus de belangrijke vraag stellen: “ Hoe is de onderlinge verhouding te verklaren tussen de woorden”IK en de Vader zijn één”, “Ik en Vader Abraham zijn één,” voordat Abraham er was, was het IK ben er reeds”? Hoe moet men overeenstemming vinden in het feit dat de Evangeliën in de H.Geest het Vader-principe zien. En hoe moeten we in de zin van het Johannes-Evangelie over de moeder, het moeder-principe denken?

Als we de stamboom in het Lukas-Evangelie bekijken, wordt ons gezegd dat Jezus door Johannes gedoopt werd en dat Hij op zijn 30e jaar ging verkondigen en bovendien, dat Hij de zoon is van “Maria en Jozef”, welke laatste een zoon is van Eli, etc. Daarna volgt dan de hele stamboom. Dan ziet u ook dat die terug gaat tot Adam. Dan volgt daarop nog iets merkwaardigs, want daar staan de woorden:”En dat was de zoon van God” Precies zoals men van de afstamming van vader op zoon spreekt, wordt hier God als de vader van Adam genoemd in het Lukas-Evangelie. Zo’n zin moeten we zeer serieus nemen. Nu hebben we ongeveer de vragen bijeen die tot het hart van het Johannes-Evangelie zullen voeren. 

  

De invloed van de Christus-impuls op de mensheid

 

Blz 189 De mensheid na Atlantis, waartoe ook wij behoren moet zeven ontwikkelingsperioden doormaken. Dit zijn 7 rassen, maar het woord ras kan verkeerd geïnterpreteerd worden, want het gaat hier om de ontwikkeling van een cultuur en wat we in onze tijd als rassen beschouwen stamt nog uit de Atlantis ontwikkeling. De mensontwikkeling die voorafging aan de zondvloeden, die plaats vonden op het continent, dat lag tussen het huidige Europa en Amerika – het oude Atlantis – verdelen we ook in 7 opeenvolgende perioden. Voor deze 7 tijdperken geld wel de uitdrukking “rassenontwikkeling”. Want deze 7 opeenvolgende stadia der mensheid waren zowel uiterlijk-lichamelijk als innerlijk, zeer verschillend van elkaar. De wijze van indeling die we nu op de huidige mensheid toepassen, is veel innelijker dan wat met het begrip ras bedoeld wordt.

Op de volgende wijze kunnen we de na-Atlantische tijd beschouwen.

1 de oud-Indische periode

2 de oud-Perzische

3 de Babylonisch-Assyrisch-Chaldeeuws-Egyptische

4 de Grieks-Romeinse

5 de tijd, waarin wij nu leven; de onze zal worden gevolgd door een

6e en een

7e periode.

 

Blz 190 We leven nu dus in de 5e na-Atlantische periode en zeggen: het Christendom is in zijn volle omvang en diepte begonnen in de 4e periode. Voor zover het de mensheid van de 5e periode gegrepen heeft, heeft het zijn werking gehad; wij zullen, vanuit de geesteswetenschap trachten te voorspellen, hoe het verder zal werken.

 

De Egyptische cultuur behoort tot de 3e periode, vandaar uit leidden aanhangers van het Oude Testament de ontwikkeling van de Hebreeuwse cultuur. Men kan dus zeggen dat het Christendom stamt uit de 3e cultuurperiode; het kwam tot ontwikkeling in de 4e cultuurperiode met het verschijnen van Christus-Jezus. En werkte verder uit in de 5e cultuurperiode en zal nog verder werken in de 6e die op de onze volgt.

Verschillende delen van de mens hebben zich in de loop van zijn ontwikkeling wijzigingen ondergaan: In de laatste tijd van Atlantis, heeft het etherische deel van het hoofd zich binnen het fysieke teruggetrokken.waardoor de mens de eerste aanleg kreeg om tot zichzelf “IK-ben” te zeggen. Toen de zondvloed over Atlantis losbrak, was het stoffelijk lichaam van de mens doordrongen van de kracht van dit “IK-ben”; d.w.z. de mens was zover, dat hij zijn stoffelijk lichaam geheel tot werktuig voor het “IK-ben” gemaakt had; hij had dus nu zelfbewustzijn.

Wat was de bedoeling van Atlantis? De opdracht was de mens tot Ik drager te maken en deze zending gaat dan na de zondvloed door tot in onze tijd.

In deze na-Atlantische tijd moet er nog wat anders gebeuren. Het Manas ofwel Geestzelf moet nu in de mens geleidelijk tot ontwikkeling komen. In de na-Atlantische tijd begint dus de ontwikkeling van de Manas of Geestzelf. We weten dat we, na in de 6e en 7e periode verschillende incarnaties te hebben doorgemaakt, door Manas of Geestzelf tot op zekere hoogte beïnvloed zullen zijn. Er is echter een langere voorbereiding nodig om een geschikt werktuig voor dit Manas of geestzelf te worden.

In de 1e cultuurperiode na-Atlantis maakt de mens eerst zijn etherlichaam tot IK-drager, zoals hij dat tevoren zijn stoffelijk lichaam had gedaan. Dit gebeurde in de oud-Indische tijd. Het bestond dus hierin, dat de mens de mogelijkheid krijgt, niet alleen zijn fysiek lichaam als Ik-drager te bezitten, maar ook zijn etherlichaam daartoe geëigend is. Als we de verdere ontwikkeling gedurende deze cultuurperioden bezien, dan moeten we het astraallichaam onderverdelen in: gewaarwordinglichaam, gewaarwordingziel, verstandsziel, en bewustzijnsziel; verder kennen we dan nog het geestzelf, de levensgeest, en de geestmens. Men spreekt gewoonlijk van 7 wezensdelen, het 4e hiervan dat we IK noemen, moeten we verder onderverdelen, omdat het tijdens de mensheidsontwikkeling zo ontstaan is.

 

 Blz 203

Fysieklichaam Atlantis

Etherlichaam 1e na-Atlantische tijd

Gewaarwordinglichaam 2e cultuurperiode

Gewaarwordingziel 3e cultuurperiode

Verstandsziel 4e cultuurperiode

Bewustzijnsziel 5e cultuurperiode

Geestzelf 6e cultuurperiode

Levensgeest 7e cultuurperiode

 

Blz 193 Tijdens het oud-Perzisch cultuurtijdperk kwam het astraallichaam/of gewaarwordingziel tot ontwikkeling. De gewaarwordingziel is de drager van de krachten, die een mens tot bezigheid aansporen. Het bezig zijn met de handen en wat daarmee samenhangt, het aanvangen van werken. In de oud-Indisch periode was men meer geneigd tot overpeinzing om tot de hogere werelden te komen. Maar het belangrijkste van het oud-Perzische tijdperk is, dat het IK in het gewaarwordinglichaam binnentreedt. De tijd der assyriërs, Babyloniërs, Chaldeërs, en Egyptenaren is gekenmerkt door het feit, dat het IK zich in de gewaarwordingziel begeeft. De gewaarwordingziel is dat deel, dat zich bij de waarnemende mens naar buiten richt, dat dus maakt, dat de mens zijn ogen en andere zintuigen gebruikt en buiten in de omgeving de in de natuur werkzame geest waarneemt. Daarom wordt in deze tijd de aandacht gericht op de in de ruimte aanwezige dingen. Men kijkt naar de sterren en hun bewegingen. De gewaarwordingziel neemt in zich op, wat buiten in de ruimte is. Het was dus en aflezen van wetmatigheden, geen denkwetenschap. Men zou het dus een aanschouwing- of gevoelswetenschap kunnen noemen. De logica, het nadenken in zichzelf, waarbij men begrippen met elkaar verbindt of ze juist losmaakt, dus logisch over de dingen denkt en niet de wetmatigheden van de dingen afleest, dat komt pas in de 4e cultuurperiode. Daarom noemen we deze laatste de periode van de verstandsziel.

 

Blz 195 Wijzelf leven in een tijd waarin het IK in de bewustzijnsziel binnentreedt. De mensheid geraakte in de 10e, 11e,12e eeuw in dit tijdperk. Het IK drong pas in het midden van de Middeleeuwen de bewustzijnsziel binnen. De mens bracht zichzelf het volgende begrip bij, nl. dat van de persoonlijke vrijheid, van het flink- zijn- in- zichzelf. Aan het begin van de middeleeuwen ontleende de mens zijn waarde aan de plaats in de samenleving en aan zijn afkomst. Men erfde en leefde op een zekere stand of rang die hij innam in de gemeenschap. Deze zaken die niets te maken hebben met het persoonlijke IK,  

Leeft en werkt men in de wereld. Pas later toen de handel zich ontwikkelde en er moderne ontdekkingen en uitvindingen op de markt kwamen veranderde dit en breidde het Ik zich uit.

We zien dat overal in Europa deze bewustzijnziel zich manifesteert in stedenbouw en stedelijke wetten etc.  Alle opgaven die de nieuwe tijd stelt zijn aansporingen voor de mens om zijn bewustzijnziel te ontwikkelen.

 

Blz 196 Als we verder vooruit zien, ontdekken we dat in de volgende cultuurperiode dat de mens boven zich uit stijgt tot de Manas of Geestzelf. In die tijd zal het zo zijn dat de mensen in sterke mate een gemeenschappelijke wijsheid zullen bezitten. Ze zijn allen met de zelfde wijsheid doortrokken. Het begin zal zijn dat men zal voelen, dat wat met zijn diepste innerlijk samenhangt, eigenlijk voor alle mensen geldt. Voor de huidige opvattingen voor het allerpersoonlijkste houdt, is dat van hoger standpunt uit niet. Met het individuele persoonlijke hangt het tegenwoordig nog sterk samen, dat de mensen het oneens zijn, dat ze verschillende meningen hebben en zeggen: als men niet met elkaars meningen zou mogen verschillen, zou men geen zelfstandig mens zijn. Juist omdat ze zelfstandige mensen zijn willen, moeten ze wel van mening verschillen. Maar dat is van ondergeschikt belang. De mensen zullen het meest vredelievend en harmonisch zijn, als ieder voor zich zo veel mogelijk individueel is. Zolang de mensen niet volledig van het Geestzelf doordrongen zijn, zullen ze van mening blijven verschillen. Deze meningen zijn nog niet afkomstig uit het allerdiepste wezen van de mens.

 

Blz 197 In onze tijd zijn er maar weinig dingen die waar zijn enkele voorbeelden zijn de rekenkundige en wiskundige waarheden. Daarover kan men niet van mening verschillen. Als u bijvoorbeeld weet dat een miljoen mensen u zeggen dat 2+2=5, en u weet volkomen zeker van binnen, dat het 4 is, dan wéét u dat anderen zich vergissen. Dit is de Manas-cultuur, namelijk wanneer het hoe langer hoe meer gevoeld wordt, dat de volstrekte waarheid in het menselijk innerlijk gevonden kan worden en dat het tevens duidelijk wordt, dat wat als hogere waarheid ondervonden wordt, voor alle mensen gelijk blijkt te zijn, zoals dat voor rekenkundige waarheden nu al geldt.

Als het erom gaat een eigen mening erop na te houden over waarheden van anderen, dan is het eenvoudig onmogelijk om te strijden, over de hogere aard ervan; men kan zich alleen maar tot dat hogere standpunt opwerken en het is dus niet aan u om deze op te dringen. Dan blijkt wat voor de een de waarheid is, dat ook voor de ander zo te zijn. Dan bestrijdt men elkaar niet. Daarop berust nu de ware vrede, want er is slechts één waarheid en die heeft te maken met de geestelijke zon. Denk er maar eens over; elke plant groeit voor zich, alle planten richten zich naar de zon en dat is steeds de zelfde zon.

 

Als in de 6e cultuurperiode het Geestzelf in de mensen binnentreedt, dan zal er in werkelijkheid een geestelijke zon zijn, waarnaar alle mensen zich richten en waardoor ze het met elkaar eens zullen zijn. Dat is het grootste vooruitzicht voor de 6e cultuurperiode. In de 7e cultuurperiode zal de Levensgeest of het Budhi in onze ontwikkeling optreden.

 

Dit zijn grootse vooruitzichten, waar we slechts een flauw vermoeden van kunnen hebben. Maar war we eens over kunnen zijn is dat de 6e cultuurperiode van groot belang zal zijn, omdat het door gemeenschappelijke wijsheid vrede en broederschap zal brengen. Deze vrede en broederlijkheid zal niet voor enkele uitverkorenen mensen bedoeld zijn, maar voor iedereen, die de normale ontwikkeling doormaakt. Dit komt doordat het Hogere Zelf vooreerst in zijn eenvoudige vorm als Geestzelf of Manas in de mens zal neerdalen. Er zal en verbinding tot stand komen tussen menselijk IK, zoals het zich gevormd heeft tot nu te en het hoger IK. We kunnen dit een geestelijk huwelijk noemen.

 

Blz 198 Wanneer de mens in de na-Atlantische tijd zich met zijn hoger Zelf IK, zou kunnen verenigen, moet er bij zijn ontwikkeling hulp geboden worden. Wat met de mens in het 6e cultuur tijdperk bereikt moest worden, heeft een lange voorbereiding nodig. Vanbuiten af moet de macht en kracht komen voor wat er in dat tijdperk met de mensheid gebeuren moet.

Een eerste voorbereiding was er een van een geestelijke werking van buiten af; die was nog niet hier op aarde neergedaald. Dat blijkt uit wat wordt aangeduid als de grote zending van het Joodse volk, toen Mozes, die ingewijd was in de Egyptische mysteriën, de opdracht kreeg van de wereldleiding, die neergelegd i in de woorden: “Noem hun mijn Naam, als ge Mijn wetten verkondigt, het “Ik ben, het Ik ben”Met deze woorden werd hem zoveel opgedragen als: Bereid hen voor door te wijzen op de ongevormde, onzichtbare God. Wijs hen erop, dat, terwijl de Vader-God nog werkzaam is in het bloed, het Ik-ben wordt voorbereid en dat dit tot op het fysieke plan zal neerdalen; dit voor degenen, die het begrijpen kunnen.” In de 3e cultuurperiode werd daartoe de eerste aanleg gevormd. Daarna zien we vanuit het Hebreeuwse volk de zending zich vervullen, waardoor aan de mensheid de God wordt geopenbaard, die steeds dieper naar de aarde afdaalt en tenslotte in vleselijke gestalte verschijnt. Zijn komst is al lang tevoren voorspeld en tenslotte is Hij, voor ieder zichtbaar, verschenen. Zo Mozes dit al voorbereid had.

 

Blz 199 Eerst verkondigt door Mozes, daarna de vervulling ervan; het verschijnen van de Messias in de persoon van Christus. Vanaf dit punt, het eerste moment van het Christendom, wordt de eerste impuls tot eenheid en broederlijkheid in de mensenontwikkeling opgenomen; en zal dus in de 6e cultuurperiode werkelijkheid worden.

Op dit moment is de mensheid met haar verstandelijke en geestelijke krachten geheel in de stof neergedaald. Zonder het Christendom hadden we nooit de impuls gehad om de weg terug te vinden naar het Goddelijke in ons.

De mens is na de Atlantische tijd met een ruk omlaag gevallen in de stof, voordat nu de grootste diepte bereikt wordt, treedt er een andere kracht op, die haar weer in tegengestelde richting stoot. Dit is de Christus impuls. Zonder Christendom zou er geen economische vooruitgang zijn. In de oud-Indische cultuur zouden deze dingen ondenkbaar zijn. Er bestaat een geheime samenhang tussen het Christendom en alles waar men nu trots op is. Doordat het Christendom op het juiste moment kwam, was deze uiterlijke cultuur mogelijk, dat het op de goede tijd kwam, heeft het mogelijk gemaakt dat degenen, die zich tot het Christendom bekennen, zich weer boven de stof kunnen verheffen.  

 

Maar omdat het Christendom niet begrepen is, is het sterk gematerialiseerd. Men geeft er een materialistische uitleg aan. In plaats van bijvoorbeeld, de hogere spirituele bedoeling van het laatste avondmaal te begrijpen, wordt het nu als gewone stofomzetting beschouwd en daardoor te materialistisch opgevat. Momenteel zijn we gekomen aan het punt, waarop het voor de mensheid zich met het spirituele Christendom moet vinden, zich moet gaan bezighouden met het werkelijke Christendom om er de ware, geestelijke inhoud van te begrijpen.

 

Blz 202 Dit hele gebeuren heeft zich kunnen manifesteren doordat men het Johannes evangelie tot in onze tijd toe niet begrepen heeft. Dit document zal in zijn ware geestelijke vorm, begrepen moeten worden. Want de dingen die om ons heen gebeuren, hebben meer betekenis dan op het eerste oog zichtbaar is.

In de loop van het leven van Christus-Jezus gebeurde op het stoffelijke gebied, iets heel bijzonders. Degene die dit op een bijzondere manier in het Johannes evangelie weergeeft, is een ingewijde. Door dit gebeuren, beleeft hij dit als een soort van inwijding.

Gedurende 3½ perioden, die in de oude tijd als 3½ dag werden voorgesteld, verkeerde de kandidaat in een lethargische slaap. Op elke van de drie dagen beleefde hij iets anders in de geestelijke werelden. Op de eerste dag waren het bepaalde belevenissen in die spirituele sferen, op de tweede en andere op de derde weer andere. Voor degene waar het om nu om gaat, verscheen op een bepaald moment iets, wat altijd op dat tijdstip verschijnt, namelijk de toekomst der mensheid.  Wanneer we weten wat er in de toekomst voor impulsen nodig zijn, dan kunnen we die nu vast doen ontstaan en daarmee de toekomst nu al voorbereiden. De schrijver van het Johannes evangelie zag dat in een astraal toekomstbeeld, hij beleefde dat als een huwelijk van de mensheid met de Geest. Het optreden van Christus bracht deze belangrijke belevenis voor de mensheid tot uitdrukking. Voor die tijd leefde de mens niet op zo’n broederlijke manier samen. Deze ontstond door de Geest, die in zijn hart opbloeide, waardoor er vrede tussen mens en mens kon zijn.

Deze liefde ontwikkelde zich gelijdelijk aan, tot vergeestelijkte liefde en deze daalt dan neer.

Als slot van het 3e inwijdingsfase, zegt men: de mensheid viert haar bruiloft met het Geest zelf of Manas. Maar dit kan pas gebeuren, wanneer het tijdstip daar is, voor de volle verwerkelijking van het Christus impuls. Dit gebeurt niet wanneer de individuele mens niet zijn volledige zelfverantwoordelijkheid op zich heeft genomen. Hij zit dan nog gevangen in de bloedverwantschap. Hiermee worden alle banden weergegeven, die de evolutie van de mens belemmeren zich als individuele persoonlijkheid te manifesteren. Zolang deze impulsen nog werken is er geen geestelijke liefde mogelijk.

 

Blz 203 Overal waar men in de oude documenten over getallen gesproken wordt, heeft men te maken met het geheim der getallen. Als we nu lezen:”Op de derde dag was het huwelijk te Kanaa in Galilea…” dan is het voor iedere ingewijde duidelijk, dat men met deze 3e dag iets bijzonders bedoeld wordt. De schrijver van het Johannes evangelie wijst erop dat het hier niet gaat om alleen een bruiloft, maar ook om een belangrijke profetie. Deze bruiloft betekent ook de bruiloft van de mensheid., die men op de 3e dag van de inwijding te zien krijgt. Op de 1e dag bleek wat zich in de eerste periode afspeelde tijdens de overgang van de 3e naar de 4e cultuurperiode; op de 2e dag, wat er gebeurde tijdens de overgang van de 4e naar de 5e cultuurperiode; op de 3e hetgeen dat zich nog gaat voorvallen, als de mensheid van de 5e naar de 6e cultuurperiode zal oversteken. Dit zijn 3 dagen van de inwijding. De Christus impuls moest wachten tot het 3e tijdperk; vóór die tijd zou ze niet werkzaam hebben kunnen zijn.

 

Blz 204 In het Johannes evangelie wordt gewezen op een bepaald verband van “ik en gij” en van “ons beiden”. Dit staat er namelijk: “vrouw, wat heb ik met u te maken?” Als moeder van Christus hem aanmoedigt om een teken te geven, zegt Hij: “Mijn tijd is nog niet gekomen”, om op huwelijken op te treden. Dit wilt zeggen: om de mensen tot elkaar te voeren. Die tijd komt nog. Op dat moment werken de bloedbanden nog sterk en blijven dat ook nog doen; vandaar ook de verwijzing naar de betrekking tussen moeder en zoon bij dit huwelijk.

Als we dus dit document zo kunnen bekijken valt het op dat er achter dit uiterlijke gebeuren een zeer belangrijke spirituele gebeurtenis plaatsvindt.

En ontdekken we de diepe geestelijke achtergrond van het geestelijk leven, wat zulk een ingewijde als de schrijver van het Johannes evangelie de mensheid gegeven heeft. Dit kon hij doen doordat de Christus zijn impuls aan de mensheidsontwikkeling had gegeven. Het gaat dus in het Johannes evangelie erom wat de schrijver beleeft en niet om een symbolische uitleg ervan. Maar als we nu aan dit verhaal in de bijbel een geesteswetenschappelijke uitleg geven zoals hiervoor gebeurde, dan weten we hoe gedurende 3 werelddagen ( van 3e naar de 4e, van de 4e naar de 5e, en van de 5e naar de 6e cultuurperiode ) de impuls van Christus in de mensen werkt.  We kunnen dus in de verdere ontwikkeling in de zin van het Johannes evangelie zien, dat we zeggen kunnen: “de impuls, die van Christus uitging, was zo ontzaggelijk groots, dat de mensheid heden ten dagen, niet of nauwelijks weet van heeft of kan begrijpen, eerst veel later zal dit ten volle mogelijk zal zijn.   

  

 Vormen van de christelijke inwijding

 

Blz 206 Wanneer we het Johannes Evangelie beter willen begrijpen, maar ook de woorden:”Vader en Moeder” van Jezus in de zin van het Johannes Evangelie en daarmee het wezen van het Christendom, dan moeten we dit evangelie gaan zien in de geestelijke zin van het woord, maar ook in zijn werkelijke zin. We zullen ons dan die bouwstenen moeten verwerven, om het vader- en moeder begrip in zijn geestelijke zin te verstaan en gelijk ook in de werkelijke.

 

Belangrijk is het daarom te weten, wat er bedoeld wordt: met zich klaar maken om de geestelijke wereld in zich op te nemen. Daarvoor is het belangrijk dat we het wezen van de inwijding begrijpen en bestuderen en vooral met betrekking tot het Johannes evangelie. Wie is een ingewijde?

 

In de na-Atlantische tijd der mensheidsontwikkeling was een ingewijde altijd iemand, die zich begeven kon buiten de uiterlijk-waarneembare wereld, en eigen ervaringen en belevingen kon hebben, in de geestelijke werelden. Precies zoals de mens met zijn uiterlijke zintuigen, de stoffelijke wereld beleeft. Zulk een ingewijde, weet uit eigen ervaring van het bestaan van de geestelijke wereld. Daarbij is een bepaalde eigenschap, die elke ingewijde tijdens zijn inwijding verwerft, namelijk dat hij zich moet verheffen boven allerlei gevoelens en emoties, die op aarde volkomen op zijn plaats zijn, maar in de geestelijke wereld, niet op dezelfde wijze bestaan kunnen. Dit betekent niet dat een ingewijde alle andere menselijke gevoelens moet afwennen, die hier in de gewone wereld hun waarde hebben en daarvoor in de plaats die andere zet, die hij in de hogere werelden beleeft, en behoren. Men wisselt ze niet uit, maar men krijgt ze erbij. Door de vergeestelijking is men in staat zijn wereldse gevoelens, die bruikbaar zijn in de fysieke wereld te versterken. Dit wil zeggen, dat hij in zekere zin, een mens zonder vaderland is. Dit betekent niet dat hij zich van zijn land, of familie moet vervreemden, maar dat woord wil alleen zeggen, dat door de gevoelens, die men zich voor de geestelijke wereld eigen maakt de gevoelens, in de stoffelijke wereld zich verfijnen. Een mens zonder vaderland betekent dus: Een mens die zich de gevoelens van de geestelijke wereld eigen heeft gemaakt.

 

Blz 207 Een ingewijde mag geen speciale voorkeuren bezitten, bij zijn verwijlen in de geestelijke wereld, zoals een gewone mens, die hier in de stoffelijke wereld wel heeft, voor bepaalde streken of verbintenissen. In de gewone wereld behoort elk mens tot een bepaald volk, land of familie, dat is prima. Maar brengt hij echter deze voorkeur mee bij zijn verblijf in de geestelijke wereld, dan zal dit zeer schadelijk werken. Het gaat er niet om, een bepaalde voorkeur te hebben, maar om alles juist objectief op zich in te laten werken. In zekere zin moet en ingewijde in de volle zin van het woord een objectief mens zijn.

 

Nu is de mensheid door haar ontwikkeling op aarde losgeraakt van de objectiviteit, die verbonden was met het vroegere helderzien.

Toen de mensen neerdaalden uit de geestelijke werelden, bevolkten ze voor ieder een deel van deze aarde, die hen de uiterlijke kenmerken meegaven, van de streek, waar men geboren werd, door aanpassing.

Doordat de mensen, door hun aardse omgeving van elkaar gingen verschillen, beperkte zich de liefde tot kleine groepen, die veel van elkaar weg hadden. Maar heel langzaam, kunnen de mensen vanuit hun kleine gemeenschappen komen, tot een grote gemeenschappelijke liefde.

 

Blz 208 De ingewijde loopt als het ware, vooruit op datgene waar de mensheid naar toe wil, namelijk alle grenzen verbreken en vrede, harmonie en broederschap aan kweken. De ingewijde moet in al zijn objectiviteit, in elk geval altijd dezelfde kiemen, tot de grote broederliefde in zich opnemen.

In oude tijden werd dit aangeduid, door de beschrijving van alle omzwervingen. Heden te dagen zou men dit kunnen bewerkstelligen, door zich in de maatschappij te plaatsen en alle belevingen en ervaringen, te toetsen aan zichzelf. De maatschappij is dan de spiegel van de ziel, die je jezelf voor gaat houden. Van daaruit  leert de ingewijde, zijn houding ten opzichte van zichzelf en tegenover de ander te ontwikkelen middels vergeestelijking en innerlijke afstemming. De opgave van het Christendom is nu de impuls van verbroedering, ofwel eenheid met alles wat is, aan de gehele mensheid te brengen.

 

Blz 209 Wat houdt het Christendom in? Christus is de Geest der aarde en de aarde het kleed van die Geest. Dit kunnen we woordelijk opvatten, maar nu ook nog de diepere betekenis ervan! Als we de ontwikkeling van de aarde zien, wat worden we dan gewaar met betrekking tot het “kleed der aarde?”

Dan zien we dat uit dit kleed der aarde stukken uiteen zijn geraakt, en toegeëigend zijn. Het bezit waardoor de persoonlijkheid zich verruimde, kreeg meer omvang. dit werd er ook mee bedoeld, als men sprak over het verdelen van het kleed van Christus, de geest der aarde. Maar één ding kon niet verdeeld worden, dit behoorde aan allen; dat is de dampkring om de aarde. Uit deze dampkring werd, zoals in het paradijs verhaal verteld wordt, de mens de levende adem ingeblazen en daarmee wordt ook bedoeld de eerste aanleg van het IK in het stoffelijk lichaam.

De schrijver van het Johannes evangelie schrijft het volgende: “En ze verscheuren zijn kleed, maar de rok verscheurden ze niet.”

Dit is het woord, dat duidelijk aangeeft, hoe de aarde met haar dampkring het lichaam of het kleed en de mantel van Christus is. Het kleed van Christus is in continenten en landstreken verdeeld, maar de rok niet. De lucht werd niet verdeeld, zij is voor ons allen samen. De rok is het uiterlijke, stoffelijke symbool voor de liefde, die om de aarde zweeft en zich later op aarde zal realiseren. In vele andere opzichten moet het Christendom de mensen ertoe brengen, als gehele mensheid iets in zich op te nemen, van het oude mysterie-principe.

 

Er zijn verschillende inwijdings vormen; de oude yoga-inwijding, de Christelijke-inwijding, en de Christelijke-Rozenkruizer-inwijding. Maar als we dit willen begrijpen is het van belang om ons te beperken tot de Christelijke inwijding. In grote trekken wordt nu beschreven hoe een inwijding verloopt, en waartoe ze dienen, en de mens geschikt maken om in de geestelijke werelden te zien.

 

Blz 210 Het fysieke lichaam heeft daar zintuigen voor. We kunnen het beste even terug gaan kijken in de ontwikkeling van de mensheid, dan zien we dat in die oude tijden de mens nog geen ogen om te zien en oren om te horen bezat, maar een ongedifferentieerde, gelijksoortige organen waren. Uit deze ongedifferentieerde organen zijn geleidelijk aan oog en oor gevormd uit de buigzame stof van het fysieke lichaam. Doordat ons oog zorgvuldig gevormd is geworden, werd de stoffelijke wereld der kleuren voor ons zichtbaar; door de vorming van het oor werden de stoffelijke tonen van de wereld hoorbaar.  Als de stoffelijke wereld Wat voor ons een feit is, omdat de aparte organen, in het fysieke lichaam zijn ingebouwd, dan zal het ook niet zo vreemd zijn, dat de waarneming in een hogere wereld berust op het feit, dat in de hogere wezensdelen van de mens (het ether en astraallichaam) hogere organen zijn ingebouwd. Zijn ze er eenmaal in gevormd, dan ontstaat ook de zogenaamde waarneming in de hogere wereld.

 

Blz 212 Het inbouwen van deze hogere organen in het ether- en astraallichaam gaat alsvolgt;  bij degenen die een inwijding nastreeft en verkrijgt, zullen de hogere organen al gevormd worden. Hoe gebeurt dit? Het gaat om het volgende; wanneer het astraallichaam gedurende de dag in het stoffelijke lichaam is, werken de krachten van het stoffelijke lichaam op de persoon in, dan is het astraallichaam dus niet vrij en volgt het fysieke lichaam in al zijn wensen. De werkzaamheid vangt eerst aan wanneer tijdens de slaap het astraal lichaam is losgekomen van het fysieke lichaam. In het astraallichaam kunnen de hogere organen pas gevormd worden als het astraallichaam, in de slaap buiten het fysieke lichaam is. 

Een slapend mens kan echter niet waarnemen, want een slapend lichaam is zich niet bewust, van de samenhang met het fysieke lichaam. Maar omdat  in wakende toestand, op hem wordt ingewerkt, zullen de indrukken, die men overdag opdoet, in het astraallichaam blijven afgedrukt wanneer het zich gedeeltelijk loslaat. Deze afdruk van alle indrukken die men overdag opdoet, blijven niet wanneer de mens, zo maar voor zich uit leeft. Maar door een bepaalde scholing kan men zijn innerlijk leven gaan beheersen. Dit wordt meditatie, concentratie of contemplatie genoemd. Als een mens zulke oefeningen onderneemt, werken ze zo krachtig op hem in. Dat het astraallichaam, als het tijdens de slaap uittreedt, volgt het de astrale krachten volgens welke het gevormd is. Lopende de dag, doet men de geestelijke oefeningen, waardoor gedurende de nacht het astraallichaam zich de hogere organen vormt.

 

Blz 214 Wat de geestelijke vorming betreft komt deze Christelijke inwijdings methode,  het dichtst bij de samenhang van het Johannes evangelie. Deze inwijdingsmethode, werkt uitsluitend door middel van gevoelens. Er zijn 7-gevoelens ervaringen te noemen, waardoor het astraallichaam zo beïnvloed wordt, dat het zijn organen gedurende de nacht ontwikkelt. De Christelijke ‘leerling’ moet nu zo als volgt leven, om deze trappen van ontwikkeling door te maken:

 

Blz 214 De 1e trap noemt men de “voetwassing”. De leraar zegt daarbij tot de leerling: “Zie eens naar de plant. Ze heeft haar wortels in de grond; de minerale aarde is een lager ontwikkeld iets dan de plant. Als de plant zich van zijn aard bewust wordt, zou ze tegen de grond kunnen zeggen: “Ik ben weliswaar een hoger ontwikkelt wezen, maar zonder uw aanwezigheid zou ik niet kunnen leven, want uit U grond, haal ik voor het grootste deel mijn voedsel.” Als de plant dat in gevoel zou kunnen omzetten, zou ze zich tot de steen moeten buigen en zeggen:”IK buig me voor u, steen, want aan u heb ik mijn leven te danken!” Als we ons met het dier bezighouden, dan zou blijken, dat het dier in een soortgelijke verhouding stat tot de plant en zou moeten zeggen:”Ik sta hoger in ontwikkeling dan de plant, maar aan dat lagere rijk heb ik mijn leven te danken.” Als we nu ook op dezelfde manier tot de mens zouden komen, dan zou ieder, die wat hoger staat op de sociale ladder zich moeten neerbuigen tot degenen op lager plaats en zeggen:”Ik heb mijn bestaan aan hen te danken!” Zo gaat het verder omhoog tot Christus Jezus. De twaalf, die om Hem heen zijn, staan een trap lager dan Hij; maar, zoals de plant door de steen kan bestaan, zo groeit Christus door de hulp van de 12 Apostelen. Hij buigt Zich neder voor de hulp van de 12 Apostelen en zegt:”Aan U lieden heb ik Mijn bestaan te danken.” Als de leraar dat nu aan de leerling verklaard had, zei hij hem:”Gedurende enige weken moet ge u nu intens bezighouden met deze kosmische gevoelens, hoe zich dus het hogere zich moet buigen voor het lagere. Als het stoffelijk lichaam op deze wijze genoeg beïnvloed was door de ziel, dan bleek door een gevoelswaarneming, alsof er water om zijn voeten spoelde. Of de leerling had een astraal visioen waarbij hij als het ware werkelijk een voetwassing voor zich ziet, het zich buigen van het hogere voor het lagere. De mens beleeft dan op astraal niveau datgene, wat in het Johannes Evangelie als en historische gebeurtenis beschreven is. 

 

Blz 215 De 2e trap bestaat daarin dat de leerling gezegd krijgt: “Ge moet in u nog een ander gevoel ontwikkelen. Ge moet u voorstellen, hoe het zou zijn, als alle soorten pijnen en smarten u overvielen, wat ge zoudt voelen, als ge waart blootgesteld aan allerlei hindernissen. Ge moet u verplaatsen in het gevoel, dat ge overeind moet blijven, al overkwam u alle denkbare ellende van de wereld.” Als de leerling genoeg geoefend heeft, heeft hij twee ervaringen. Het ene is het gevoel, dat hij aan alle kanten lijfelijk geslagen wordt en de tweede ervaring ervaart hij als een visioen, waarbij hij de “geseling” voor zich ziet.

 

Als derde inwijding had de leerling zich voor te stellen, dat wat hem het heiligste is, waarvoor hij met zijn gehele persoon borgstaat, met hoon en spot wordt overladen. Hij moest zich zelf dan voorhouden:”Wat er ook gebeuren mag, ik moet recht blijven staan en wat me heilig is tegen alles en iedereen verdedigen!” Als hij zich daarin geoefend had, beleefde hij iets als steken in het hoofd en als astraal visioen beleefde hij de “doornenkroon”.  Er wordt  voor gezorgd dat er van suggestie of zelf-suggestie gen sprake kan zijn.

 

Blz 216 Het vierde, is dat de leerling zich een gevoel moet aankweken, alsof zijn lichaam hem zo oneigen wordt als een ding buiten zich bijvoorbeeld een stuk hout en dat hij ook tegen zijn lichaam geen IK zegt. Dit gevoel moet zo sterk worden, dat hij zeggen kan:” Ik draag mijn lichaam met mij mee zoals ik het met mijn jas doe.”  Hij verbreekt het verband tussen zijn IK en zijn lichaam. Dan treedt op, wat men de bloedproef noemt. Wat in vele gewone gevallen een ziekelijke toestand is, is nu een gevolg van de meditatie en niets ziekelijks, omdat ze door meditatie verkregen is. Aan de voeten, handen en rechterzijde van de borst vertonen zich nu de stigmata; als innerlijk ervaring verschijnt een astral visioen van de “kruisiging”.

 

De vijfde trap is de zogenaamde “mystieke dood”. Door de gevoelens, die men de leerling laat beleven op deze trap, is het hem op een ogenblik net, alsof er voor de stoffelijke wereld een zwart gordijn schuift en alsof alles verdwijnt. Men beleeft dan, dat men kan onderduiken in al het boze, al het leed, al het verdriet en alle pijn. Al het kwaad, dat diep in de mensenziel verborgen ligt, kan men ten volle doorleven, als men neerdaalt in de “hel”. Heeft men dit neerdalen in de hel doorleeft, dan is het, alsof het zwarte gordijn vaneen scheurt, en men neemt waarin de geestelijke wereld.

 

De zesde noemt men “de graflegging en opstanding”. Op deze trap voelt de leerling zich één met de aarde; hij voelt zich, alsof hij in de aarde ligt en hij hoort bij de gehele aarde. Zijn leven heeft zich uitgebreid tot dat van de gehele planeet.

 

Blz 217 Het zevende gevoel, is niet in woorden te vatten; alleen hij, die zou kunnen denken zonder stoffelijke hersenen, zou het kunnen beschrijven. Er bestaat simpelweg geen taal voor, want onze taal heeft alleen betrekking op het fysieke. Daarom wordt deze trap enkel vermeld. Men noemt het de “hemelvaart” of de volledige opname in de geestelijke wereld. Hier eindigt het scala van gevoelens, waarin de leerling zich bij volle dagbewustzijn in algehele innerlijke concentratie moet verplaatsen. Als de leerling zich geheel aan deze belevenissen heeft overgegeven, dan werken die zo sterk op het astraallichaam, dat zich ’s nachts de innerlijke waarnemingsorganen vormen.

    

Het wezen van de jonkvrouw Sophia en de Heilige Geest

 

Blz 219 Het astraallichaam van de mens is doormiddel van meditatie, concentratie en andere praktische middelen zo omgewerkt worden, dat het organen vormt, die nodig zijn om in de hogere werelden te schouwen. Wanneer de mens de hogere werelden wil waarnemen, is het nodig, dat hetgeen in het astraallichaam aan organen tot ontwikkeling is gekomen, ook in het etherlichaam wordt afgedrukt.

 

Een oude uitdrukking voor het bewerken van het astraallichaam door middel van meditatie, en concentratie, “Katharsis”, reiniging, genoemd. Deze Katharsis heeft de bedoeling, alles uit het astraallichaam te verwijderen, wat verhindert, dat het harmonisch en geordend is, zodat de hogere organen kan verkrijgen; het heeft namelijk de aanleg tot deze organen, men behoeft enkel de krachten, die erin verborgen liggen, bloot te leggen.

 

Blz 220 Als het Katharsis is volbracht, en er astrale zintuigen in het astraallichaam zijn gevormd, zal dit geheel afgedrukt moeten worden in het etherlichaam. Bij voor-Christelijke inwijdingen, deed men dat op de volgende manier. Nadat de leerling de jarenlange voorbereiding had doorlopen, zei men: “Nu is de tijd aangebroken, waarop het astraallichaam zo ver is, dat het zijn waarnemingsorganen bezit; nu kunnen ze afgedrukt worden in het etherlichaam.” Dan werd de leerling aan een procedure onderworpen, die tegenwoordig (in onze cultuurperiode) in alle ernst, niet door te voeren is. Hij werd in een lethargische toestand (diepe slaap) gebracht, gedurende 3½ dag en zo behandeld, dat er een toestand ontstond, zoals iedere nacht tijdens de slaap. In de nacht namelijk, treed het astraallichaam buiten het fysieke en etherlichaam; maar nu werd ook het etherlichaam voor een bepaald deel van het fysieklichaam losgemaakt; en werd er tevens voor gezorgd, dat het fysieklichaam in tact bleef, zodat de betrokkene intussen niet zou sterven. Het etherlichaam nu bevrijd van de krachten van het fysieklichaam is nu elastisch en plastisch en verkreeg het etherlichaam een afdruk van het gehele astraallichaam. De betrokkenen werd weer door de Hierophant in zijn normale toestand gebracht, waardoor het astraallichaam en IK weer verenigd werden met het fysieke en etherlichaam. De leerling had niet alleen een Katharsis doorgemaakt, maar dan was hem ook de “verlichting” of “photismos” ten deel gevallen. De betrokkene kon nu de wereld om zich heen zien, maar ook kon hij nu ook het geestelijke achter de dingen zien. De inwijding bestond uit deze twee onderdelen, de reiniging of loutering en de verlichting.

 

Blz 221 In de loop van de menselijke ontwikkeling trad er een fase in, waarin het steeds moeilijker was om zonder diepgaande storingen in de lichaamsfuncties te veroorzaken, het etherlichaam los te maken van het stoffelijklichaam; de hele na-Atlantische ontwikkeling was erop gericht, het etherlichaam steeds vaster aan het stoffelijk lichaam te binden. Er werden andere methoden ontwikkeld, die erop gericht zijn om zonder scheiding tussen etherlichaam en fysieklichaam het astraallichaam, als het voldoende gereinigd is en vanzelf weer teruggaat in de andere twee wezensdelen, in staat te stellen, zijn organen in het etherlichaam af te drukken. Er moesten in de meditatie en concentratie sterkere krachten werkzaam zijn, waardoor die de weerstanden van het stoffelijk lichaam konden overwinnen.

 

Blz 222 In de eerste plaats trad toen de 7 trappen van de Christelijke inwijding op. Als de mens deze gevoelens sterk beleeft, wordt zijn astraallichaam zo bewerkt, dat hij waarschijnlijk pas na jaren  of wellicht eerder, of misschien nog later zijn waarnemingsorganen gevormd en afgedrukt in het etherlichaam. Deze soort Christelijke doorleefde inwijding stelt de mens in staat zonder een lethargische toestand door te maken, tot een inwijding te komen. En wel door als leerling voortdurend te mediteren over de zinnen uit de Johannes Evangelie: “In den beginne was het woord…” tot aan “vol overgave en waarheid” elke dag op zich laat inwerken, is dit een werkzame krachtige meditatie.  Het Johannes Evangelie, is er niet om alleen met het verstand te worden gelezen mar ook moet het innerlijk beleefd en gevoeld worden. Dan bezit het een kracht, die bij de inwijding helpt en vormend ingrijpt; “voetwassing”, “geseling”, en andere innerlijke belevenissen worden dan astrale visioenen, die overeenkomen met de beschrijvingen, die men in het Johannes Evangelie van het 13e hoofdstuk af, vindt.

 

Blz223 Nadat de mens deze inwijding ontvangen heeft, is deze niet meer die hij vroeger was. Hij heeft nu de verworvenheden, om op dezelfde wijze als hij met de dingen in de stoffelijke wereld om ging, nu ook om te gaan met wat zich aan toestanden in de geestelijke werelden bevindt. Hij heeft zich een hogere kennis eigengemaakt. Dit is enkel mogelijk wanneer beide delen doorleefd zijn. Ken u zelf, bevrucht u zelf met wat u uit de geestelijke werelden toestroomt! Het innerlijk moet voor het opnemen van het hogere Zelf ontvankelijk gemaakt worden, eerst dan stroomt uit de geestelijke wereld het hoger Zelf van de mens in hem binnen. Het astraallichaam zal eerst onderworpen moeten worden, eerst dan zal het geestelijke buiten hem bij de verlichting in hem binnenstromen. Dit vindt plaats, als de mens zich zo ver voorbereid heeft dat hij zijn astraallichaam aan een katharsis heeft onderworpen en daardoor zijn innerlijke waarnemingsorganen gevormd heeft. Dan is het astraallichaam bij het onderduiken in ether- en fysieklichaam onder alle omstandigheden zo ver, dat de verlichting, de photismos, een feit wordt. Het astraallichaam heeft zijn organen afgedrukt in het etherlichaam. Het astraallichaam krijgt dus door het etherlichaam aangeboden, wat dit laatstee uit de hele kosmos opneemt; het kosmische IK.

 

Blz225 De Christelijke geheime leer noemt dit gereinigde en gelouterde astraallichaam, dat bij de verlichting niets in zich heeft aan onreine indrukken uit de fysieke wereld, en enkel de waarnemingsorganen voor de geestelijke wereld bevat: “ de reine, kuise, wijze jonkvrouw Sophia. “ Het kosmische IK komt de jonkvrouw Sophia tegemoet, dat wereld-IK, dat de verlichting bewerkt; dit maakt, dat de mens, geestelijk licht om zich heen ziet. Dit licht noemt de Christelijke esoterie “de Heilige Geest” 

 

Blz226 De leerling verkrijgt door de inwijding, de reiniging en loutering van zijn astraallichaam; hij maakt zijn astraallichaam tot jonkvrouw Sophia en wordt overstraald door de heilige Geest van de wereld-IK. Degene die op deze wijze de verlichting bereikt heeft, in de zin van de Christelijke esoterie de Heilige Geest ontvangen, in zich op genomen. Zo iemand is een instrument, zijn IK is verdwenen. Het wereld-IK bedient zich van hem als werktuig om door hem heen te spreken. Wat er gebeurd is dat alles wat er in de geestelijke wereld wordt waargenomen, medegedeeld wordt met uitsluiting van elk persoonlijke mening erover.

 

Blz 227 De begrippen “Jonkvrouw Sophia” het gelouterde astraallichaam en het wezen de Heilige Geest zijn nu twee begrippen die ons bekend zijn. Maar er is nog een hogere trap te bereiken namelijk een ander zo te helpen dat degene door onze impuls beide trappen kan bereiken.

De mensen uit onze ontwikkelingsperiode kunnen de “jonkvrouw Sophia” ( het gelouterde astraallichaam) en de Heilige Geest (de verlichting) op de aangegeven wijze ontvangen. Geven, en wat daartoe nodig was aan de aarde, kon alleen Christus Jezus. Aan het geestelijke deel van de aarde heeft Hij die krachten geschonken. Waardoor het mogelijk is om doormiddel van een christelijke inwijding, zoals deze beschreven is, bereikt kan worden. Om dit te kunnen begrijpen moeten is het nodig om eerst het principe van de naamgeving ten tijde van de Evangeliën duidelijk maken. De schrijver van het Johannes Evangelie heeft de historische, dus bestaande moeder van Jezus beoordeeld op haar meest opvallende eigenschappen en toen gezegd: Hoe vind ik een naam dat haar wezen het best uitdrukt? Omdat zij door vroegere incarnaties op de geestelijke hoogtes gekomen was, waarop ze nu stond en ze, wat haar persoonlijkheid betrof een openbaring scheen te zijn, kreeg zij de naam “Jonkvrouw Sophia”. Johannes moest in een naam de  wereldhistorische ontwikkeling tot uitdrukking brengen. Dat doet hij, door aan te geven dat zij niet Maria genoemd kan worden. Hij noemt haar  “De moeder van Jezus” Hiermee laat hij blijken, dat hij haar naam niet noemen wil, omdat die niet aan de openbaarheid prijsgegeven mag worden. In esoterische kringen noemde men haar steeds “Jonkvrouw Sophia”. Zij was dus degene, die als historische persoonlijkheid de “Jonkvrouw Sophia” representeerde.

 

Bla 229 Wanneer we verder willen doordringen in het wezen van het Christendom en in dat van zijn grondlegger, moet er nog en ander geheim onthuld worden. We moeten onderscheid maken tussen wat we in de christelijke esoterie “Jezus van Nazareth” noemen en wat we bedoelen met “Christus Jezus”, de Christus in Jezus van Nazareth. Het volgende: Bij de  historische Jezus van Nazareth, hebben we te maken met een mens, die door vele incarnaties is gegaan en zich ontwikkelt heeft tot een hoog ontwikkelt mens.  Hij heeft zich daartoe aangetrokken gevoeld tot een zuivere moeder, die de schrijver van het Johannes Evangelie “Jonkvrouw Sophia” noemen mocht. We hebben dus bij Jezus van Nazareth te maken met een hoogstaand mens, die in zijn voorgaande ontwikkeling al ver gekomen was en deze incarnatie begon op een zeer hoge geestelijke trap. 

 

De andere Evangelisten hebben niet zo’n hoge trap van ontwikkeling bereikt als de schrijver van het Johannes Evangelie. Voor hen was het enkel van belang de zintuigelijke-waarneembare, stoffelijke wereld, waarin ze hun Meester en Messias zien rondgaan als Jezus van Nazareth. De meer geheime spirituele samenhangen, waarin de schrijver van het Johannes Evangelie wel ingewijd is, zijn hun verborgen. Voor de andere nog niet ingewijde Evangelisten is het dus van groot belang dat in Jezus van Nazareth datgene leeft, wat altijd in het Joodse volk geleefd heeft en zich heeft voortgeplant, namelijk de door alle generaties gaande God der Joden, de Vader. Zij zeggen:”Als we de afstamming van Jezus van Nazareth door de generaties vervolgen, dan kunnen we werkelijk aantonen, dat door zijn aderen hetzelfde bloed vloeit als vele generaties lang door die van zijn voorouders. Zij geven dus een stamboom aan en daarmee ook het verschil naar mate van hun ontwikkeling die ze hebben bereikt. Mattheus geeft een stamboom aan, die teruggaat tot Vader Abraham.  Lukas gaf aan dat God in Jezus leefde, zoals Hij ook in Abraham aanwezig was, en maakte duidelijk dat de afstamming-in-den-bloede zelfs terug ging tot Adam; Adam was de zoon van God zelf, d.w.z. Adam stamt nog uit de tijd, waarop de mensheid uit geestelijke hoogten in de lichamelijkheid is afgedaald. Het is dus zowel Mattheus als Lukas erom te doen, duidelijk na te wijzen, dat Jezus van Nazareth eigenlijk terug gevoerd kan worden op de goddelijke Vaderkracht.

 

Voor de schrijver van het Johannes Evangelie, was dit van geen belang, want het kwam bij hem er niet op aan of ”Ik en de Vader zijn één “ waar was. Hij wilde aantonen: “Op elk ogenblik leeft er in elk mens iets eeuwigs, dat er al “in den beginne” waar was. Hij wilde aantonen: Op elk ogenblik leeft er in elk mens iets eeuwigs, dat er al was vóór Vader Abraham!. Dat was in het eerste begin de Logos, die heet: “Ik ben”. Dit bestond al veel vroeger dan alle uiterlijke dingen en wezens; het was er al “in den beginne.”

 

Blz 230 Wanneer we de “conceptio immaculata” in esoterische zin bespreken, zou dit in vertrouwde kringen gedaan moeten worden. Er bestaan vele misverstanden die over dit begrip, als gevolg van het feit, dat de mensen in het geheel voorbij gaan wat er met conceptio immaculata wordt bedoeld.            

Mensen menen, dat er geen vader bij te pas is gekomen. Maar er ligt een veel diepere  geheim aan ten grondslag. Evangelisten wilden aantonen, dat Jozef wél de vader is. Ze wilde aantonen dat de oude God in Jezus van Nazareth was opgestaan. Vooral Lukas wil dit aan tonen; vandaar Jezus stamboom terug gaat tot Adam en vandaar tot God. Hij zegt: “Ik toon aan, dat die stamboom bestaat, maar eigenlijk hoorde Jozef er helemaal niet bij.” Het zou toch vreemd zijn, wanneer hij eerst aan te toont dat Jozef een belangrijk persoon is, om hem dan weer later naar de achtergrond te schuiven. Jezus van Nazareth die vele incarnaties doorgemaakt had en zich zo ver ontwikkeld had, had een bijzondere moeder nodig om geboren te worden.

 

Blz 231 Toen Jezus van Nazareth 30 jaar oud was, kon hij door hetgeen hij in zijn toemalig leven had doorgemaakt, een proces voltooien, dat slechts in uitzonderingsgevallen volbracht kan worden. We weten dat de mens uit vier wezensdelen bestaat: uit fysieklichaam, etherlichaam, astraallichaam en IK. Als een mens in zijn ontwikkeling een bepaalde hoogte bereikt heeft, is het hem mogelijk, op een bepaald moment zijn IK, uit de andere wezensdelen los te maken en deze onbeschadigd achter te laten. Dit Ik gaat dan naar de geestelijke wereld en de drie andere wezensdelen blijven achter. Bij een bepaald mens gebeurt het wel, dat op een bijzonder moment, waarop hij in vervoering raakt, zijn IK naar de geestelijke wereld opstijgt. Doordat de drie achter gebleven lichamen door het IK tot hoge ontwikkeling zijn gekomen, zijn ze bruikbare werktuigen voor een hoger wezen, dat er dan bezit van neemt. In het 30e levensjaar van Jezus van Nazareth, neemt het wezen dat we de Christus genoemd hebben, zijn fysiek, ether-, en astraallichaam in bezit. Dit Christuswezen kon niet in een kinderlichaam incarneren, maar alleen in een lichaam, dat daartoe door een hoog ontwikkelt IK voorbereid was. Dit Christuswezen was voordien nog nooit in een fysieklichaam geboren. Vanaf het 30e levensjaar van Jezus van Nazareth hebben we dus met de Christus in Jezus te maken.

 

Blz232 gedurende drie jaren kon het Wezen der 6 Elohim, het geestelijk wezen van de zon, in deze lichamen leven. De zonnelogos, die na de verlichting ook in de mens kan binnendringen, is de Heilige Geest; dus het Kosmische Wereld IK treedt in de lichamen binnen en van dat moment af spreekt de Zonnelogos gedurende drie jaren door het lichaam van Jezus. Dit gebeuren wordt in de  Evangeliën als ook in het Johannes Evangelie  aangeduid. Het wordt beschreven als het neerdalen van de duif, de Heilige Geest op Jezus van Nazareth. In het esoterische Christendom wordt het zo uitgedrukt, dat op dit moment het IK van Jezus van Nazareth zijn lichaam verlaat en dat de Christusgeest uit hem spreekt om te onderwijzen en te werken.

Nu bewoont het Christus wezen het astraallichaam, het etherlichaam en fysieklichaam van Jezus van Nazareth. Op deze wijze werkt hij, tot aan het Mysterie van Gogotha.

 

Blz233 Op Golgotha, Het bloed stroomt uit de wonden van de Verlosser omlaag. De geestelijke gebeurtenis bestond daarin, dat de Heilige Geest, die bij de doop van Jezus van Nazareth instroomt, nu zich met de aarde verbond, waardoor dus de Christus zelf binnenstroomde in het wezen der aarde.

Van dat ogenblik af was de aarde veranderd. De Zonnelogos moest zich met de aarde verbinden, moest de geest  der aarde worden. De weg, waarlangs dat tot stand werd gebracht is, bestond daarin, dat deze Heilige Geest in het 30e levensjaar van Jezus van Nazareth in hem is binnengegaan, daarin 3 jaar gewerkt heeft en toen voor de aarde behouden is gebleven.

 

Blz 234 Er moest dus voor ieder Christen iets bestaan, waardoor hij zijn astraallichaam geleidelijk aan de aanleg krijgt tot een gelouterd astraallichaam. Er moest dus voor iedere Christen iets bestaan, waardoor hij zijn astraallichaam geleidelijk aan gelijk kon maken aan de Jonkvrouw Sophia. Er moest dus iets te vinden zijn, dat de kracht bevat, het menselijk astraallichaam zo te zuiveren dat het gelijk was aan de “Jonkvrouw Sophia”. Deze kracht ligt besloten in de zending, die Christus aan de jongere, die hij liefhad ( de schrijver van het Johannes Evangelie) gaf, om vanuit zijn “verlichting” waar en getrouw op te schrijven, wat er in palestina was voorgevallen, opdat de mensen het op zich zouden kunnen laten inwerken.

 

Blz 235 Als de mensen voldoende het Johannes Evangelie, wat er in beschreven staat in zich laten werken, dan wordt het ontvankelijk voor de impulsen die van het Johannes Evangelie uit gaan. Dit was de opdracht die Christus Jezus de schrijver van het Johannes Evangelie heeft gegeven. U hoeft het Evangelie maar te lezen. Bij het kruis staat de moeder van Jezus ( “de Jonkvrouw Sophia”, in esoterische zin) en van het kruis af spreekt Christus tot de jongere, die hij liefhad: “Dit is voortaan uw moeder” en van dat moment nam hij haar tot zich”.

Hij zegt eigenlijk: “de kracht, die in mijn astraallichaam aanwezig was, waardoor het een drager van de Heilige Geest kon zijn, draag ik op u over; gij moet neerschrijven, wat dit astraallichaam door zijn ontwikkeling bereiken kon.”

En hij nam haar tot zich, en hij schreef het Johannes Evangelie, waarin de schrijver op verborgen wijze de krachten tot ontplooiing van de “Jonkvrouw Sophia” heeft neergelegd. Van het kruis af wordt hem de opdracht gegeven, deze kracht als zijn moeder aan te nemen en dus de ware, echte beschrijver van de Messias te zijn. Eigenlijk zou het zo gezegd moeten worden: Tracht u geheel in het Johannes Evangelie in te leven, probeer het spiritueel te begrijpen: het heeft de kracht u tot een christelijke katharsis te voeren, het geeft u de kracht u de “Jonkvrouw Sophia” te geven, dan zal ook de Heilige Geest, die met de aarde verbonden is, u de verlichting “photismos” ten deel vallen.Dit wat de intiemste leerlingen toentertijd in Palestina ervoeren,  was zo sterk, dat ze voortaan ten minste de aanleg in zich hadden, in de geestelijke wereld waar te nemen. Dit zien in de geest in Christelijke zin bestaat namelijk daarin, dat de mens zijn astraallichaam zo omvormt door wat er in Palestina is voorgevallen, dat hetgeen de mens moet zien, niet fysiek waarneembaar en aanwezig hoeft te zijn.   

 

Blz 236 De mens heeft nog wat extra, waardoor hij in het geestelijke gebied kan waarnemen.  Degene, die in het dorpje Bethanië Christus Jezus gezalfd heeft, bezat de geestelijke kracht tot het waarnemen, doordat ze alles wat in Palestina gebeurd was, intens had meebeleefd; zij is ook een degenen, die als eerste verneemt, dat het wezen, dat in Jezus geleefd heeft, nog bestaat na de dood en is opgestaan. Dit kon zij doordat haar innerlijke waarnemingsorganen tot ontplooiing waren gekomen.  Dit wordt ons medegedeeld in een bericht dat tot ons komt dat Maria Magdalena naar het graf geleidt wordt, dat het stoffelijk lichaam weg is, en zij daar bij het graf twee geestelijke gestaltes ziet. Deze twee gestaltes zijn altijd zichtbaar, wanneer een lijk ergens langer aanwezig is. Men ziet aan de ene kant het astraallichaam en aan de andere kant het etherlichaam, dat zich geleidelijk losmaakt en in de etherwereld verdwijnt. Afgezien dus van het dode stoffelijk lichaam  zijn er nog twee gestalten aanwezig, die tot de geestelijke werelden behoren. “Toen gingen de jongeren weer naar huis. Maria stond voor het graf buiten, en weende. Terwijl ze weende, bukte ze en keek in het graf en zag twee engelen in witte kleren zitten. Ze zag dat, doordat ze door de hevigheid der gebeurtenissen in Palestina helderziend geworden was. Ze zag nog meer; ze zag ook de Opgestane. Tot zich zelf zegende: “Bent u ervan overtuigd, dat u een mens, die u in stoffelijke gestalte een paar dagen eerder gezien hebt, niet meer zou herkennen? Als u die over een paar dagen zou weerzien?” Toen ze dit gezegd had, wendde ze zich om en zag Jezus staan en ze wist niet, dat het Jezus was.

 

Blz237 Jezus zeide tot haar: “Vrouwe, wat huilt ge? Wie zoekt ge?” Ze meende, dat het de hovenier was…”Om het ons zo nauwkeurig moegelijk mede te delen, wordt dit niet eenmaal aangeduid, maar ook bij de volgende verschijning van de Opgestane aan het meer van Genezareth, luidt het: “Toen het nu reeds dag werd, stond Jezus aan de oever, doch de jongeren wisten niet, dat het Jezus was.” De esoterische leerlingen vinden Hem daar. Degenen, die de volle kracht van het gebeurde in Palestina in zich opgenomen hadden, konden nu de Opgestane Jezus waarnemen in de geest. Hoewel de jongeren en Maria Magdalena Hem ook zagen, waren er toch enigen onder hen, die wat minder begaafd waren in het ontwikkelen van de kracht tot het helderzien. Tot hen behoorde ook Thomas. Van Thomas weten we dat hij er niet bij was, toen de jongeren de Heer gezien hadden; hij zegt dan ook, dat hij eerst zijn handen op de wonden moet leggen, hij moet de Opgestane eerst lijfelijk betasten. Ook nu nog zal geprobeerd worden hem te helpen, opdat hij helderziend wordt. Dit gebeurt in de zin van de volgende woorden: “En na acht dagen waren Zijn jongeren wederom daar binnen en Thomas met hen. Jezus kwam, toen de deuren gesloten waren en trad in het midden en zeide:”Vrede zij ulieden!” Daarna zeide Hij tot Thomas: Breng uwen vinger herwaarts en bezie mijn handen! En breng uwen vinger herwaarts en leg ze in mijn zijde; en wees niet ongelovig, maar gelovig. En ge zult wat zien, als ge u niet alleen verlaat op wat ge uiterlijk ziet, als ge u niet alleen verlaat op wat ge uiterlijk ziet, maar uzelf doordringt met innerlijke kracht! (Joh.20-29) 

Deze innerlijke kracht, die uit moet gaan van het gebeuren in Palestina, noemt men “geloof”. Dit is de innerlijke kracht tot helderzien. Doordring uzelf met innerlijke kracht; dan behoeft ge niet maar alleen datgene voor werkelijk te houden, wat ge van buiten ziet; want zalig zijn zij, die kunnen weten van dingen, die niet uiterlijk waarneembaar zijn. De volle waarheid omtrent de opstanding kan enkel door diegene gekend worden, die de innerlijke kracht in zich tot ontwikkeling brengt om de geestelijke wereld waar te nemen.

 

Blz238 Om de voorgang van deze kracht tot helderzien begrijpelijk te maken, wordt in het laatste hoofdstuk van het Johannes Evangelie, er steeds duidelijk op gewezen, hoe de intiemste leerlingen van Christus Jezus, doordat ze de gebeurtenissen in Palestina ten volle hadden meegemaakt, tot de Jonkvrouw Sophia kwamen.  Er was al eerder een geestelijke gebeurtenis die de leerlingen moesten meemaken, maar deze werd niet doorvoeld, de leerlingen waren nog niet in staat om van uit hun hart de waarheid waar te nemen. De leerlingen herkende Jezus niet in zijn spirituele gedaante. Het wonder van de opstanding moet letterlijk opgevat worden en juist zoals het gezegd is: “Ik blijf bij ulieden alle dagen tot het einde der tijden.” (Matth. 28,20)

Hij is er en zal weer verschijnen, maar dan niet in een vleselijke gestalte, maar zo, dat de mensen, die door de kracht van het Johannes Evangelie zo ver gevorderd zijn, Hem werkelijk zullen waarnemen, en dan niet meer ongelovig zullen zijn, als ze Hem, juist door die kracht, zullen zien.

 

Blz239 De mensheid dient voorbereid te worden, om de ogen te openen. De geesteswetenschappelijke beweging heeft de opdracht om dat deel der mensheid op de wederkomst van de Christus voor te bereiden, dat daar toe bereid is. Om tot het ware Christendom te komen, zal de mens in de toekomst de spirituele leerstellingen moeten aanvaarden, die de geesteswetenschap in staat is te geven. Vooral het testament van de schrijver van het Johannes Evangelie, en de machtige school der Jonkvrouw Sophia, zal steeds meer begrepen en beleefd moeten worden.

Het Johannes Evangelie is er voor degenen, die eigenlijk zoekers zijn naar geestelijke waarden, die dus steeds meer spiritueels in zich trachten op te nemen, die zullen in zichzelf het rijk der hemelen vinden!

De geesteswetenschap is veelzijdig en is een weg naar kennis. Als we trachten, hetgeen we door de geestesw